Ze had maar één oog, schreef een tijdgenoot, en ze was een ‘mannelijke vrouw’: koningin Amanirenas leidde Nubië toen het in de eerste eeuw voor Christus botste met de Romeinen. En volgens bewonderaars deed ze dat opmerkelijk dapper.
Amanirenas is populair. De Nubische kandake – vrij te vertalen als ‘koningin’ – speelt de hoofdrol in kinderboeken over inspirerende personen, YouTube-filmpjes over sterke vrouwen en reeksen artikelen. Die vertellen over een dappere, strijdbare leidster, die in de eerste eeuw voor Christus de machtige Romeinen een lesje leerde. De koningin vocht mee aan het hoofd van haar eigen troepen, zo leren lezers en kijkers. Zelfs nadat ze in de strijd een oog verloor, streed ze door en wist ze te voorkomen dat Romeinse soldaten Nubië onder de voet liepen. En toch kende tot voor kort vrijwel niemand haar, in ieder geval niet in het Westen.
De historische aandacht werd – en wordt – namelijk voor een groot deel opgeslokt door de noorderburen van Nubië. De geschiedenis van Egypte spreekt zodanig tot de verbeelding dat het Nubische verhaal doorgaans in de schaduw staat. Daarom vinden auteurs en andere makers het tijd om verder te kijken en deze zwarte vrouw aandacht te geven. Want zwarte personen, en vooral vrouwen, blijven nog te vaak buiten zicht. Maar soms zijn de verhalen over hen al te enthousiast, en dat geldt ook voor Amanirenas.
Ivoor en panterhuiden
Toen Amanirenas in Nubië heerste, had het gebied al een imposante geschiedenis. De regio dook rond 2300 v.Chr. op in Egyptische bronnen omdat een ambtenaar, Weni, er toen heen reisde. Hij haalde er graniet, en liet er schepen bouwen van acaciahout, want die bomen groeiden er goed. Een paar decennia later ging de Egyptische gouverneur Harchoef maar liefst vier keer naar Nubië en hij kwam beladen met goederen terug: bewerkt ivoor, ebbenhout, wierook, olie en panterhuiden. Een keer verraste hij de farao met een dansende ‘dwerg’.
De gouverneur bracht een ‘dansende’ dwerg mee uit Nubië
Een verslag van Harchoefs reizen valt te lezen op de wanden van zijn graftombe, en zijn verhaal is een belangrijke bron over de vroege Nubische beschaving. Het vertelt over rijkdommen die er te vinden waren, en laat weten dat een aantal vroege staatjes waren verenigd onder één Nubische heerser.
Harchoef bezocht de streek in het kader van Egyptische belangen en liet noteren wat hem interesseerde. Daarom was zijn tekst een uiterst selectieve en dus beperkte versie van de Nubische werkelijkheid. In de millennia na Harchoef zou het op dezelfde manier gaan: informatie over Nubië in de Oudheid is voor een groot deel opgeschreven door buitenstaanders. Ook in de tijd van Amanirenas. Toen zij leefde, had haar rijk weliswaar een eigen schrift ontwikkeld, maar wetenschappers begrijpen de bijbehorende taal niet helemaal. Dus blijft de blik van buiten ons beeld van Nubië sterk kleuren.

Die blik was in de eerste plaats Egyptisch, want de twee rijken waren verbonden door de Nijl. Beide beschavingen bloeiden vooral langs de oevers van die rivier en van haar voorlopers, de Blauwe en de Witte Nijl. Via het water konden bewoners elkaar bezoeken en zo wisselden ze de hele Oudheid lang ideeën, materialen en mensen uit. Tegelijkertijd bestonden er barrières, in de vorm van moeilijk bevaarbare stroomversnellingen of ‘cataracten’, waardoor er altijd onmiskenbare verschillen bleven bestaan tussen noord en zuid. De verhouding tussen de naast buren werd er een van frenemies, in de woorden van archeoloog Sarah M. Schellinger: ze waren vijanden en vrienden tegelijkertijd en hebben elkaar ook overheerst.
Racistische blik
Egyptenaren bemoeiden zich dus graag met Nubië vanwege de rijkdommen die er te vinden waren. Behalve zaken als ivoor en ebbenhout, die Harchoef al had genoemd, was er ook koper en goud te krijgen – en ijzer, dat rond 1200 v.Chr. populair werd. De intensiteit van de bemoeienis varieerde. Ten tijde van een Egyptische bloeiperiode die bekend staat als het Nieuwe Rijk, van de zestiende tot in de elfde eeuw v.Chr., was de Egyptische greep op het zuiden sterk en beheersten farao’s en hun onderkoningen Nubië tot een heel eind in hedendaags Soedan. Vanaf de achtste eeuw lagen de verhoudingen andersom. Toen was Egypte uiteengevallen en wierpen Nubische koningen zich op als beschermers van de noordelijke cultuur, als farao’s.
In de loop van voorgaande de eeuwen, en met name tijdens de Egyptische overheersing, hadden Nubiërs namelijk veel uit het noorden geabsorbeerd, van bouwkunst tot schilderstijlen en goden. Met name de machtige god Amon stond bij hen in hoog aanzien. Nu Egypte min of meer voor het grijpen lag, riepen de Nubische koningen zichzelf uit tot redders van die belangrijke cultuur. En onder hun heerschappij kwam Egypte opnieuw tot bloei.
Nieuwe piramides
Taharqa kende zijn klassiekers. Hij heerste in de zevende eeuw voor Christus over het Nubische koninkrijk van Kush én over Egypte, als een van de farao’s van de Nubische dynastie. Voor het leven na de dood liet hij bij Nuri – in het noorden van huidig Soedan – een piramide bouwen. In Egypte was de tijd van de grote piramides toen al heel lang voorbij: de laatste waren zo’n 1500 jaar eerder voltooid. Taharqa en andere farao’s van zijn dynastie bliezen de traditie nieuw leven in en lieten weer piramides bouwen, in Nubië. Ze waren wel een slagje kleiner dan de beroemde bouwwerken bij Gizeh: Taharqa’s bouwwerk was ‘slechts’ een meter of vijftig hoog.
Nadat de Nubische farao’s hun greep op Egypte verloren, bleef de zuidelijke elite piramides bouwen, tot in de vierde eeuw na Christus. Daardoor zijn er in huidig Soedan meer piramides bekend dan in heel Egypte: ruim tweehonderd exemplaren.

