Home Dossiers De Opstand De propaganda van Willem van Oranje

De propaganda van Willem van Oranje

  • Gepubliceerd op: 26 september 2012
  • Laatste update 06 apr 2022
  • Auteur:
    Femke Deen
  • 14 minuten leestijd
De propaganda van Willem van Oranje
Cover van
Dossier De Opstand Bekijk dossier

Willem van Oranje is in de eeuwen na zijn dood uitgegroeid tot de belichaming van de Nederlandse held. Tijdens zijn leven was Oranjes heldenstatus echter zeker niet onbetwist, ondanks actieve pogingen de beeldvorming rondom zijn persoon te beïnvloeden.

Huilende vrouwen, vloekende mannen die rondrenden met ontblote zwaarden – in Delft brak op 10 juli 1584 complete chaos uit. Het nieuws dat Willem van Oranje was vermoord werd met verbijstering en afgrijzen ontvangen. Duizenden mensen stonden enkele dagen later langs de route van de lange begrafenisstoet.

Maar verdriet was niet het enige wat in de dagen na Oranjes dood weerklonk. In de Habsburgse (katholieke) Nederlanden werd het nieuws met grote blijdschap ontvangen. En zelfs in Oranjes ‘eigen’ Leiden riep een predikant van de kansel dat de dood van de prins een straf van God was. Oranje had Zijn toorn immers over zichzelf afgeroepen door te trouwen met de Franse Louise de Coligny, en door een uitbundig feestmaal te houden ter ere van de doop van hun zoon Frederik Hendrik.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Heldenstatus

Willem van Oranje wordt gezien als de Nederlandse held pur sang, de man die eigenhandig de Spaanse overheersers uit de Nederlanden verdreef en de grondlegger was van de Republiek. De basis voor deze mythevorming werd al tijdens zijn leven gelegd. Maar eensgezindheid over de heldenstatus van Oranje was gedurende deze periode ver te zoeken.

Oranje was niet alleen onder zijn politiek en religieus tegenstanders omstreden, maar ook onder de inwoners van ‘zijn’ opstandige gewesten. De pogingen van de prins hun harten te winnen via een intensieve propagandacampagne hadden lang niet altijd het gewenste effect. Pas na zijn dood zou hij uitgroeien tot de onbetwiste held van de Opstand.

Dat Oranjes heldenstatus omstreden was, had alles te maken met het feit dat de opstand die hij leidde controversieel was. Veel katholieken zagen de opmars van de protestantse godsdienst met afschuw aan. Oranje probeerde het katholieke deel van de bevolking aan zich te binden door ervoor te pleiten de twee godsdiensten naast elkaar te laten bestaan, maar daarin was hij zijn tijd vooruit: dit plan wekte bij beide kanten verzet op.

Dat Willem in opstand kwam tegen Filips II, die immers door God was aangewezen, werd gezien als majesteitsschennis

Daarnaast joeg Oranje velen tegen zich in het harnas door het feit dat hij de wapens opnam tegen zijn natuurlijke heerser, koning Filips II, die immers door God was aangewezen. Oranje had Filips trouw gezworen, als stadhouder en als vliesridder. Dat hij nu tegen de koning in opstand kwam werd gezien als majesteitsschennis.

Hoe verschillend de reacties waren op Oranjes strijd, blijkt uit een gesprek op een bankje bij de Waag in Amsterdam in augustus 1572. Lakenkoopman Evert Thijsz verdedigde daar de prins, die vanaf april van dat jaar stad na stad veroverde in Holland en Zeeland. Volgens Evert had Oranje het volste recht zich de steden toe te eigenen – hij was immers door de koning zelf aangewezen als stadhouder over de twee gewesten.

