• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 4/2008

    De verdrijving van de Duitsers uit Polen

    Hitlers laatste slachtoffers

    Door: Antoine Verbij/ Berlijn

    Tussen 1944 en 1950 verlieten bijna tien miljoen Duitsers Polen. Onder barre omstandigheden, mishandeld en gechicaneerd, stroomden ze naar wat er van Duitsland over was. Miljoenen Duitsers kwamen daarbij om het leven. Nog altijd drukt de geschiedenis van deze verdrijvingen zwaar op de verhouding tussen Duitsland en Polen.


    Tussen de twaalf en veertien miljoen Duitsers, meer dan de hele Nederlandse bevolking van die tijd, zijn in de jaren tussen 1944 en 1950 uit oostelijke streken teruggedreven naar wat nu Duitsland is. Daarvan kwamen er ruim negen miljoen uit gebieden die Pools waren of Pools werden. De bevolking van Duitsland bestond kort na de oorlog voor een groot deel uit mensen die hun Heimat in de steek hadden moeten laten. Volkstellingen in 1950 stelden vast dat in de Bondsrepubliek ruim zestien procent van de bevolking uit verdrevenen bestond, in de DDR was dat zelfs bijna een kwart.
    Een op de drie Duitsers, zo wijst een recente enquête uit, kent verhalen over de verdrijvingen uit eerste of tweede hand. Dat zijn verhalen vol gruwelijk leed. Een paar miljoen Duitsers – er bestaan slechts schattingen – verloren bij de verdrijvingen het leven. Ze werden vermoord, geëxecuteerd, kwamen om bij oorlogshandelingen of stierven op hun barre tochten van honger, kou en uitputting.
    Het is leed dat in de geschiedenisboeken met kleine letters staat vermeld. Waren de slachtoffers immers in de jaren ervoor niet de veroorzakers van veel meer en veel gruwelijker smart? De slachtoffers van de verdrijvingen ondergingen de wraak die de meeste mensen in het resterende Duitsland ontliepen.

    Etnische schoonmaak
    Het lot van de verdrevenen is het resultaat van een complex politiek spel dat zich over hun hoofden afspeelde. Dat was een spel van eeuwen, waarin de verdeling van het Poolse rijk onder Pruisen, Habsburg en Rusland aan het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw een belangrijke rol speelde. Beslissend was ook de territoriale herindeling van Europa door onder meer het Verdrag van Versailles aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, dat Polen weer op de kaart bracht en van Oost-Pruisen een Duitse enclave tussen Polen en Litouwen maakte.
    Maar het eigenlijke verhaal begon met het pact tussen Stalin en Hitler van 23 augustus 1939. Daarin zat een gedachte verborgen die in de internationale politiek steeds meer opgeld deed, namelijk dat een vreedzaam Europa alleen kon bestaan wanneer ieder land etnisch homogeen was: Duitsland voor de Duitsers, Polen voor de Polen en Rusland voor de Russen. Het pact tussen Stalin en Hitler bevatte een programma voor de ‘etnische schoonmaak’ van de betrokken gebieden. De Duitsers die in de gebieden woonden die onder controle van de Sovjet-Unie kwamen, zouden moeten vertrekken naar de gebieden waar Duitsland aanspraak op maakte.
    Ruim een week na ondertekening van het pact overviel Hitler Polen. Onmiddellijk werd begonnen met de verhuizing van 900.000 zogeheten ‘Volksduitsers’ (mensen die Duits spraken maar een niet-Duits staatsburgersschap bezaten) uit de Baltische staten, Oost-Polen en Bessarabië naar de door Hitler in een mum van tijd geannexeerde Poolse gebieden. De aldaar wonende Polen en Joden werden in groten getale samengedreven in het zogeheten ‘Generaalgouvernement’, het door de Duitsers bezette gebied rond Warschau. Ook werden honderdduizenden Polen, mannen én vrouwen, naar het westen getransporteerd om daar dwangarbied te verrichten.
    De toegestroomde Volksduitsers trokken in de vrijgekomen huizen. ‘Heim ins Reich,’ jubelden de nazi’s onder hen, ‘Hitler heeft ons uitverkoren om Polen te koloniseren!’ Voor de meeste verhuizers was het echter een regelrechte shock om het land te moeten verlaten waar ze soms al eeuwenlang geworteld waren. ‘Het gedwongen vertrek uit Estland in oktober 1939 kwam voor mijn ouders volkomen onverwacht,’ schrijft Anna Tischler, die het als kind meemaakte. ‘We mochten weliswaar onze meubels, ons zilver en onze schilderijen meenemen, maar de terugweg was voorgoed afgesloten. Voor mijn ouders eindigde een zeven eeuwen oude familietraditie en voor mij begon een jarenlange zwerftocht.’
    Maar eerst beleefde Anna in het geannexeerde Wartheland een betrekkelijk zorgeloze tijd in een mooi huis met tuin. Totdat de oorlog ook het oosten van het Groot-Duitse Rijk bereikte en Anna en haar ouders opnieuw hun spullen moesten pakken. Uit het westen kwamen de Britse bommenwerpers, terwijl uit de andere richting het Rode Leger naderde. Al vanaf eind 1943 begonnen de nazi’s stukje bij beetje met het evacueren van Duitsers uit Oost-Pruisen, waar het Rode Leger het eerst werd verwacht. Ze werden naar de door Hitler geannexeerde gebieden gestuurd, waar eerder de Baltische Duitsers zich al hadden gevestigd.