Dat Nubische succes is onderdeel geworden van een politiek gekleurd debat over de vraag hoe Afrikaans Egypte eigenlijk was. Op het eerste gezicht lijkt dat misschien een onbenullige kwestie, want Egypte ligt overduidelijk op het Afrikaanse continent. Maar historici en andere verhalenmakers hebben het gebied vaak afgeschilderd als quasi-Europees en de grote antieke beschaving ingelijfd in de ontstaansgeschiedenis van het Westen. En tegelijkertijd zijn andere Afrikaanse beschavingen vaak afgedaan als inferieur.
Het had en heeft te maken met een racistische blik op het verleden, waarin Afrikaanse geschiedenissen buiten zicht bleven. Dat gebeurde in geschiedenisboeken en ook in de populaire verbeelding, bijvoorbeeld doordat filmmakers witte acteurs kozen om farao’s en andere Egyptenaren te spelen.
De Nubische farao’s illustreren dat die kijk op het verleden niet klopt. Zij waren onmiskenbaar Afrikaans en we mogen ervan uitgaan dat hun huid zwart was. En ze lieten de Egyptische beschaving dus opleven. Vandaar dat de zwarte farao’s, net als Amanirenas, een geliefd onderwerp zijn bij mediamakers die aandacht vragen voor het historisch belang van Afrika.

Dramatische botsing
Maar de Nubische dynastie regeerde relatief kort in Egypte, want de farao’s kregen te maken met oosterburen, uit Assyrië. In de jaren 670 en 660 v.Chr. vielen die Egypte binnen en maakten een einde aan het Nubische tijdperk daar. In de eeuwen die volgden zou Egypte vaker worden onderworpen door buitenstaanders en in de eerste eeuw voor Christus kreeg de regio te maken met een imposante machtsfactor uit het noorden: de Romeinen. Rond 30 v.Chr. kregen die Egypte in handen en daarmee werden zij de noorderburen van Amanirenas, die rond 40 v.Chr. kandake was geworden van het Nubische koninkrijk Kush. En het was riskant om buren te zijn van de Romeinen, want zij hadden de neiging hun gebied almaar uit te breiden.
Een botsing kon haast niet uitblijven, en volgens keizer Augustus verliep die dramatisch voor de Nubiërs. Dat beweerde hij in de tekst Res gestae divi Augusti (‘de daden van de goddelijke Augustus’). Daarin vertelde hij dat een Romeins leger een massa Nubiërs doodde op het slagveld, steden veroverde en het gebied binnendrong tot aan de belangrijke stad Napata. Geen woord over Amanirenas, en geen woord over Nubische successen die tegenwoordig zo enthousiast worden bezongen. Augustus’ tekst was namelijk vooral bedoeld als propaganda en werd na zijn dood over het rijk verspreid om te laten zien hoe geweldig de keizer was. Tegenslagen had de keizer daarom weggelaten.

