Home Dossiers Nederlands-Indië Hoe Java werd onderworpen

Hoe Java werd onderworpen

  • Gepubliceerd op: 19 november 2020
  • Laatste update 29 nov 2023
  • Auteur:
    Piet Hagen
  • 9 minuten leestijd
Beeld van Java
Cover van
Dossier Nederlands-Indië Bekijk dossier

De Java-oorlog (1825-1830) was een keerpunt in de geschiedenis van Nederlands-Indië. In de plaats van de VOC, een internationale handelscompagnie die samenwerking zocht met lokale vorsten, kwam een centraal Nederlands bestuur, gebaseerd op raciale superioriteitsgevoelens.

‘Een der schoonste panorama’s ter wereld’, zo beschrijft luitenant-kolonel G.B. Hooyer het toneel waarop in 1825 de Java-oorlog losbarst. Een vruchtbaar land met hoge bergen, brede rivieren, uitgestrekte bossen en eindeloze rijstvelden. Vijf jaar later is een groot deel van Midden- en Oost-Java verwoest, zijn 2 miljoen mensen blootgesteld aan geweld, honger en ziektes, en zijn naar schatting 200.000 Javanen omgekomen. Het koloniale leger verloor 8000 Nederlandse en Europese huursoldaten (velen door ziektes) en 7000 Indonesische huurlingen (de meesten op het slagveld). Daarnaast kwamen door uitputting waarschijnlijk nog eens duizenden Javaanse koelies om, maar van hen zijn geen statistieken bijgehouden.

Sinds de dagen van Jan Pieterszoon Coen had de Verenigde Oost-Indische Compagnie steeds meer havensteden en gebieden in West-Java onderworpen. In Batavia en de Ommelanden bemoeide zij zich rechtstreeks met het lokale bestuur. Maar in andere delen van Java en zeker in de ‘buitengewesten’ probeerde de VOC zo veel mogelijk door overleg met de plaatselijke vorsten en regenten verdragen te sluiten die wel handelsvoordelen opleverden, maar geen bestuurlijke rompslomp met zich meebrachten. Ook de Javaanse elite profiteerde daarvan. Alleen als vorsten verdragen niet nakwamen of wanneer successieoorlogen de relatie verstoorden, greep de Compagnie naar militaire middelen.

Dipanagara keerde zich tegen de Europese heersers die de vorsten gedegradeerd hadden

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Maar na het bankroet van de VOC in 1798 namen achtereenvolgens de Frans-Bataafse en de Britse staat de leiding over en veranderde ook de opstelling tegenover de vorstendommen in Midden- en Oost-Java. Zowel het Frans-Bataafse regime onder maarschalk Herman Willem Daendels (1808-1811) als het Britse tussenbestuur onder luitenant-gouverneur Thomas Stamford Raffles (1811-1816) dwong Java in een Europees gareel en vernederde de vorsten. Toen in 1816 het Nederlandse bestuur terugkeerde, ging het op deze weg voort.

Postweg

De Europese machthebbers ondermijnden bewust de oude Javaanse orde door de introductie van Europese concepten omtrent bestuur, rechtspraak, militaire macht, eer, kleding, status, omgangsvormen, eet- en drinkgewoonten, taal en omgang met vrouwen. Het uniform van de militairen en het witte kostuum van de blanke planter werden de nieuwe symbolen van rang en stand. Eeuwenoude tradities, adellijke afkomst, oude grond- en handelsrechten, adat (gewoonterecht) en spirituele kwaliteiten waren niet meer in tel.

De op last van gouverneur-generaal Daendels ten koste van veel mensenlevens aangelegde Postweg die West- en Oost-Java verbond, was de heirbaan waarover de Europese gezagsdragers zich in hun rijtuigen voortbewogen, terwijl de Javanen zich eerbiedig ter aarde bogen. Elke dienstreis van koloniale gezagsdragers demonstreerde het: ‘Wij zijn de heersers, jullie de dienaren.’ De weg doorsneed bovendien de oude economische levensaders die door rivierdalen van zuid naar noord liepen, en zo de binnenlandse regentschappen verbonden met de havens aan de kust. En terwijl afgezanten van de gouverneur-generaal in Batavia vroeger respect betuigden aan de vorsten van Midden-Java, liet Raffles het paleis in Yogyakarta door Britse troepen bestormen om gehoorzaamheid af te dwingen. De in de kraton weerspiegelde kosmos werd op zijn kop gezet.

