Recent onderzoek van het Deense dagblad Politiken plaatst de vurige wens van de Amerikaanse president om Groenland te annexeren in een ander daglicht. De krant bericht dat voormalige Amerikaanse legerbases op het eiland ernstig zijn vervuild met PFAS, printplaten, diesel en licht-radioactief afvalwater. Verslaggevers troffen duizenden olievaten aan, en tonnen aan batterijen en asbestplaten.
In 1951 sloten de Verenigde Staten en Denemarken een verdrag dat de Amerikanen toestond legerbases op Groenland te bouwen. Op het hoogtepunt van de Koude Oorlog waren het er meer dan dertig. Daarvan is er tegenwoordig nog maar één over: vanuit Pituffik Space Base kunnen Amerikaanse radars de ruimte in de gaten houden en het Pentagon waarschuwen, mocht Rusland kernraketten op de VS afvuren.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Tot 2023 heette deze basis Thule Air Base – de meest noordelijke legerbasis van het Amerikaanse leger. Het is moeilijk voor te stellen hoe groot deze basis ooit was. Er waren 120 schepen nodig om de benodigde bouwmaterialen en apparatuur ernaartoe te brengen en er waren 6000 militairen gelegerd.

In de Koude Oorlog waren op Thule Air Base B-52 Stratofortress bommenwerpers gestationeerd in het kader van een project met de codenaam Chrome Dome. In het geval van een first strike, een onverwachtse nucleaire aanval van de Sovjet-Unie, moesten zij een vergeldingsaanval uitvoeren. Aanvankelijk waren er permanent twaalf B-52’s in de lucht, in luchtmachtjargon BUFF genoemd: ‘Big Ugly Fat Fuckers’. Na de Cubacrisis in 1962 werd dit aantal teruggebracht tot vier vliegtuigen, die 24 uur achtereen achtjes vlogen aan de grens met de Sovjet-Unie.
Het Thule-incident
De naam van de Amerikaanse basis op Groenland is verbonden aan een ernstig incident in 1968. Op zondag 21 januari van dat jaar steeg een B-52 met de roepnaam Hobo-28 op van luchtmachtbasis Plattsburgh, ten noorden van New York. Naast zeven bemanningsleden had de Hobo-28 zoals iedere Chrome Dome-vlucht vier waterstofbommen aan boord, met een kracht van 1,1 megaton elk. Samen waren ze meer dan honderd keer krachtiger dan de bommen op Hiroshima en Nagasaki bij elkaar opgeteld.
Omdat de verwarming niet goed functioneerde, daalde de temperatuur aan boord. Klimaatbeheersing was een bekend probleem van de B-52 en de bemanningsleden wisten daar een trucje voor. Zij konden handmatig een klep openen om warme lucht van de motoren in het verwarmingssysteem te leiden. Wat ze niet wisten, was dat deze ook defect was. Als gevolg daarvan stroomde lucht van 750 graden rechtstreeks het compartiment in waarin zij verbleven.
De lucht was zo heet dat kussens die op een ventilatierooster lagen vlam vatten. Terwijl twee bemanningsleden probeerden de brand te blussen, vroeg gezagvoerder John Haug de luchtverkeersleiding op Thule Air Base, op dat moment 140 kilometer verderop, toestemming voor een noodlanding. Maar toen de stroom uitviel, het compartiment zich met een dikke rook vulde en de temperatuur bleef oplopen, werd hem duidelijk dat zij het nooit tot de landingsbaan zouden redden. Daarop gaf hij opdracht voor een evacuatie.
Je kon de B-52 met zes personen vliegen, maar voor urenlange missies ging er altijd een extra piloot mee. Er waren echter maar zes schietstoelen in een B-52. Na koortsachtig overleg werd afgesproken dat copiloot Leonard Svitenko, die kort daarvoor zijn plaats achter de stuurknuppel had doorgegeven aan de reservepiloot, met een parachute zou springen.
Nadat Haug zeker wist dat ze zich boven Groenland bevonden, gaf hij het bevel ‘verlaat toestel’. Vier bemanningsleden gingen eerst, toen Svitenko en als laatsten de gezagvoerder en de reservepiloot. Zes van hen overleefden het, maar Svitenko liep bij het verlaten van het toestel zulk zwaar hoofdletsel op dat hij niet meer in staat was zijn parachute te openen.
Radioactieve brokstukken
Hierna vloog het toestel nog een eindje verder. Het maakte een bocht naar links en stortte neer op het ijs van de North Star-baai, ongeveer tien kilometer ten westen van Thule Air Base. Omdat het vliegtuig een uur eerder in de lucht nog was bijgetankt, ontstond een enorme brand.
Een kernbom bevat een conventionele lading, sterk genoeg om een kernreactie op gang te brengen als het wapen door de bemanning op scherp is gesteld. In de vuurzee van de crash van Hobo-28 kwamen de springladingen van drie waterstofbommen tot ontploffing. Hierdoor werden duizenden radioactieve brokstukken in het rond geslingerd.

Het beveiligingssysteem werkte en een kernfusie bleef gelukkig uit. Maar er was wel een ander probleem. Het vuur was zo verzengend dat er een gat in het ijs ontstond waardoor veel radioactief puin naar de zeebodem zakte.
Waar is de vierde bom?
In eerste instantie probeerden de Amerikaanse en Deense autoriteiten de zaak in de doofpot te stoppen uit angst dat het draagvlak voor atoomwapens zou afnemen. Maar er was geen houden aan. De noodzakelijke bergingswerkzaamheden waren zo omvangrijk, dat die onmogelijk onopgemerkt konden plaatsvinden, zelfs in het noorden van Groenland.
De opruimoperatie, codenaam Crested Ice, kreeg een sinister vervolg. Onder de Denen en Groenlanders die het vuile werk deden kwam later 40 tot 50 procent meer kanker voor. Zij konden niet bewijzen dat dit het gevolg was van blootstelling aan radioactiviteit en de rechter wees hun claim af. Ze kregen later wel ‘uit coulance’ een tegemoetkoming van de Deense overheid van ieder 50.000 Deense kronen (6500 euro).

Maar er is nóg een open einde aan dit verhaal. Wat is er met de vierde waterstofbom gebeurd? De Amerikanen hielden bij hoog en laag vol dat deze opging in de vlammenzee. Maar er zijn aanwijzingen dat het atoomwapen door het gat in het ijs in zee is verdwenen en daar hoogstwaarschijnlijk nog steeds ligt. In 2008 werden documenten vrijgegeven waaruit blijkt dat van slechts drie bommen resten zijn gevonden. Waarom stuurden de Amerikanen een onderzeeër naar het rampgebied? En wat te denken van de opmerking van de leider van de bergingsoperatie, William Chambers, die zich tegen de BBC liet ontvallen: ‘Het wordt heel moeilijk voor iemand om geheime onderdelen veilig te stellen als wij ze niet konden vinden’?
