• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 2/2017

    Paus tegen wil en dank

    Voorpublicatie: De Nederlandse Paus

    Door: Twan Geurts

    Na een van de langste conclaven ooit kiezen de kardinalen op 9 januari 1522 de Nederlander Adrianus van Utrecht tot paus. Hij is een buitenstaander, een barbaar, en niemand is gelukkig met zijn uitverkiezing. Hijzelf al helemaal niet.

     

    Het is 27 december 1521. Rome beleeft een zeer strenge wintermaand. In de Sixtijnse Kapel is het bitterkoud. Vandaag begint het conclaaf dat de opvolger van paus Leo X zal kiezen. Er zijn veertig cellen in gereedheid gebracht voor de kardinalen die hier de komende dagen zullen verblijven, net zo lang tot er een opvolger is gekozen. De cellen zijn per loting toebedeeld: kardinaal Petrucci zal de eerste betrekken, kardinaal Soderini de laatste.

    Elke cel is zestien voet lang en twaalf voet breed, dat is ruwweg drieënhalve bij vierenhalve meter. De omstandigheden zijn behoorlijk spartaans. De Sixtijnse Kapel is benauwd en slecht verlicht, en wordt slechts warm gestookt met enkele walmende kachels. Het is de vraag of de kardinalen veel troost zullen putten uit de schitterende fresco’s die de kunstenaar Michelangelo hier nauwelijks tien jaar eerder op de gewelfde plafonds heeft aangebracht. Dit conclaaf zal de geschiedenis in gaan als een van de langste in de historie van het pausschap.

    ’s Ochtends houdt prelaat Vincenzo Pimpinella na een plechtige mis ter ere van de Heilige Geest in de stad de traditionele toespraak tot het College van Kardinalen; daarmee is het conclaaf officieel geopend. Zevenendertig kardinalen haasten zich vervolgens naar het Vaticaan in het levensgevaarlijke gedrang van een volksmenigte. Grimani en Cibo zijn ziek en voegen zich pas in de middag bij het gezelschap van kardinalen. Ze worden op brancards naar binnen gedragen. Als ’s avonds de deuren van de kapel worden vergrendeld zijn er 39 stemgerechtigde kardinalen bijeen. Allemaal Italianen, op de Spanjaarden Carvajal en Vich en de Zwitser Schinner na. De andere negen buitenlanders die deel uitmaken van het Heilig College zijn niet aanwezig in Rome.

    Ook de enige Nederlander, Adrianus van Utrecht, is er niet bij. Hij is de kardinaal van Tortosa en heeft als stadhouder van keizer Karel V in Spanje op dat moment heel andere zorgen aan zijn hoofd. Adrianus overwintert in het Baskische stadje Vitoria en treft voorbereidingen voor een militaire confrontatie met de troepen van de Franse koning die het noorden van Spanje zijn binnengevallen.

     

    1500 soldaten moeten voorkomen dat de Franse en Duitse facties elkaar te lijf gaan

     

    In totaal zitten er bij de aanvang van het conclaaf tweehonderd personen opgesloten in de Sixtijnse Kapel. Vijfhonderd Zwitserse Gardisten bewaken het Apostolisch Paleis, maar omdat de Franse en de Duitse fracties in het kardinalencollege elkaar naar het leven staan zijn er 1500 soldaten extra aangeworven om het conclaaf te beveiligen. De bewaking is zo streng dat er vrijwel niets kan uitlekken van de gebeurtenissen die zich binnen afspelen.

    Dagen voordat de 39 kardinalen zich achter gesloten poorten beginnen op te maken voor de eerste stemronden draait de geruchtenmachine in de stad op volle toeren. Aan de hoven van Vlaanderen, Duitsland, Engeland, Frankrijk en Spanje durft niemand een inschatting te maken van de werkelijke verhoudingen in het Vaticaan. Alle vorsten beseffen hoeveel er op het spel staat bij de keuze van de nieuwe paus.