De Postweg in Java.
De Postweg op Java.

Als jonge prins aan het hof was Dipanagara hiervan getuige. Toen hij zag wat de gevolgen waren van deze machtsgreep, keerde hij zich zowel tegen de dynastie waaruit hij voortkwam als tegen de Europese heersers die de vorsten gedegradeerd hadden tot ceremoniële pronkstukken. De aanleg van een nieuwe weg, dwars door zijn landgoed en langs voorouderlijke graven die hij vereerde, was voor Dipanagara het teken om in opstand te komen.

Minachting

Hoewel in westerse ogen historisch niet betrouwbaar, verschaft de Babad Dipanagara (de autobiografische kroniek die de opstandige prins schreef toen hij na de verloren Java-oorlog in ballingschap verkeerde) inzicht in zijn gevoelens. Hij was een typische vertegenwoordiger van de door Javaanse mystiek beïnvloede islam. De met tulband getooide Dipanagara stelde zichzelf voor als de ratu adil, de rechtvaardige vorst, die een eind wilde maken aan de corrupte praktijken aan het hof in Yogyakarta en de uitbuiting van zijn volk door de goddeloze Europeanen.

Het was geen verrassing dat veel ontevreden boeren zich achter de prins schaarden. In 1827, toen de oorlog al in volle gang was, schreef de hoge koloniale ambtenaar Willem van Hogendorp aan zijn vader Gijsbert Karel (een van de drie wegbereiders van koning Willem I in 1813): ‘Het is niet de oorlog als zodanig (…) die mijn grootste zorg [vormt], maar het is de geest van de hele bevolking van Java, van de ene kust tot de andere (…). Zij hebben genoeg van ons.’

Racistische soldaten

Het oorlogsdagboek van officier Eduard Errembault de Dudzeele et d’Orroir illustreert duidelijk welke racistische vooroordelen binnen het Nederlands-Indisch leger bestonden. Errembault was afkomstig uit het zuidelijke deel van het toen nog Verenigde Koninkrijk der Nederlanden. Eerst vocht hij in het leger van Napoleon, maar in 1815 streed hij bij Waterloo aan geallieerde zijde. Daarna meldde hij zich bij het Nederlands-Indisch leger.

Errembault dacht volledig in racistische stereotypen. Het hoogst in zijn hiërarchie stonden de Europeanen. Daarna volgden de nog enigszins beschaafde Javanen en de gedegenereerde Indo-Europeanen. Ver daaronder kwamen de Chinezen (‘erger dan de Joden in Polen of Amsterdam’) en de hele en halve ‘wilden’ uit buitengewesten als Madura, Sulawesi, Ambon en Tidore.

Toch waren het vooral de laatsten die als huurlingen in het Nederlands-Indisch leger de hete kastanjes uit het vuur haalden. Na enkele confrontaties op het slagveld nam Errembaults respect voor de ‘inlandse’ troepen wel toe. Uiteindelijk vond hij hen zelfs te prefereren boven Europese soldaten, omdat ze minder vaak ziek waren en – mits goed geleid – even goed, zo niet beter vochten. In elk geval waren ze beter dan de ruim 3000 extra militairen die in 1827 en 1828 onvoorbereid uit Nederland kwamen om het koloniale leger te versterken.

Het grootste probleem van deze nieuwkomers was hun minachting voor ‘inlanders’, die ze als honden behandelden. Dat was niet de manier om de hearts and minds te winnen. Integendeel, door twee massaslachtingen in mei en augustus 1828 wisten zij zich bij de bevolking gehaat te maken.