Een stuk neutraler lijkt een verslag van de Grieks-Romeinse schrijver Strabo, een tijdgenoot. Volgens hem begon het allemaal met een Nubisch offensief tegen Romeins Egypte, waarbij de aanvallers onder meer het huidige Aswan innamen, gevangenen tot slaaf maakten, en beelden van de keizer omverhaalden.
Dat kan wel eens kloppen, want in 1910 deed een archeoloog een opmerkelijke vondst in de oude Nubische stad Meroë. Onder een trap die toegang gaf tot een tempel vond hij een bronzen hoofd van keizer Augustus. De kop, nu in het bezit van het British Museum, was daar ondersteboven begraven, zodat iedereen die de tempel inging, over het hoofd heen liep. Een vernedering van de keizer, dus.
Gemengde volkeren
Toen de Egyptische gouverneur Mesehti rond 2000 v.Chr. het graf in ging, kreeg hij een legertje aan houten soldaten mee, inclusief een groep van tientallen boogschutters die archeologen herkennen als Nubiërs. De zuiderburen van Egypte stonden namelijk bekend als bijzonder scherp met pijl en boog en ze dienden al vroeg in Egyptische legers. Dat was een van de manieren waarop Egypte en Nubië in de loop van de eeuwen vervlochten raakten. De boogschutters kwamen weliswaar om te vechten, maar gingen in Egypte ook relaties aan en kregen gemengde kinderen. Van een puur Egyptisch of een puur Nubisch volk was dus geen sprake, want ook vier millennia geleden mixten bevolkingsgroepen.

Het is heel goed mogelijk dat de kop werd buitgemaakt tijdens de Nubische uitval naar het noorden. Die actie, zo vertelde Strabo verder, was voor de Romeinen reden voor een tegenaanval. Een leger van bijna 2000 man viel Kush binnen en op een slagveld bracht het Nubische militairen ernstig in het nauw: de mannen van ‘koningin kandake’ – hoogstwaarschijnlijk Amanirenas – sloegen op de vlucht, maar werden en masse gevangengenomen.
Toen was het tijd voor de koningin om in te grijpen. Deze mannelijke en eenogige vrouw – aldus Strabo – marcheerde met een groot leger in de richting van een fort waarin zich Romeinen hadden verschanst. Maar een ander Romeins leger was sneller ter plekke, en wist te voorkomen dat de Nubiërs het fort innamen. Nu restte Amanirenas alleen nog de diplomatieke weg. Ze stuurde ambassadeurs, die helemaal naar Samos reisden omdat de keizer daar verbleef. Die gaf hun wat ze wilden: hij maakte een einde aan heffingen die de Romeinen aan de Nubiërs hadden opgelegd en gaf krijgsgevangen terug.
Met een groot leger marcheerde Amanirenas naar het fort
Dit verslag is informatiever dan dat van Augustus, maar het zit nog steeds vol onduidelijkheden. Hoezo had Amanirenas maar een oog? Wat was precies haar rol in het leger? En waarom was Augustus op Samos zo toegeeflijk terwijl de Romeinen militair duidelijk de overhand hadden?
Enthousiaste Amanirenas-bewonderaars vullen de hiaten en vertellen dat ze haar oog in de strijd was verloren, hoogstpersoonlijk vocht tegen de Romeinen en dat het helemaal aan haar te danken was dat de Romeinen Nubië met rust lieten. In werkelijkheid valt de gang van zaken minder duidelijk te reconstrueren.
Andere Nubische koningin
Op een tempelmuur in de oude Nubische stad Naqa heft een metershoge vrouw haar arm om haar vijanden te slaan. De vrouw heette Amanitore en zij was in de eerste eeuw na Christus kandake of koningin van het Nubische rijk Kush. Ze heerste samen met haar vermoedelijke zoon of echtgenoot Natakami, die op de naastgelegen tempelwand ook korte metten maakt met tegenstanders.
Net als Amanirenas was Amanitore een machtige vrouw met een militaire uitstraling. Zoals deze twee waren er meer, in de eeuwen rond het begin van de jaartelling. Soms regeerden ze alleen en soms hadden ze een man naast zich, maar voor de Oudheid was deze politieke positie van vrouwen opmerkelijk.

Maar dat de Romeinen Nubië na de gevechten militair ongemoeid lieten, is waar. Ze trokken zich terug tot in het zuiden van Egypte, in de omgeving van de huidige grens met Soedan. Daar ontstond een gemengde zone, waar Nubiërs en Romeinen in de eerste eeuw van onze jaartelling vreedzaam naast elkaar lijken te hebben geleefd. Daarvan getuigt een mix van Romeinse en Nubische gebruiksvoorwerpen die archeologen in de omgeving aantroffen. In die situatie konden Romeinen handeldrijven en profiteren van de rijkdommen uit het zuiden, zonder het gebied te veroveren. Blijkbaar vonden ze dat laatste niet de moeite waard, vanwege de ingewikkelde geografie met de moeilijk bevaarbare cataracten in de Nijl. En mogelijk ook vanwege de strijdbaarheid van de Nubiërs en de taaie kandake die hen leidde.
Meer weten:
- Nubia: Lost Civilizations (2022) door Sarah M. Schellinger over de beschavingen in het land.
- Ancient Nubia: African Kingdoms on the Nile (2012) door Marjorie Fisher e.a. (red.) behandelt recente ontdekkingen.
- Augustus (2018) door Adrian Goldsworthy is een biografie van deze Romeinse keizer.