    Het conclaaf is het schaakbord waarop de christelijke grootmachten nu aan zet zijn. Veel meer dan een richtingenstrijd over de religieuze koers van de kerk is deze verkiezing een krachtmeting tussen de rivaliserende monarchen; schaamteloos proberen zij hun wereldlijke belangen veilig te stellen door hun eigen kandidaten naar voren te schuiven. Ze schromen niet voor veel geld hun invloed aan het pauselijk hof te kopen. In de afgelopen twee decennia heeft de kerk van Rome zich ontwikkeld tot een geduchte machtsfactor, een stadstaat waarmee de heersers in de rest van Italië en in Europa terdege rekening moeten houden.

    De jonge Franse koning Frans I heeft zich al in de herfst van 1520 koortsachtig beziggehouden met de pauselijke opvolging. Toen al verklaarden betrouwbare bronnen dat hij er een miljoen gouden daalders voor overhad om zich bij het volgende conclaaf te verzekeren van een kandidaat van zijn voorkeur. Sindsdien is de pauselijke opvolging voor de Franse vorst alleen maar nijpender geworden. Als zijn erfvijand keizer Karel V erin slaagt een van zíjn protegés tot paus te laten kiezen, dan zal de keizerlijke hegemonie in Europa vrijwel compleet zijn en wordt Frankrijk voortaan vanuit alle windrichtingen omsingeld door vijandige mogendheden: Duitsland, Engeland, Spanje én Italië – een verpletterend overwicht. De Franse koning laat geen middel onbeproefd om dat onheil af te wenden. Nu het conclaaf van start is gegaan dreigt hij zelfs met een onmiddellijke afscheuring van de Franse kerk, mocht een kandidaat van de keizer tot Opperherder worden gekozen.

    Al die tegenstrijdige belangen van de Europese vorsten verhogen de nervositeit in de Sixtijnse Kapel. De politieke verdeeldheid in het College van Kardinalen is zo groot dat veel waarnemers geloven dat de kerk aan de vooravond staat van een nieuw schisma.

    De Medici vist achter het net

    De aanvoerder van de keizerlijke fractie is de jonge kardinaal Giulio de’ Medici, zelf een serieuze kandidaat om de nieuwe paus te worden. Hij was de vicekanselier van de vorige paus, zijn oom Leo X, en heeft een reputatie als de grote architect en regelaar van de pontificale politiek van de afgelopen acht jaren. In zijn voordeel spreekt dat hij goede connecties onderhoudt met zijn geboortestad, het machtige Florence, en dat hij puissant rijk is.

    Nu Rome onder zijn spilzieke oom aan de bedelstaf is geraakt zou Giulio de’ Medici’s vermogen geweldig kunnen bijdragen om de lege kas van de pauselijke administratie weer vol te laten stromen. De Duitsgezinde kardinalen zullen Giulio de’ Medici in elk geval steunen, en natuurlijk ook de jonge collega’s die onder zijn protectie tijdens het pontificaat van oom Leo tot kardinaal zijn benoemd.

    Maar de Frans-Venetiaanse oppositie is sterk, en de oudere kardinalen, van wie er enkele zelf de ambitie hebben om paus te worden, achten De’ Medici met zijn 44 jaar te jong voor het ambt. Anderen vinden het zelfs ongewenst en ronduit gevaarlijk dat paus Leo wordt opgevolgd door een telg uit zijn eigen familie. Daarmee zou de erfelijkheid van het pontificaat zijn intrede doen.

    Ook binnen zijn eigen keizergezinde fractie blijkt De’ Medici toch niet op alle stemmen te kunnen rekenen. Kardinaal Colonna toont zich steeds vijandiger. Er zijn meer stemgerechtigden die ervan overtuigd raken dat het beleid van de vorige paus geen voortzetting verdient en dat zijn neef dus niet de juiste kandidaat is om hem op te volgen. Naast Colonna groeit Soderini uit tot een van zijn belangrijkste opponenten. Bij de aanvang van het conclaaf kan De’ Medici nog maar rekenen op vijftien, hooguit zestien stemmen. Dat is lang niet genoeg voor de vereiste tweederde meerderheid.

