Terwijl Spaanse missionarissen bijna de hele Filipijnen katholiek maakten, lukte het Nederlandse zendelingen amper het calvinisme te verspreiden op Java. De traditionele uitleg is dat de katholieken hun geloofspraktijk soepel aanpasten aan de inheemse cultuur. Calvinisten zouden daar te rigide voor zijn geweest.
Maar op dit beeld is veel af te dingen, concludeert Van der Meer in zijn proefschrift, dat de periode 1700-1850 beslaat. Ook calvinistische predikanten speelden in op de behoefte van de inheemse bevolking aan magische rituelen, door nadruk te leggen op de sacramenten zoals de doop en het heilig avondmaal. Ook gingen zij pragmatisch om met bekeerlingen die minder werden aangetrokken door het geloof dan door de kerkelijke armenzorg. Dat gold voor veel huisslaven die werden vrijgelaten op voorwaarde dat zij zich bekeerden.
Predikanten pasten zich ook op andere manieren aan de lokale omstandigheden aan. Zo lieten zij oogluikend toe dat VOC-dienaren concubines hadden. Ook hielden zij de koloniale hiërarchie in stand. In theorie was elke lidmaat van de gereformeerde kerk gelijk, maar in Batavia waren er aparte kerken voor Nederlands-, Portugees- en Maleissprekenden, waarin de hiërarchie duidelijk tot uitdrukking kwam.
Ondanks hun flexibiliteit verloren de calvinistische zendelingen op Java de concurrentiestrijd met de islam.
Beeld: De Nieuwe Hollandse Kerk (links) in Batavia. Ets door Franz Xaver Habermann, circa 1755-1779.