Die haatgevoelens van de boerenbevolking waren niet alleen een gevolg van de economische druk van twee bestuurslagen (een Javaanse en een Nederlandse), maar ook van de minachting die koloniale bestuurders toonden voor de Javaanse cultuur en religie. Zo liet resident H.G. Nahuys van Burgst, een aan alcohol verslaafde bon vivant, godsdienstleraren arresteren tijdens hun lessen. In zijn verslagen is voortdurend sprake van ‘valse priesters’. Dipanagara zou lijden aan godsdienstwaanzin. De term santri (studenten van godsdienstscholen) stond voor de resident gelijk aan ‘bandieten’; soldaten kregen de vrije hand om hen te mishandelen. Moskeeën werden door hen bevuild en beschadigd.

Hoewel zelf – net als andere vorstelijke personen – verre van monogaam, nam Dipanagara ook aanstoot aan het seksuele gedrag van Europese functionarissen. Nahuys van Burgst raakte in Yogyakarta niet alleen verstrikt in een ménage à trois met de vrouw van zijn assistent, maar frequenteerde ook Javaanse vrouwen. Toch maakte hij het nog niet zo bont als een collega-bestuurder in Surakarta die tien onechte kinderen had bij verschillende vrouwen. Wat het meest stak, was dat Europese bestuurders ook seksuele gunsten afdwongen bij vrouwen van de Javaanse adel. Toen een van hen een zuster van Dipanagara ‘veroverde’ en de prins daartegen protesteerde, verklaarde deze koloniale bestuurder ‘met inlandse vrouwen [te doen] wat hem beliefde’.

Ook lagere militairen en ambtenaren veroorloofden zich gedrag dat in Nederland niet getolereerd zou worden. Ze hielden er een Javaanse njai op na, die zowel voor de huishouding als voor hun seksuele gerief zorgde. Deze vrouwen konden van de ene op de andere dag op straat worden gezet. Hun kinderen waren dan rechteloos. Ook soldaten in kazernes hadden njais, die vaak onderling werden uitgeleend.

Vervloekte ongelovigen

De rebellie van Dipanagara keerde zich zowel tegen het Nederlandse gouvernement als tegen het hof in Yogyakarta. Ook Chinezen, aan wie de Nederlanders de vele tolpoorten hadden uitbesteed, moesten het ontgelden. De opstand breidde zich snel uit tot andere delen van Midden- en Oost-Java en overal werden koffieplantages geplunderd. Steeds meer landarbeiders, handwerkslieden en bandieten sloten zich aan bij de opstandige prins. Ook geestelijk leiders steunden zijn heilige oorlog tegen de kafir.

Diponegoro (Mustahar; Antawirya; 11 November 1785 – 8 January 1855), ook bekend als Dipanagara.
Diponegoro (Mustahar; Antawirya; 11 November 1785 – 8 January 1855), ook bekend als Dipanagara.

In de Babad Dipanagara wordt de eerste grote overwinning op de koloniale troepen kleurrijk beschreven: ‘De sultan [Dipanagara zelf] werd verbolgen, besteeg zijn paard en zag geen gevaar. (…) Zijn strijders en oversten wilden niet meer retireren, hun vorst voerde hen aan. Zijn paard Kjahi Wijayacapa was niet meer te bedwingen en liep recht naar de plaats waar de kanonnen stonden. De Hollandse kanonniers en manschappen werden met pieken afgemaakt en drie kleine kanonnen werden buitgemaakt. Vele vervloekte ongelovigen werden verstrooid, slechts weinigen keerden levend weer. (…) Toen keerden allen terug en de sultan deed met zijn gehele strijdmacht het avondgebed op de vlakte.’

Koning Willem I, die nog zonder parlementaire inspraak kon regeren, wilde de oorlog ondanks alle verliezen doorzetten. Java met zijn natuurlijke rijkdommen moest de Nederlandse staatskas spekken. Maar pas toen het Nederland-Indisch leger versterking kreeg uit Europa en ook de hulptroepen uit de archipel werden uitgebreid (onder andere met Balinese slaven), keerden de kansen.

Op het hoogtepunt van de oorlog streden aan Nederlandse zijde bijna 25.000 man, van wie ruim 6000 Europeanen en ruim 18.000 Indonesische huursoldaten. Vooral dankzij het benteng-stelsel van generaal Hendrik Merkus de Kock, waarbij flexibele legereenheden vanuit kleine forten de veroverde gebieden onder controle hielden, kon Dipanagara in het nauw gedreven en tot overgave gedwongen worden.