De gesprekspartners van de lakenkoopman brachten daartegen in dat het zeker niet Filips’ wens was dat de opstandelingen de kerken aan stukken smeten. Volgens Evert was dat echter Gods wil. In het katholieke Amsterdam was Everts’ standpunt taboe, en hij werd dan ook opgepakt en veroordeeld voor kwaadspreken – hij moest een boete betalen van 300 gulden en werd voor drie jaar uit de stad verbannen.

Willem van Oranje was zowel geliefd als verguisd. Schilderij van Michiel Jansz. van Mierevelt, ca. 1620.

Spaanse tirannen verdrijven

Evert stelde dat Oranje nog steeds de wettige stadhouder was, ook al was hij in 1567 het land uit gevlucht, bij verstek verbannen en ontheven uit al zijn functies. Oranje werd ervan beschuldigd een belangrijke rol te hebben gespeeld tijdens de Troebelen van 1566-1567 – de tijd van de Beeldenstorm en de hagenpreken. Zelf beweerde hij onschuldig te zijn. Dat hij na het uitbreken van de gewapende strijd in 1572 weer tot stadhouder was benoemd door de Staten van Holland en Zeeland gaf zijn strijd een legitieme basis. Als stadhouder was het zijn plicht om de Spaanse tirannen te verdrijven en het verdrukte volk te verlossen, aldus Oranje.

De tiran was in dit geval de landvoogd, de hertog van Alva, niet Filips II. De hertog was het ultieme symbool van de Spaanse verdrukking, een duivel die moedwillig de oude rechten en privileges van de steden en staten vertrapte. In opstand komen tegen een tiran was gerechtvaardigd en zelfs een burgerlijke plicht. Oranje bleef in deze eerste periode benadrukken dat hij trouw was aan de koning, die door zijn adviseurs op een dwaalspoor werd gezet.

Met het benoemen van Alva tot tegenstander speelde Oranje slim in op bestaande sentimenten. De haat tegen Alva was groot en alomtegenwoordig, terwijl Filips II in de beginperiode van de Opstand nog een zekere onaantastbaarheid bezat. Ook veel inwoners van de Nederlanden maakten onderscheid tussen de koning en zijn landvoogd.

Oranje zette een team van publicisten aan het werk toen hij ervan overtuigd raakte dat hij de steun van de bevolking en van buitenlandse vorsten moest winnen

Zo brak hierover in 1570 in een herberg vlak buiten Amsterdam een ruzie uit tussen een soldaat in dienst van Spanje en een andere herberggast. De gast merkte op dat alle soldaten die dienden onder Alva schelmen en boeven waren. Daarop voelde de soldaat, Pouwels Wijnholt, zich beledigd; hij verdedigde zich door te zeggen dat hij niet Alva diende, maar de koning, waardoor hij dief noch schelm was. Een gevecht ontstond, waarbij Pouwels de andere herberggast doodde.

De afkeer van Alva speelde een belangrijke rol in de propagandacampagne van de opstandelingen. Die campagne was Oranje gestart na de mislukte veldtocht van 1568. Oranje was er toen van overtuigd geraakt dat hij de steun van de bevolking, maar ook van buitenlandse vorsten moest winnen voordat hij een nieuwe poging zou wagen. Daartoe zette hij een team van publicisten aan het werk.

Hun doel: het opnemen van de wapens rechtvaardigen, de haat aanwakkeren tegen de Spanjaarden en Oranje neerzetten als de enige persoon die de Nederlanden kon redden. In verschillende media – pamfletten, liedjes, symbolische voorstellingen, penningen, preken, geruchten en propagandabrieven – werden deze boodschappen keer op keer herhaald.

Willem van Oranje (l) wordt bijgestaan door personificaties van eer, rijkdom en wijze raad; Alva (r) voert de Nederlandse maagd naakt en geboeid mee. Ets van Theodor de Bry.