    Ook de Engelse kardinaal Wolsey mengt zich in de strijd. Hij is niet aanwezig in Rome, maar doet geen enkele moeite zijn pontificale ambities te verbergen. Hij verklaart dat hij desnoods bereid is 100.000 dukaten neer te tellen om zijn doel te bereiken. De koning van Engeland, Hendrik VIII, belaagt de Duitse keizer Karel met smeekbeden om toch vooral de kandidatuur van Wolsey te ondersteunen. De geslepen Habsburgse vorst houdt Engeland aan het lijntje met vage beloften; Karel wil helemaal geen Engelse paus en onderneemt in feite niets ten gunste van Wolsey. Die voelt zich vreemd genoeg toch gesterkt door de toezeggingen van de keizer en spoort hem zelfs zonder gêne aan zijn troepen naar Rome te sturen om de Engelse aanspraken desnoods met geweld aan de kardinalen op te leggen.

    De atmosfeer in de Sixtijnse Kapel is nerveus. Zodra kardinaal Soderini een motie indient om de stemmingen geheim te houden, raken de partijen in botsing. De verschillende waarnemers die verslag doen van de verkiezingen zijn het niet altijd eens over het precieze stemgedrag van iedere kardinaal en de wisselende kansen van de kandidaten, maar over de hoofdlijnen van het stemverloop bestaat geen twijfel. Al snel wordt duidelijk dat de kansen van Giulio de’ Medici inderdaad sterk zijn geslonken. Hij heeft veel vrienden, maar minstens zoveel vijanden. In de laatste dagen van december kan hij nog maar op een derde van de stemmen rekenen. De keizerlijke fractie schuift nu kardinaal Alessandro Farnese als alternatieve kandidaat naar voren.

    De eerste stemrondes

    Op 30 december vindt de eerste stemming plaats. De lobby van de jonge kardinalen voor Farnese blijkt ineens zo sterk dat niemand eraan twijfelt dat hij de nieuwe paus zal worden. Maar de oudere kardinalen verzetten zich tegen deze kandidaat en blijven de hele nacht wakker om zijn verkiezing te dwarsbomen. Bij de tweede stemming, op de laatste dag van het jaar 1521, krijgt Farnese maar weinig stemmen; zijn aanhangers hebben zich niet aan hun woord gehouden.

     

    De kardinalen krijgen hun voedsel aangereikt via een draaiwiel in de muur

     

    Opmerkelijk genoeg verschijnt ook de naam van Adrianus van Utrecht op de kandidatenlijst: de afwezige kardinaal van Tortosa weet twee stemmen te vergaren. Op de 31ste december vindt er een merkwaardig incident plaats. De gezondheidsklachten van de oude kardinaal Grimani, die op de eerste dag van het conclaaf op een draagbaar naar binnen werd gebracht, zijn verhevigd en hij vraagt toestemming om de benauwde, door rook en kwalijke luchten vervulde Sixtijnse Kapel te verlaten. De omstandigheden zijn er inderdaad bar en boos. Van enkele vensters zijn de ruiten verloren gegaan; de gaten zijn provisorisch dichtgetimmerd. De meeste kardinalen leven thuis in grote luxe; hier zitten ze dicht opeen te kleumen in een slecht verlichte ruimte. Ze krijgen hun voedsel aangereikt via een draaiwiel in de muur, en de sanitaire voorzieningen zijn rudimentair.

    Pas nadat de lijfarts van de oude kardinaal heeft bezworen dat het leven van zijn patiënt ernstig gevaar loopt als hij nog langer in deze erbarmelijke condities moet verkeren, wordt het verzoek van de prelaat ingewilligd. Niet iedereen is overtuigd van Grimaldi’s oprechte intenties. Waarom wil hij er niet bij zijn? Is zijn conditie echt zo kritiek of wordt zijn verzoek ingegeven door andere motieven, zoals gekrenkte ambitie en teleurstelling?

    Het nieuwe jaar breekt aan met een derde stemronde op 1 januari. Weer is er geen eenduidige uitslag. De’ Medici en de jonge kardinalen blijven hun kandidaat Farnese naar voren schuiven; de oudere kardinalen blijven zich tegen hem verzetten. Zelfs de maatregel, op de vierde dag van het conclaaf, om de vergadering tot spoed te manen door de toegewezen voedselrantsoenen te reduceren, helpt niet.