Hollandse woordbreuk

Die overgave is altijd omstreden gebleven. Volgens Javaanse geschiedschrijvers is Dipanagara misleid en slachtoffer geworden van woordbreuk. Schilders brachten dit verschil van inzicht in beeld: de Nederlander Nicolaas Pieneman (1835) laat een onderdanige prins zien onder de Nederlandse driekleur; de Javaan Raden Saleh (1857) schildert een fiere verzetsheld tegen wie zijn aanhangers hoog opkijken. Zelfs Hendrik de Zeevaarder, een kleinzoon van Willem I, die Dipanagara later in zijn ballingschap in Fort Rotterdam in Makassar bezocht, noemde de plotselinge arrestatie tijdens de vredesbespreking ‘een schandvlek aan de oude Hollandse trouw’.

Nieuwe studie

Dit artikel is mede gebaseerd op een nieuwe studie van de Britse historicus Peter Carey over de raciale verhoudingen tijdens en na de Java-oorlog. Zijn verhaal is opgenomen in een bundel die hij samen met Farish A. Noor van de Nanyang Technological University in Singapore redigeerde onder de titel Racial Difference and the Colonial Wars of 19th Century Southeast Asia.

Carey beschrijft hoe geïndustrialiseerde Europese mogendheden in de negentiende eeuw ­dankzij moderne bewapening grote gebieden konden onderwerpen aan een strakker koloniaal regime. In hun rush for empire gingen ze uit van de superioriteit van de westerse beschaving. Raciale vooroordelen bepaalden steeds meer de verhouding tussen Europese heersers en Aziatische onderdanen. Onder het mom van pacificatie voerden ze een lange reeks koloniale oorlogen. Het boek zal in januari 2021 verschijnen bij Amsterdam University Press.

De Nederlandse historicus Mark Loderichs werkt al geruime tijd aan een dissertatie over de Java-oorlog. Het is nog niet bekend wanneer die gereed zal zijn.

Schandvlek of niet, de uitschakeling van prins Dipanagara en de onderwerping van de Javaanse vorstendommen vormden het begin van een nieuw tijdperk in de koloniale geschiedenis. Toonden de Europeanen eerder nog een zeker respect voor vorsten met wie ze akkoorden sloten, in de negentiende eeuw legden zij duidelijker hun wil op. Onder invloed van negentiende-eeuwse rassentheorieën rechtvaardigden zij hun wereldwijde veroveringszucht met een hiërarchische indeling van beschavingen.

De staatsregeling van 1854 rangschikte de bevolking in Europeanen, vreemde oosterlingen (Chinezen, Arabieren) en ‘inlanders’. De Europeanen – nog geen 1 procent van de bevolking – bestuurden het land en de ‘inlanders’ waren derderangs onderdanen. De boerenbevolking werd door de invoering van het cultuurstelsel ingeschakeld in de productie voor de wereldmarkt, die Nederland miljoenen zou opleveren.

De in wetgeving vastgelegde segregatie ging zo diep dat de Indonesische bevolking zich ten slotte ook zelf minderwaardig ging voelen. Pas rond 1900 zorgde de nationalistische beweging ervoor dat men weer op eigen kracht begon te vertrouwen. De strijd die prins Dipanagara in 1825 begon tegen het koloniale bewind en de Javaanse vorsten die met de Nederlanders heulden, legde de kiem van het Indonesische verzet in de twintigste eeuw. Nationalisten als Soekarno zagen Dipanagara als hun grote voorbeeld, communisten beschouwden hem als verdediger van de arme boeren en arbeiders. Nog steeds heeft elke stad in Indonesië een straat die naar hem is genoemd.

Meer weten

  • The Power of Prophecy; Prince Dipanagara and the End of an Old Order in Java, 1785-1855 (2008) door Peter Carey
  • Koloniale oorlogen in Indonesië – Vijf eeuwen verzet tegen vreemde overheersing (2018) door Piet Hagen
  • De wraak van Diponegoro (2020) door Martin Bossenbroek