Anti-Spaanse brieven

Zo gebruikte Oranje propagandabrieven om anti-Spaanse sentimenten te stimuleren. In vele brieven, gericht aan de steden die zich nog niet bij hem hadden aangesloten, beschreef Oranje uitgebreid de verraderlijkheid en wreedheid van de Spaanse soldaten. Waren de Spanjaarden niet altijd al de natuurlijke vijanden van de Nederlanden geweest? Zij waren slechts uit op het geld en het bloed van de inwoners van de gewesten, aldus Oranje.

Hij waarschuwde dat de steden ten prooi zouden vallen aan de wreedheid van de Spanjaarden, tenzij ze zich aan de kant van de opstandelingen schaarden. Om te garanderen dat zo veel mogelijk mensen in contact zouden komen met de propagandabrieven, werden ze aan verschillende personen gestuurd, gekopieerd, door sympathisanten aan publieke gebouwen gehangen en mondeling verder verspreid.

Dat gedeserteerde Spaanse soldaten in de periode 1574-1576 op grote schaal dorpen en steden plunderden, bevestigde hun slechte imago. Over het gedrag van de Spanjaarden ontstond een zeldzame eensgezindheid in de verscheurde Nederlanden. De haat tegen de Spaanse troepen was zo groot dat de opstandige en de loyale gewesten de krachten bundelden: het belangrijkste doel van de vredesgesprekken die zouden leiden tot de Pacificatie van Gent (1576) was de gehate soldaten zich te laten terugtrekken.

Oranje zette het concept vaderland in om een gezamenlijke identiteit te creëren die de zeventien gewesten zou verbinden

Maar op de lange duur was een gemeenschappelijke vijand niet voldoende om de gewapende strijd te rechtvaardigen. Een gezamenlijke identiteit was nodig om de zeventien gewesten blijvend met elkaar te verbinden. Hier zetten Oranje en de opstandelingen het concept vaderland in: patrie of patria.

Patria werd lange tijd vooral gebruikt om iemands geboorteplaats of gewest aan te duiden. Door te refereren aan het ‘gemeyne vaderland’ of ‘ons vaderland’ gaven de opstandelingen het woord een nieuwe betekenis. Oranje werd bestempeld tot Pater Patriae, de vader des vaderlands. Daarmee werd zijn rol als leider van het verzet bevestigd. Voordeel was ook dat de term de godsdienstige verschillen kon overstijgen.

Hoofd en beschermer

Het neerzetten van Oranje als trouwe, rechtvaardige en strenge vader paste binnen de strategie van het kamp rond Oranje om hem te benoemen tot ‘hooft en beschermer’ van de Nederlanden. Oranje kreeg daartoe in propaganda-uitingen louter goede eigenschappen toegedicht: vroomheid, rechtvaardigheid, wijsheid en opofferingsgezindheid.

Vooral dat laatste speelde een belangrijke rol in de persoonlijkheidscultus rond Oranje. Keer op keer werd in pamfletten, liederen, brieven en prenten benadrukt hoeveel Oranje had moeten opofferen voor de goede zaak: zijn fortuin, zijn titels, zijn ambten en zijn drie broers, die sneuvelden in de strijd. Maar Oranje stelde dat hij het ervoor overhad: hij was immers door God aangewezen om de Nederlanden te bevrijden en eenheid en vrede terug te brengen.

De verering van Oranje als leider is terug te zien in een prent uit 1577 waarin hij werd geportretteerd als tegenhanger van Alva: goed versus kwaad. Op de prent staan de twee tegenover elkaar. Alva houdt de personificatie van het land, Belgica, naakt en geboeid vast, en wordt intussen gekroond door de allegorische figuur Valsheid. Op de achtergrond plunderen Spaanse soldaten de stad Antwerpen – een verwijzing naar de Spaanse Furie van 1576. Dat Alva vier jaar voor de vervaardiging van de prent definitief was verdwenen uit de Nederlanden, deerde niet: hij bleef de verpersoonlijking van het kwaad.