    In Rome worden missen opgedragen en processies gehouden voor een voorspoedige verkiezing. ‘Elke ochtend,’ schrijft gezant Castiglione, ‘verwachten we dat de Heilige Geest neerdaalt, maar het lijkt of die zich uit Rome heeft teruggetrokken.’

    Dagen achtereen weet geen van de kandidaten ook maar in de buurt te komen van de vereiste meerderheid. Sommigen blijven geloven in de kansen van Farnese; steeds vaker valt de naam van kardinaal Fieschi. Enkelen hopen op de Zwitser Schinner. Volgens enkele waarnemers weet hij flink wat stemmen te vergaren, maar de oppositie van de Fransen tegen hem is te sterk.

    Op 5 januari schuift kardinaal De’ Medici opeens een nieuwe kandidaat naar voren, Cibo. Weer een dag later komt Farnese opnieuw in het vizier. Elke steen wordt omgekeerd om hem aan de macht te helpen. Hoewel hij bij de achtste stemronde nog lang geen meerderheid heeft, roept kardinaal Laurentio Pucci luid: ‘Papam habemus’ en loopt op Farnese toe. Zo hoopt hij de twijfelaars over de streep te trekken. Zeven kardinalen volgen hem. Maar kardinaal Cesarini, die eerder schriftelijk zijn stem had gegeven aan Farnese, laat hem nu vallen en loopt over naar kardinaal Egidio. Wat blijkt? Deze Egidio di Viterbo was jarenlang de biechtvader van kardinaal Alessandro Farnese, maar schroomt nu niet om zijn geheimhoudingsplicht te schenden en kwalijke verhalen over zijn vertrouweling rond te strooien.

    Nu zijn de aanspraken van Farnese voorgoed verspeeld. Bij de tiende stemming op 8 januari behaalt hij maar vier stemmen. De onderhandelingen beginnen opnieuw en slepen zich voort tot diep in de nacht. De oudere kardinalen sluiten met nog meer vastberadenheid de rijen; zij zonderen zich af in de aula van de kapel en besluiten dat ze geen van de Medici-kandidaten acceptabel vinden. Voor de keizerlijke fractie is de kandidatuur van Carvajal en Soderini nu ook onbespreekbaar geworden.

    Terwijl de rivaliteit in het hermetisch vergrendelde Vaticaan het kookpunt nadert, dient zich vanuit de buitenwereld een onverwachte crisis aan. Betrouwbare boodschappers weten te melden dat legeraanvoerder condottiere Francesco Maria della Rovere namens de republiek Venetië een pact heeft gesloten met de Baglioni’s om Siena aan te vallen. Kardinaal De’ Medici beseft onmiddellijk dat zijn stad Florence aan hetzelfde gevaar is blootgesteld. Dat brengt hem tot een radicale koerswijziging: het getouwtrek heeft lang genoeg geduurd, er moet nu heel snel een nieuwe paus komen.

    Verkiezingen in een stroomversnelling

    Als de kiesgerechtigden zich op donderdag 9 januari hebben verzameld voor de elfde stemronde, staat Giulio de’ Medici op en zegt: ‘Ik zie dat we uit ons midden, zoals we hier verzameld zijn, geen paus kunnen kiezen. Ik heb drie of vier kandidaten voorgesteld, maar die zijn allemaal afgewezen. De kandidaten van de andere partij kan ik om veel redenen niet accepteren. Daarom moeten we uitzien naar iemand die niet hier aanwezig is, maar die voor iedereen aanvaardbaar is. Het moet een kardinaal zijn met een goede persoonlijkheid.’

    Zijn woorden krijgen bijval. Men vraagt hem de naam te noemen van een van de afwezige kardinalen. Uit een brief van Karel V weet De’ Medici inmiddels dat de man die hij nu gaat voordragen goed zal vallen bij de keizer. ‘Kies de kardinaal van Tortosa,’ zegt hij. ‘Hij is een eerbiedwaardig man van 63 jaar die algemeen bekendstaat om zijn vroomheid.’
    Was dit voorstel weer een van de tactische manoeuvres van de geslepen kardinaal? Hoe dan ook, de uitslag van deze stemronde kent vijftien stemmen toe aan kardinaal Adrianus en vijftien aan Carvajal, de kardinaal van Ostia. Dan zorgt de geleerde kardinaal Cajetanus, een zeer geachte commentator van het werk van de heilige Thomas van Aquino, voor de definitieve wending.