    Wraakzucht
    Overal in het oosten werd de Duitse bevolking op evacuatie voorbereid. De plannen lagen er, de bestemmingsoorden waren vastgelegd, er waren regels voor wat mensen mochten meenemen en wat niet. Maar met de uitvoering treuzelden de nazi’s. Vanuit Berlijn riep een steeds hysterischer Hitler op om stand te houden en de vijand te trotseren.
    In de Silezische stad Breslau, het huidige Wroclaw, nam Gauleiter Karl Hanke begin 1945 de bevolking, die toen bijna geheel Duits was, regelrecht in gijzeling. Hij verhinderde de evacuatie, bestrafte vluchters, verklaarde de stad tot vesting en liet het aankomen op een kansloze veldslag. Tussen de veertig- en tachtigduizend burgers verloren daarbij het leven, tijdens de panische vlucht vonden nog eens negentigduizend Breslauers door beschietingen, bevriezing en uitputting de dood. Hanke zelf had de stad al vóór haar val verlaten.
    Dat patroon deed zich voor in veel steden in het oosten van het Groot-Duitse Rijk. De nazileiders die de burgers hadden opgeroepen moedig stand te houden, waren de eersten die vertrokken zodra de Russen in de winter van ’44-’45 het Rijk binnenvielen. Veel Duitsers sloegen daarna halsoverkop op de vlucht voor de Russen of werden door hen ingehaald.
    Hun krakkemikkige karren werden eerst door het terugtrekkende Duitse leger en vervolgens door het oprukkende Rode Leger van de weg gedrongen. Vaak kwamen ze tussen de fronten terecht in vuurgevechten, of werden ze door Sovjetsoldaten doelbewust beschoten. Zowel de vluchtende als de achterblijvende Duitsers kregen te maken met de wraakzucht van de Russen. Moordend, mishandelend, verkrachtend en rovend baande het Sovjetleger zich een weg richting Berlijn.
    Bijzonder zwaar was het voor de bewoners van Oost-Pruisen. Ook daar was de evacuatie eindeloos uitgesteld. De mensen zijn uiteindelijk in paniek over het ijs van het Frische Haff (nu Wislahaf) richting Danzig gevlucht, waarbij honderdduizenden doden vielen. In Danzig zetten de Duitsers schepen in om de vluchtenden over zee verder naar het westen te brengen. Die schepen waren een gemakkelijke prooi voor Russische duikboten. Zo ging de overvolle nazikruisvaarder Wilhelm Gustloff, ooit de trots van Hitlers vrijetijdsorganisatie Kraft durch Freude, door drie Russische torpedo’s ten onder. Van de ruim tienduizend passagiers kwamen er negenduizend in het ijskoude water van de Bocht van Danzig om het leven. Het is de grootste ramp uit de geschiedenis van de scheepvaart.
    Na Duitslands capitulatie keerden veel vluchtelingen terug naar hun huis en goed in de nu Poolse gebieden. Alleen al in Neder-Silezië gingen vanuit de Saksische opvangkampen vierhonderdduizend mensen op zoek naar hun vroegere bezittingen. Manfred Feder, in 1945 tien jaar oud, liet het verhaal optekenen dat hij met zijn moeder in Görlitz de Neisse richting Hirschberg wilde oversteken, toen daar op de noodbrug ineens een grenspost bleek te zijn opgericht. ‘Daar speelden zich verschrikkelijke taferelen af. Duitsers die zoals wij naar ons huis in Silezië terug wilden, stuitten er op vluchtelingen die van de Poolse kant naar het westen trokken.’
    Dat was in juni 1945; de Conferentie van Potsdam moest nog plaatsvinden. De Poolse autoriteiten hadden alvast een voorschot genomen op de aanstaande Oder-Neissegrens die nu nog altijd Duitsland van Polen scheidt. Door de Poolse grenswacht sigaretten toe te stoppen, konden Manfred en zijn moeder naar hun huis in Hirschberg, nu Jelenia Góra. ‘We hadden geluk, het huis was nog niet door Polen ingenomen.’ Na de zomer van 1945 zouden veel Polen uit de oostelijke gebieden die aan de Sovjet-Unie toevielen, in de huizen van Duitsers in West-Polen trekken.