Oranje daarentegen wordt omringd door deugdzame figuren zoals Wijze Raad en Eer. De laatste kroont hem met een lauwerkrans. Aan de voeten van Oranje ligt de rijkdom van het land, Divitiae – een belangrijk thema binnen de opstandelingenpropaganda.

Dat Willem van Oranje voor velen een held was, blijkt uit de feestelijke intochten waarmee hij werd binnengehaald in de opstandige steden die hij bezocht

Dat Oranje voor velen inderdaad een held was, blijkt uit de manier waarop hij werd binnengehaald in de opstandige steden die hij aandeed. Dit soort feestelijke intochten was normaliter voorbehouden aan ‘echte’ prinsen en vorsten. Oranje kreeg door de organisatoren van de feestelijkheden vorstelijke kwaliteiten toegeschreven, en werd bestempeld tot beschermheer van stedelijke en gewestelijke privileges – duidelijke echo’s van de opstandelingencampagne. Ook de ongekende populariteit van het geuzenlied het Wilhelmus laat zien dat de publieke campagne rond Oranje tot op zekere hoogte een succes was.

Toch was het minder eenvoudig de hele bevolking te overtuigen van Oranjes heldenstatus dan van de aangeboren slechtheid van zijn tegenstanders. Oranje had onder meer te maken met slechte pers door de misdragingen van de opstandige soldaten. Talloze verhalen zongen rond over opstandelingen die hun haat botvierden op katholieke geestelijken, maar ook op burgers.

Wouter Jacobsz, een katholieke priester die in de periode 1572-1578 nauwgezet een dagboek bijhield, beschreef vol afgrijzen dat opstandelingensoldaten een vrouw met een pasgeboren baby neerstaken en de baby zelf doorschoten, waardoor de darmpjes eruit lagen. Dit soort verhalen ondermijnde Oranjes claim dat hij godsdienstvrede in stand wilde houden, en bovendien ontstond het idee dat hij geen rechtvaardig heerser was – al probeerde Oranje dit soort uitwassen wel degelijk te bestrijden.

De jonge prins Maurits aan het doodsbed van zijn vader, Willem van Oranje. Schilderij van Jozef Israels (1824-1911).

Wispelturig

Ook Oranjes wispelturigheid op het gebied van godsdienst (Oranje werd luthers opgevoed, bekeerde zich tot het katholicisme en omarmde uiteindelijk het calvinisme) gaf aanleiding tot speculaties over zijn karakter. Tegenstanders van de prins gebruikten deze elementen dankbaar in hun propaganda-uitingen. Want na een aarzelend begin startten ook de katholieke autoriteiten een actieve propagandacampagne, waarin vooral Oranje het moest ontgelden.

De prins werd daarin beschreven als de motor achter alle beroerten. Niet het algemeen belang leidde Oranjes denken en doen, maar ambitie, arrogantie en eerzucht. Met list en bedrog had hij de inwoners van de opstandige gewesten zover gekregen de wapens op te pakken. Het privéleven van Oranje vormde ook dankbaar materiaal voor de propagandisten. Zij spraken vooral schande van zijn derde huwelijk met de uitgetreden non Charlotte de Bourbon, terwijl zijn tweede vrouw nog leefde.

Oranje probeerde de hertog van Anjou te benoemen tot vorst der Nederlanden, waarmee hij zichzelf niet populair maakte

Oranjes reputatie had niet alleen te lijden onder deze anti-Oranje-propaganda – ook maakte hij zich impopulair met zijn poging de hertog van Anjou, de broer van de toenmalige koning van Frankrijk, te benoemen tot soevereine vorst over de Nederlanden. Deze ‘Franse politiek’ volgde op het afzweren van Filips II als koning in 1581, en kwam voort uit de overtuiging dat de Nederlanden een soevereine heerser nodig had, met de financiële en militaire steun die daarbij hoorde.

