Op het eerste gezicht lijkt de Zuid-Afrikaanse vreemdelingenhaat van eenzelfde kaliber als wat je in talloze andere landen aantreft, gevoed door het idee dat ‘ze’ onze banen inpikken, onze huizen bezetten en zware druk leggen op onderwijs en gezondheidszorg. Maar er zijn aspecten die Zuid-Afrika uniek maken.
Zo is het geweld waarmee de xenofobie er gepaard gaat schokkend. De eerste grootschalige aanvallen op buitenlanders vonden plaats in 2008, waarna in 2015, 2019, 2022 en dit jaar nieuwe uitbarstingen volgden. Het aan de Universiteit van de Witwatersrand verbonden onderzoeksteam Xenowatch telt sinds 1994 bijna 1400 xenofobe incidenten, 5706 geplunderde ‘buitenlandse’ winkels en 706 doden (peildatum 30 september).
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Eveneens opvallend is het feit dat de haat niet is gericht tegen de witte voormalige onderdrukkers of rijke Europeanen. Het zijn vooral zwarte Afrikanen die het moeten ontgelden: Somaliërs, Nigerianen, Malawiërs, Ethiopiërs, Zimbabwanen, Mozambikanen. Maar ook Bengalezen en Pakistanen worden aangevallen.
Twee organisaties sturen de protesten: Operation Dudula (Zoeloe voor ‘wegduwen’), die in 2021 voor het eerst van zich deed spreken, en de March and March Movement, die dit jaar met ultimatums kwam waarin werd geëist dat alle illegale immigranten het land uitgezet moesten worden. Nadat er opnieuw werd geplunderd en gemoord, deporteerde de overheid binnen vijf weken 53.000 buitenlanders.
Migranten in de mijnbouw
Massale immigratie uit de rest van Afrika is geen nieuw fenomeen in Zuid-Afrika. Ruim honderd jaar geleden rekruteerden mijnbouwbedrijven als De Beers en Anglo American honderdduizenden mannen uit de buurlanden om diamanten, goud en andere metalen naar de oppervlakte te brengen. Die buitenlanders, vaak de meerderheid van het personeel, verbleven in compounds en later in single-sex hostels nabij de mijnen. Al vanaf de jaren 1890 waren er problemen tussen etnische en regionale groepen. Maar doorgaans verbleven ze op gescheiden locaties, opdat ze niet gezamenlijk in opstand zouden komen tegen de belabberde leefomstandigheden. Verdeel en heers, luidde het devies van het mijnmanagement.
Tegen het einde van de apartheid in 1994 kwam een grootschalige, ongereguleerde immigratie vanuit andere delen van Afrika op gang. De grenzen waren geopend, de controles waren belabberd, en de verkiezing van Nelson Mandela tot eerste zwarte president in Zuid-Afrika zorgde voor een continentale solidariteit. Veel Afrikaanse landen hadden tijdens de apartheid de zwarte bevrijdingsorganisaties gesteund. Het ANC had zijn hoofdkwartier in de Zambiaanse hoofdstad Lusaka, runde trainingskampen voor verzetsstrijders in onder meer Angola, Tanzania en Oeganda, en rekende op Swaziland, Mozambique, Botswana, Lesotho en Zimbabwe als doorvoerlanden). Nu was het tijd om dit krediet te innen.

Zuid-Afrika was de economische motor van het continent en werd voor veel Afrikanen hét alternatief voor de levensgevaarlijke reis naar Europa. Ze kwamen uit alle delen. Vaak ging het om goed opgeleide mensen die de burgeroorlog (Zaïre/Congo, Somalië) of economische malaise (Zimbabwe) ontvluchtten. Ze gingen in Zuid-Afrika aan de slag als kleine ondernemers, Uber-chauffeurs, tuinmannen, bouwvakkers, autobewakers, winkelbedienden, kappers, monteurs, serveerders. Honderden kwamen terecht in de illegale mijnbouw, waarvoor ze waren geronseld door criminele organisaties die de nabijgelegen dorpen en steden terroriseerden, wat bijdroeg aan de buitenlanderhaat.
Hoewel sommige politici, als ze het xenofobe geweld veroordelen, nog verwijzen naar de Afrikaanse solidariteit in de anti-apartheidsstrijd, is er van die saamhorigheid weinig over. De situatie is zelfs zodanig veranderd dat andere Afrikaanse landen, met name Ghana en Nigeria, langs diplomatieke kanalen de ANC-regering scherp veroordelen omdat ze te weinig tegen het geweld onderneemt.