    Concentratiekampen
    In die zomer braken de zogeheten ‘wilde verdrijvingen’ uit. Het Poolse volk, dat met zes miljoen doden, van wie de helft Joden, zwaar onder de nazi’s had geleden, begon spontaan hele en halve Duitsers uit hun huizen te zetten en op de vlucht te jagen. Dat gebeurde vaak tegen de wens van de Sovjetbezetters in. Die wilden de Duitsers juist als dwangarbeiders inzetten om de economie weer op gang te krijgen. Soms werden de Duitsers door het Rode Leger met geweld tegen de Polen in bescherming genomen. De Polen gingen drastisch te werk. Ze mishandelden en chicaneerden de Duitsers, gaven hun amper de tijd hun spullen te pakken, beroofden ze en dreven ze samen in de concentratiekampen die de nazi’s hadden gebouwd.
    De Polen hadden het vooral gemunt op Duitsers die vóór 1939 Pools staatsburger waren geweest en hen de laatste jaren als een minderwaardige minderheid hadden behandeld. Honderdduizenden van hen sloegen op de vlucht. Van de rest werden velen door de Polen in kampen samengedreven. Bij die razzia’s zijn duizenden Duitsers gelyncht of geëxecuteerd. Talloze Duitsers verkozen zelfmoord boven de gewelddadige vernederingen door de Polen.
    De Russen op hun beurt ontfermden zich over de zogeheten ‘Ruslandduitsers’, die aan het begin van de oorlog uit de Baltische staten en het voormalige Oost-Polen heim ins Reich waren gehaald. Zij werden in getto’s en kampen bijeengebracht. Wie van hen naar het westen van Duitsland had weten te vluchten, werd door de westerse geallieerde autoriteiten aldaar opgespoord en aan het Sovjetgezag uitgeleverd.
    Op den duur moesten de Polen wel beter met de Russen samenwerken. Ze stuurden de Duitsers immers westwaarts over de Oder en de Neisse naar de delen van Duitsland die onder Sovjetgezag stonden. Bovendien was samenwerking geboden om de Polen in de gebieden die door het Rode Leger bij Wit-Rusland en Oekraïne waren ingelijfd, naar het westen van Polen te verhuizen.
    Voordat de verplaatsing van de Poolse grenzen naar het westen officieel in Potsdam werd bekrachtigd, waren de verdrijvingen van de Polen uit de Sovjet-Unie en van de Duitsers uit West-Polen al begonnen. Uiteindelijk zouden, volgens een telling uit 1949, ruim vijf miljoen Polen, voornamelijk afkomstig uit Oekraïne en Wit-Rusland, de plaatsen van de Duitsers in Opper- en Neder-Silezië, Wartheland en West-Pommeren innemen.
    In juli en augustus 1945 confereerden Josef Stalin, Harry S. Truman en Winston Churchill met elkaar in het gemoedelijke kasteel Cecilienhof in Potsdam. Onderdeel van hun onderhandelingen was de toekomst van Polen. Voortbordurend op wat Stalin in 1939 had bedongen bij Hitler, legden de geallieerde machten de grenzen van het nieuwe Polen vast. Vergeleken met de vooroorlogse situatie schoof Polen zo’n twee- à driehonderd kilometer op naar het westen. Duitsland verloor mede daardoor ruim een kwart van haar oorspronkelijke grondgebied.
    In overeenstemming met de doctrine dat stabiele naties etnisch homogene naties zijn, gaven de grootmachten hun zegen aan de zuivering van het voormalige Oost-Polen en het nieuwe West-Polen. Vanaf dat moment werd de verdrijving van Duitsers uit Polen en die van Polen uit Oekraïne en Wit-Rusland in enigszins ordelijke banen geleid.

