Waarom heeft u een boek geschreven over uw familie?
‘Ik wilde al een lange tijd het verhaal van mijn familie op papier zetten, alleen wist ik niet precies hoe. Toen kreeg ik een brief die Martin schreef tijdens de Hongerwinter. Ar en hij waren uit een rijdende trein gesprongen en wisten zo aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. Via de brief bedankte Martin een gezin dat hen tijdens de ontsnapping had geholpen. Hierdoor had ik een aanknopingspunt. Met het boek wil ik laten zien hoe bepalend de Tweede Wereldoorlog is geweest. Niet alleen voor de drie broers, maar voor een hele generatie. Bijna alle jonge mannen in Nederland waren destijds op transport gezet om te werken in Duitsland. Na de oorlog wilden zij iets van hun leven gaan maken. Ze hadden jaren in te halen. Deze energieke drang probeer ik over te brengen in Broers.’
Kozen Martin en zijn vrouw Mia daarom voor de kunstwereld?
‘In kunstenaarskringen werd gefeest en gediscussieerd over van alles, en iedereen hield er affaires op na. Het paste bij de behoefte om verloren tijd in te halen. Martin en Mia kwamen eerst in Cobra-kringen terecht, maar namen daar later afstand van. Cobra leverde commentaar op de oorlog, maar die oorlog was voorbij. Martin en Mia wilden vérder en ze raakten geïnteresseerd in kunstenaars uit Oost- en West-Duitsland. Andere kunstkenners zagen Duitsland nog altijd als het land van de bezetter en wilden daar niets positiefs over horen.’
Wat gingen uw ouders doen?
‘Die studeerden in Leiden, waar ze al snel in progressieve kringen terechtkwamen. Ze wilden bijdragen aan een nieuwe maatschappij. Het thema Indië speelde in die tijd heel erg: Nederland accepteerde de onafhankelijkheid niet. Mijn vader Ar had er altijd een uitgesproken mening over: Indië hoorde onafhankelijk te zijn en Nederland had de plicht om die transitie te begeleiden. Mede vanwege deze overtuiging vertrokken mijn ouders uiteindelijk naar Soerabaja. Mijn moeder Sophie ging lesgeven op een school. Daar mocht ze enkel Engels spreken, want Nederlands was de taal van de kolonisator. Ar ging bij de Javasche Bank werken, maar raakte al snel gedesillusioneerd. Veel van zijn Nederlandse collega’s hadden in jappenkampen gezeten en deelden zijn antikoloniale gedachtegoed niet.’
Uw familie was antiautoritair en sympathiseerde met de ludieke acties van provo. Hoe paste dat in die tijd?
‘De meeste ouders van mijn vrienden waren veel behoudender. Ar droeg bij aan de stichting van een jeugdhonk in Middelburg dat een bruisend cultureel centrum moest worden. Tot zijn teleurstelling werd het echter al snel een soort drugshol. Ook de man-vrouwrollen waren anders in de familie Visser. Martins vrouw Mia opende een kunstgalerie in Amsterdam, Carels vrouw Greet werd psycholoog en begon een praktijk aan huis, en mijn moeder Sophie gaf Engelse les. Werkende moeders waren toen uitzonderlijk.’
Broers
Carolijn Visser
304 p. Atlas Contact, € 24,99