Strijd tegen het ANC
Armoede en uitzichtloosheid zijn voorname redenen voor het geweld tegen buitenlanders. Maar de Amerikaanse socioloog Charles Tilly geeft in The Politics of Collective Violence (2003) aanvullende verklaringen. Volgens hem hebben de brute acties ook te maken met gebrek aan vertrouwen in de autoriteiten en een geloof dat je met collectief geweld resultaat kunt boeken. In het geval van Zuid-Afrika bieden de gigantische jeugdwerkloosheid (ruim 60 procent), de minimale economische groei en de nooit nagekomen belofte van een ‘beter leven voor iedereen’ de context. Buitenlanders die economisch succesvol zijn, worden gezien als de vijand. Organisaties als March and March en Operation Dudula en opportunistische politici kanaliseren die woede.
Veel van het geweld tegen buitenlanders heeft zijn oorsprong in de provincie KwaZulu-Natal, met name de havenstad Durban. Daar vonden al in 1949 rellen plaats die waren gericht tegen de Indiërs, die de Britse kolonisten in de negentiende eeuw hadden aangetrokken om op suikerplantages en bij de aanleg van spoorwegen te werken. Andere brandhaarden zijn de townships rond Johannesburg waar veel Zoeloesprekenden wonen. Zoals Soweto, waar Operation Dudula werd opgericht, en Alexandra, waar het geweld in 2008 begon.
Met 24 procent van de totale bevolking zijn de Zoeloes de grootste etnische groep van Zuid-Afrika. De Zoeloe-natie beleefde haar hoogtepunt in de negentiende eeuw, toen onder leiding van koning Shaka naburige clans en volkeren met geweld werden onderworpen en het Zoeloe-rijk zich gestaag uitbreidde. De sterk hiërarchische, patriarchale structuur van de gemeenschap, met veel macht voor de koning en de chiefs, werd gekopieerd in de single-sex hostels rond Durban en in het toenmalige Transvaal, waar de belangrijkste goudvoorraden waren.
In het apartheidstijdperk leunde de Inkatha Vrijheidspartij (IFP) van Mangosuthu Buthelezi (de leider van het ‘thuisland’ KwaZulu) sterk op Zoeloe-nationalisme om – heimelijk gesteund door het witte regime – de strijd tegen het ANC aan te gaan. Het idee van trotse, krijgshaftige Zoeloes wier cultuur en tradities onder druk stonden, werd gebruikt als propaganda- en mobilisatiemiddel. Bij dit langdurige conflict vielen tussen 1985 en 1995 naar schatting zeker 15.000 doden.
Dit is het mechanisme dat ook ten grondslag ligt aan veel van het huidige xenofobe geweld. March and March en Operation Dudula begonnen allebei als door Zoeloes geleide organisaties. Dankzij de strakke hiërarchische structuren, duidelijk leiderschap, een gehoorzame achterban en een nadruk op eeuwenoude tradities die bedreigd worden, zijn Zoeloes relatief gemakkelijk te mobiliseren.
De mensenrechtenpoot van de Afrikaanse Unie zond in september een fact-finding mission naar Zuid-Afrika, en concludeerde dat er geen sprake is van ‘inherente vreemdelingenhaat’ in het land. Wel constateerden de waarnemers dat het onderzoek van de Zuid-Afrikaanse overheid naar hen die de gewelddadigheden organiseren en financieren veel te traag verloopt.
Imposante aantallen
In 1996 telde Zuid-Afrika nog geen miljoen immigranten, in 2020 waren dat er volgens StatsSA ruim 3 miljoen – 5 procent van de totale bevolking. Het merendeel (45 procent) kwam uit Zimbabwe. Ondertussen nam de werkloosheid in het land toe, van 22 procent in 2007 naar 32 procent in 2025. Hoeveel illegalen er in het land verblijven, weet niemand. Populistische politici strooien graag met imposante aantallen. Zo kwam de oprichter van ActionSA en voormalig burgemeester van Johannesburg Herman Mashaba met het cijfer 15 miljoen. Hij trok dat later weer in, maar het getal ging een eigen leven leiden in de sociale media.
Meer weten
- Rope of Sand (1995) door John Leband beschrijft de opkomst en teloorgang van het grote Zoeloerijk van koning Shaka en zijn opvolgers.
- Exorcising the Demons Within (2011) onder redactie van Loren B. Landau is dé academische bundel over de geweldsgolf van 2008, ook over de rol van de staat.
- A Man of Good Hope (2014) door Jonny Steinberg is een aangrijpend boek over Asad Abdullahi, die als 8-jarige zonder ouders vanuit Somalië immigreerde.