    Pesterijen
    Na een pauze in de strenge winter van ’46-’47 begonnen de geregelde transporten van Duitsers uit de Poolse kampen en getto’s. Veel Ruslandduitsers gingen, zodra ze niet meer voor dwangarbeid nodig waren, samen met Duitse krijgsgevangenen voorlopig naar Siberië. De Duitsers in de Poolse verzamelkampen, waar de omstandigheden soms erbarmelijk waren, werden successievelijk op de trein naar Duitsland gezet.
    Maar hoe vreselijk die kampen ook waren, ze waren wel de poort naar Duitsland die voor veel Duitsers in de Poolse gebieden steeds aantrekkelijker werd. Murw van alle pesterijen door de Polen – ze werden uit hun huizen gezet, verloren hun banen, kregen geen bonnen voor levensmiddelen – meldden ze zich zelfs vrijwillig in de kampen in de hoop op spoedig transport. Met een beetje omkoping lukte het dan soms snel op een trein terecht te komen.
    Maar niet iedereen die wilde, mocht vertrekken. Na het Verdrag van Potsdam werden de Polen, net als de Russen, selectief. De vakmensen onder de Duitsers werden eerst in de landbouw en de industrie tewerkgesteld. Verder bepaalden de Poolse autoriteiten dat bij voorkeur hele gezinnen moesten worden uitgewezen, dat ze vierentwintig uur van tevoren moesten worden gewaarschuwd, dat ze maximaal veertig kilo bagage mochten meenemen en etenswaren voor twee weken.
    Met name aan sieraden en geld waren strenge beperkingen opgelegd. In de praktijk kregen de Duitsers bij de transporten veel met willekeur en diefstal te maken. ‘Op het station werden we verwelkomd door Poolse beambten,’ herinnert Carola Lommer uit Silezië zich. ‘Die hebben ons om te beginnen maar eens flink beroofd. Mijn vader had sieraden van mijn moeder in de knoop van zijn stropdas verborgen. Dag en nacht hield hij die stropdas om.’
    De transporten van Polen naar Duitsland, van de vernedering naar de vrijheid, waren niet veel minder gruwelijk dan de transporten enkele jaren eerder over dezelfde sporen in omgekeerde richting, van de vervolging naar de dood. Verdrevenen herinneren zich: ‘Onze trein bestond uit vijftig Franse veewagons, er gingen dertig mensen in een wagon.’ ‘Gelukkig hadden velen iets te eten bij zich. Omdat je nooit wist wanneer je op transport moest, had je altijd iets klaar staan.’ ‘Zodra de trein stopte gingen we op zoek naar water en iets brandbaars. In de wagon bouwden we een vuurplaats. Dan konden we meelsoep maken.’ ‘Wij kinderen zaten om moeder heen. Plotseling zei iemand dat ze dood was. Wij hadden het niet gemerkt. Toen kwamen er een paar mannen met een ladder. Daar werd ze op gelegd en uit de wagon gedragen. Gillend ging mijn broertje er achteraan.’