    In welgekozen zinnen schildert hij de goede eigenschappen van Adrianus van Utrecht, die hij tijdens zijn gezantschap in Duitsland persoonlijk heeft leren kennen. Zijn woorden maken des te meer indruk omdat hij zich tot nu toe heeft opgesteld als een verklaard tegenstander van De’ Medici. Cajetanus smeekt de andere kardinalen om zijn voorbeeld te volgen. Hij vindt meteen veel medestanders. Ook Colonna sluit zich bij de nieuwe voordracht aan. Op hun beurt proberen zij de twijfelaars over te halen. Kardinaal Monte van Bologna laat zich maar moeilijk vermurwen. Hij zegt dat hij de kardinaal van Tortosa niet kan steunen omdat die nog nooit in Rome is geweest. Wie kent deze man nu? En de Fransgezinde kardinaal Orsini roept: ‘Stomkoppen, hebben jullie niet door dat Frankrijk nu is geruïneerd?’

    Maar dan verklaart de een na de ander plotseling zijn instemming – ‘als door een wonder van de Heilige Geest,’ schrijft Cajetanus later. Voordat de meesten beseffen wat er gebeurt, zijn er 25 stemmen ten gunste van Adrianus afgegeven. De zesentwintigste brengt de vereiste tweederde meerderheid binnen bereik. Die is van de Romeinse kardinaal Joannes de Cuppis: ‘Ook ik schaar me achter de kardinaal van Tortosa,’ zegt hij plechtig, ‘en maak hem tot paus.’

    De anderen rest weinig anders dan te verklaren dat er nu eindelijk overeenstemming is bereikt. Alleen Alessandro Farnese, de latere paus Paulus III, die zelf zo dicht bij de uitverkiezing was geweest, weigert ook in de laatste stemronde zijn steun aan Adrianus te geven.

     

    De prelaten hebben meteen spijt dat ze een onbekende, een barbaar hebben gekozen

     

    Dit alles vindt plaats in een flits van enkele ogenblikken. De kardinalen realiseren zich nauwelijks dat ze een paus hebben gekozen die niet in hun midden verkeert. De kardinaal van Tortosa, Adrianus van Utrecht, is een vreemdeling die in een ver buitenland verblijft, in Spanje.

    Rome heeft een nieuwe paus

    Hij is een Nederlander, een Duitser – wat is het verschil? Vanuit Italiaans perspectief maakt het niet uit; hij is hoe dan ook een barbaar. Hij was de leermeester van de keizer, in Rome en Italië een volstrekte onbekende. Dan worden de ramen van de Sixtijnse Kapel opengegooid: het conclaaf is na een nachtmerrie van veertien martelende dagen afgelopen. Kardinaal Cornaro mag als oudste deken van het Heilig College de menigte die zich buiten heeft verzameld toeroepen dat Adrianus tot paus is gekozen. Hij schraapt zijn keel, maar hij heeft een zwakke stem; de mensen op het plein kunnen hem niet verstaan. Kardinaal Campeggio herhaalt daarom op luide toon de boodschap: ‘Habemus papam. Rome heeft een nieuwe paus. Het is de kardinaal van Tortosa, Adrianus van Utrecht!’

    Niemand had die dag de uitslag verwacht. Steeds meer mensen rennen naar het Sint-Pietersplein. Het geschreeuw en het tumult zwellen aan. Er is geen twijfel meer mogelijk: er is een nieuwe paus gekozen, ook al verstaat men zijn naam nog niet duidelijk. Hij zal zo wel in de Pieterskerk verschijnen. Daarheen dus! Op de trappen van de basiliek horen ze de ongelooflijke aankondiging dat de nieuwe paus helemaal niet in Rome is, maar in Spanje. De kardinalen Campeggio en Cibo bevestigen het bericht.