Toen deze poging mislukte, trachtte Oranje zelf de grafelijkheid op zich te nemen. Dat stuitte weer op verzet van een aantal steden. Toen Oranje vervolgens voor de vierde keer trouwde met een hoge Franse edelvrouw, verdacht men hem ervan dat hij toch weer steun wilde zoeken bij de Fransen. Dat werd hem niet in dank afgenomen.

Geliefd én verguisd was Oranje dus toen hij in 1584 door de katholieke Fransman Balthasar Gerards werd vermoord. Binnen vijftig jaar na zijn dood was elke twijfel over zijn heldenstatus echter verdwenen en stond Oranje bekend als de grote bevrijder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Dankzij het actieve publiek beleid van de Staten-Generaal en de naasten van Oranje was het collectieve geheugen van de Republiek bijgewerkt en was Oranje uitgegroeid tot onbetwiste Vader des Vaderlands. Dat is hij gebleven tot op de dag van vandaag.

Femke Deen promoveerde op het proefschrift Moorddam. Publiek debat en propaganda in Amsterdam tijdens de Nederlandse Opstand (1566-1578) (2012).

 

Iedereen zingt het Wilhelmus

Als de populariteit van het Wilhelmus iets zegt over de populariteit van Willem van Oranje zelf, dan was de prins zeer geliefd. Vanaf ongeveer 1573, toen het vermoedelijk werd geschreven, klonk dit geuzenlied overal. Zelfs in het katholieke Amsterdam: varensgezel Pieter Heyndricksz werd in 1574 opgepakt omdat hij bij het verlaten van de Oude Kerk de eerste twee coupletten zong. Hij beweerde het lied te hebben geleerd op het schip waarop hij diende; daar werd het vaak gezongen.

Geuzenliederen als het Wilhelmus vormden een onmisbaar bestanddeel van de propagandacampagne van de opstandelingen. Liederen konden gemakkelijk uit het hoofd worden geleerd, doordat ze vaak op bestaande melodieën werden gecomponeerd. Daardoor bereikten ze ook mensen die niet konden lezen en schrijven.

De autoriteiten konden het zingen van liedjes nauwelijks beheersen. Zingen was een belangrijk onderdeel van het dagelijks leven. Mensen zongen overal en wanneer de gelegenheid het maar toeliet: op straat, tijdens het werk, in de schuiten en schepen, in de kerk en in huis.

Het Wilhelmus draagt dezelfde thema’s uit als de andere propaganda rond Oranje als Vader des Vaderlands. Oranje zweert in het lied trouw aan de koning, maar voelt zich tegelijk verplicht de arme inwoners van de Nederlanden bij te staan. Het lied groeide binnen zeer korte tijd uit tot het bekendste van de talloze geuzenliedjes.

Dat is ook te zien aan het aantal liederen dat werd gecomponeerd op de melodie van het Wilhelmus, dat oorspronkelijk weer een Frans strijdlied was. Alleen al in de eerste overgeleverde druk van het geuzenliedboek van 1576, een populaire bundeling van geuzenliederen, stonden acht liedjes met de aanduiding: ‘op de wijze van het Wilhelmus.’

Meer weten:

De biografie Willem van Oranje (1533-1584). Vorst en ‘vader’ van de Republiek (2010), geschreven door de Duitse hoogleraar Olaf Morke,  geeft een goed overzicht van het leven van Oranje tegen de achtergrond van de politieke cultuur van de zestiende eeuw.

Over opstandelingenpropaganda in pamfletten gaat het verouderde, maar nog steeds accurate De Nederlandse Opstand in de pamfletten 1566-1584 (1983) van P.A.M. Geurts. Daniel Horst analyseerde talloze prenten in het mooie De Opstand in zwart-wit. Propagandaprenten uit de Nederlandse Opstand 1566-1584 (2003).

De eerste grondige studie naar de propagandapogingen van het Habsburgse centrale gezag: Monica Stensland, Habsburg Communication in the Dutch Revolt (2012).