    Van 1946 tot eind 1949 zijn op die manier zo’n 2,6 miljoen Duitsers uit de nieuwe Poolse staat verdreven. Met de ‘wilde verdrijvingen’ van 1945 erbij zijn het er circa 3,5 miljoen. De meesten gingen naar West-Duitsland, maar toen de Britten weigerden nog langer verdrevenen op te nemen, kwamen ze merendeels terecht in de ‘Sovjetzone’, die vanaf 7 oktober 1949 de Duitse Democratische Republiek (DDR) heette. In 1950 werd het zuiveringsproces zoals dat door de geallieerden in Potsdam was besloten, beëindigd verklaard.
    Er bleven zo’n drie- à vierhonderdduizend Duitsers in Polen achter, voornamelijk vakkrachten in de mijnbouw, de industrie, de landbouw en de ziekenhuizen. Velen van hen namen na verloop van tijd de Poolse nationaliteit aan of verhuisden later naar Duitsland in het kader van gezinshereniging. Rekent men de Duitsers mee die al heel lang de Poolse nationaliteit hadden, dan woonden na 1950 ongeveer een miljoen mensen van Duitse afstamming in Polen. Dat was ruim een tiende van het aantal dat in 1944 in de Poolse gebieden woonde. In grotere en kleiner golven verliet een derde van hen nadien het land, met een piek rond de val van het communisme in 1989. De verdrijving evolueerde tot emigratie.