    De pauselijke hovelingen zijn wanhopig. De een weent, de ander schreeuwt klaaglijk, een derde slaat op de vlucht. Iedereen beseft: het zal minstens zes maanden duren voor de nieuwe paus in Rome aankomt. Intussen zitten zij zonder inkomen. Het ligt voor de hand dat de Nederlander Adrianus vooral landgenoten in dienst zal nemen. Misschien blijft hij wel in Spanje wonen of komt hij in gezelschap van keizer Karel naar Rome! ‘Kortom,’ schrijft gezant Maredini, ‘niemand is blij, iedereen jammert.’

    De meeste kardinalen koesteren soortgelijke gevoelens. Een getuige die het conclaaf betreedt onmiddellijk nadat de poorten van de Sixtijnse Kapel zijn ontgrendeld, denkt dat hij ‘geesten aanschouwt uit het voorgeborchte van de hel’, zo bleek en radeloos staan de gezichten van de prelaten. ‘Ze kijken allemaal ontevreden en hebben nu al spijt dat ze een onbekende, een barbaar en een leermeester van de keizer hebben gekozen.’ De kardinalen zien er inderdaad uit als ‘dode mannen’, bevestigt de Venetiaanse gezant Gradenigo. ‘Nu pas dringt tot hen door wat ze hebben gedaan.’

    Het Collegium Cardinalium heeft op donderdag 9  januari als laatste besluit van het conclaaf een gezant op weg gestuurd naar de nieuwe paus. Maar het valt voor een boodschapper niet mee om midden in de winter van Italië in Spanje te komen. De weg overzee is gevaarlijk; al sinds de Oudheid wordt het scheepvaartverkeer in het winterseizoen tot het minimum beperkt vanwege de vele stormen. Zeerovers, vooral van Moorse afkomst, vormen minstens zo’n groot gevaar voor de reizigers. Over land is de route niet veel veiliger, omdat men de besneeuwde Alpen en de Pyreneeën moet oversteken.

    Het eerste, niet-officiële bericht van zijn benoeming bereikt Adrianus via een bode, die er dertien dagen over heeft gedaan om vanuit Rome in de Baskische stad Vitoria te geraken. Hij arriveert daar op de ochtend van 22 januari 1522. De ijlbode werpt zich aan Adrianus’ voeten en zegt, terwijl hij hem een brief overhandigt: ‘Heilige Vader, gefeliciteerd dat ze u gekozen hebben tot opvolger van de Heilige Petrus op de zetel van Rome!’

    Adrianus reikt de koerier een hand en helpt hem overeind. Hij wendt zich tot zijn bedienden en zegt op vastberaden toon: ‘Als dit nieuws waar is, hebt dan medelijden met mij, jullie die mij welwillend gezind zijn.’ Adrianus neemt het nieuws, uiterlijk onbewogen, met kalmte en zonder een spier te vertrekken in ontvangst. Hij stapt naar voren, wandelt naar de kathedraal van Vitoria en leest daar rustig de mis.

    Alle bewaard gebleven commentaren zijn het erover eens dat de verkiezing voor Adrianus zelf eerder een kwelling dan een plezier moet zijn geweest. Op 2 februari 1522 schrijft hij in een brief aan de koning van Engeland, Hendrik VIII, dat hij deze functie nooit heeft geambieerd. Ook in een brief aan keizer Karel laat hij weten dat de benoeming hem droevig stemt, omdat hij zich er te zwak voor voelt. In plaats van deze ondraaglijke last op zich te nemen verlangt hij naar de afzondering van het studeervertrek.

    De bezorger van de officiële benoemingsbrief signaleert dezelfde ernst en onbewogenheid bij de nieuwe paus. Op 9 februari, precies een maand na de verkiezing, overhandigt hij het formele bericht uit Rome en kondigt de nadering aan van de delegatie die hem de pontificale eed zal afnemen. Adrianus leest de brief zonder een woord te zeggen. Dezelfde dag schrijft hij een antwoord aan de kardinalen in Rome. Ook hierin noemt hij zichzelf ongeschikt voor zijn nieuwe waardigheid en zegt hij dat hij ‘alleen ter ere van God en uit respect voor de kardinalen’ het ambt wil aanvaarden.

    Twan Geurts, De Nederlandse Paus
    Balans, 320 p., € 29,99