    Zelfredzaamheid
    Verdrijvingen van de Duitsers hadden ook elders plaatsgevonden, vooral in het Tsjechische Sudetenland en in streken rond de grenzen van Hongarije, Roemenië en Joegoslavië. Het totale aantal ontwortelden dat op de een of andere manier in de Bondsrepubliek en de DDR een nieuw bestaan moest opbouwen, kwam daarmee op meer dan twaalf miljoen. Het was voor de beide verwoeste Duitslanden een enorme opgave om al die mensen onder te brengen, te voeden, aan werk te helpen en sociaal te integreren.
    Ze werden door de bestaande bevolking met wantrouwen en afwijzing bejegend. Carola Lommer: ‘Op zondag kwamen de fijne lui uit Wunsdorf met witte handschoenen aan en hoeden op langs ons opvangkamp wandelen om ons te begluren als in een dierentuin. “Wat komen jullie hier doen?” zeiden ze. In Silezië waren wij de Duitsers, maar hier waren wij ineens de Polen.’
    De Bondsrepubliek en de DDR gingen heel verschillend om met de problemen waarvoor de toestroom van verdrevenen hen stelde. Aanvankelijk deed de DDR het beter, met gerichte steunmaatregelen die de verdrevenen in staat stelden om landbouwbedrijfjes te beginnen of een rol te spelen bij de wederopbouw van de industrie. Tegelijkertijd zette de volksrepubliek hen stevig onder druk om volledig te assimileren. Het begrip ‘verdrevenen’ werd verboden, officieel heetten ze ‘verhuisden’ (‘Umsiedler’), vanaf 1950 consequent ‘voormalige verhuisden’.
    Het was vooral niet de bedoeling dat de verdrevenen zich bezighielden met het verleden, laat staan dat ze het verlangen zouden koesteren ooit terug te keren. De verdrijvingen waren de gerechtvaardigde straf voor de nazimisdaden, luidde de officiële ideologie. ‘De eerste socialistische republiek op Duitse bodem’ bood de ‘verhuisden’ een toekomst, maar verbood hun het verleden samen met lotgenoten te betreuren. Bijeenkomsten van verdrevenen uit eenzelfde streek vonden stiekem plaats in huiskamers. Of ze bezochten, tot de bouw van de Muur in 1961 dat volledig onmogelijk maakte, bijeenkomsten van de verenigingen van verdrevenen in het westen van Duitsland.
    In de Bondsrepubliek kwamen hulpprogramma’s voor de verdrevenen relatief langzaam op gang. Pas rond 1950 was er voldoende geld beschikbaar om de hoogste nood te lenigen en de primitieve opvangkampen te vervangen door ordentelijke woonwijken. Toen werden er ook programma’s gestart om de verdrevenen beter te verdelen over de verschillende deelstaten, hetgeen voor velen betekende dat ze opnieuw hun boeltje moesten pakken.
    Het Wirtschaftswunder deed de rest. De verdrevenen bleken, dankzij hun rijke ervaring in zelfredzaamheid, belangrijke aanjagers van de spectaculaire economische groei en niet de rem die men aanvankelijk in hen meende te zien. Het resultaat was dat de aanvankelijke achterstand die de Bondsrepubliek bij de integratie van de verdrevenen ten opzichte van de DDR had opgelopen, snel en ruimschoots werd goedgemaakt.

    Anti-Duitse sentimenten
    In 1952 kwam er een wet die de verdrevenen een beperkte schadeloosstelling bezorgde voor hun verloren bezittingen. Dat zogeheten Lastenausgleichsgesetz was kenmerkend voor de dubbelzinnige politiek van de Bondsrepubliek. Het was een van de maatregelen die het doel hadden de verdrevenen in de bestaande sociale structuren te integreren. Aan de andere kant hield de regering de optie open dat Duitsland de verloren gebieden ooit weer zou terugkrijgen. Als onderdeel van haar Koude-Oorlogspolitiek heeft de Bondsrepubliek lang gewacht met het erkennen van de Oder-Neissegrens tussen Duitsland en Polen. De DDR erkende die grens al in 1950, de Bondsrepubliek pas in 1970.
    De Bondsrepubliek stimuleerde de integratie van de verdrevenen maar erkende tegelijkertijd hun recht op Heimat. De verdrevenen articuleerden dat recht in zogeheten Landsmannschaften, waar ze hun Silezische, Sudetenduitse, Oost-Pruisische, West-Pruisische, Pommerse of Duits-Baltische tradities koesterden en uitdroegen. Die Landsmannschaften stelden openlijk het Verdrag van Potsdam en de Oder-Neissegrens ter discussie. Ze richtten zelfs een politieke partij op, het Block der Heimatvertriebenen und Entrechteten, die de Bondsdag haalde en deelnam aan een van de coalitieregeringen van bondskanselier Konrad Adenauer. Maar in 1957 verdween ze alweer van het politieke toneel.
    Nog altijd gelooft een handvol Duitse verdrevenen hun verloren bezittingen in Polen te kunnen terugeisen. Ze zijn verenigd in de zogeheten Preussische Treuhand en hebben hun eisen gedeponeerd bij het Europese Hof. Hoewel de Duitse regering zich telkens weer nadrukkelijk van hen distantieert, geeft die organisatie, samen met de meer gematigde Bond van Verdrevenen, steeds weer aanleiding tot grote woede en anti-Duitse hetzes in Polen.
    Het politieke succes van de nationalistische tweeling Kaczynski in Polen berust voor een deel op het aanwakkeren van die anti-Duitse sentimenten. Hun kritiek richtte zich vooral tegen de plannen in Duitsland voor een Centrum tegen Verdrijvingen. Dat kon in hun ogen niets anders zijn dan een centrum voor geschiedvervalsing.
    Nu de regering-Tusk de regering-Kaczynski heeft afgelost, werken Duitsers en Polen weer constructiever samen aan een ‘blijvend teken’ ter herinnering aan de verdrijvingen. In maart kwam de Duitse minister van Cultuur Bernd Neumann met een voor alle betrokkenen – inclusief de Polen – acceptabel voorstel: in het zogeheten ‘Duitslandhuis’ in Berlijn komt een permanente tentoonstelling over verdrijvingen.
    Hoewel veel Polen nog altijd denken dat de Duitsers ooit nog eens hun land en goed zullen terugeisen, hebben politiek en samenleving in de nieuwe Bondsrepubliek daarvan al lang afstand genomen. De politiek van het erkennen maar niet honoreren van het recht op Heimat heeft in de oude Bondsrepubliek uiteindelijk net zo integrerend gewerkt als de repressieve ontkenningspolitiek van de DDR. Misschien wel terecht stelde het ministerie van binnenlandse zaken van de Bondsrepubliek al in 1979 vast dat er naast het Wirtschaftswunder ook een Integrationswunder had plaatsgevonden.

    Meer informatie

    Boeken
    Een goed en toegankelijk boek over de verdrijvingen is Flucht, Vertreibung, Integration (2005), dat verscheen bij de veelgeprezen tentoonstelling van de Stiftung Haus der Geschichte der Bundesrepublik Deutschland, die achtereenvolgens te zien was in Bonn, Berlijn en Leipzig.
    Wie de zaak tot op het bot wil uitpluizen, is aangewezen op het vierdelige bronnenwerk Unsere Heimat ist uns ein fremdes Land geworden (2000-2003), onder redactie van Wlodzimierz Borodziej en Hans Lemberg, tot stand gebracht in een voorbeeldig Duits-Pools samenwerkingsproject. Over de verdrijvingen van de Duitsers in de context van andere verdrijvingen in het Europa van de twintigste eeuw handelt de nauwgezette studie Etnische zuivering in Midden-Europa van Pieter H. van der Plank (2004).
    Het thema ‘verdrijvingen’ heeft ruime weerklank gevonden in de literatuur. In de DDR namen bijvoorbeeld Anna Seghers met Die Umsiedlerin (1952) en Christa Wolf met Kindheitsmuster (1976) de verdrijvingen tot thema, en onlangs verscheen van de ex-DDR-schrijver Christoph Hein de roman Landnahme (2005). In de Bondsrepubliek verscheen als een van de eerste de korte roman Die Umsiedler van Arno Schmidt (1953). Meer recent schreven Günter Grass met Im Krebsgang (2003) en Walter Kempowski met Alles umsonst (2006) romans met de verdrijvingen als thema.
    Daarnaast zijn er talloze boeken met berichten van ooggetuigen. Daarvan is Schweres Gepäck van Helga Hirsch (2004) een van de meest aangrijpende. Documentair is ook Gespleten land van Annemieke Hendriks (2005), dat rond de Pools-Duitse grens de sporen van de verdrijvingen volgt. Onder meer uit deze beide boeken stammen de citaten van ooggetuigen in het artikel.

    Website
    Op internet is informatie over de verdrijvingen te vinden op de websites van het Deutsch Historisches Museum (www.dhm.de), de Bundeszentrale für politische Bildung (www.bpb.de) en het Zentrum für zeithistorische Forschung (www.zeitgeschichte-online.de). Vul op die sites bij ‘Suche’ het trefwoord ‘Vertreibung’ in.