• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 7/2010

    De coup van Pieter Oud

    Door: Rob Hartmans

    Over de geschiedenis van de VVD is relatief weinig bekend. Ook liberalen zelf weten er meestal weinig van. Anders hadden ze misschien geprotesteerd toen de jongste afsplitsing, de PVV, er met een oude naam vandoor ging.

    Mark Rutte mag dan zijn afgestudeerd als historicus, het is goed dat hij een ander beroep heeft gekozen. Het getuigde in ieder geval van gebrek aan historische kennis dat hij in het zicht van de naderende verkiezingsoverwinning op 9 juni 2010 beloofde dat hij binnen drie weken een kabinet in elkaar zou timmeren. Alsof een dergelijk vlotte formatie in coalitieland Nederland mogelijk is!

    Maar ach, liberalen en geschiedenis, dat gaat in Nederland niet erg goed samen. ‘Kleio heeft lange tijd weinig oog voor de liberalen gehad,’ schreven Patrick van Schie en Gerrit Voerman in de door hen geredigeerde bundel Zestig jaar VVD. Wie de geringe hoeveelheid literatuur over het Nederlandse liberalisme vergelijkt met het overvloedige aanbod over linkse partijen en groeperingen moet hun gelijk geven. Maar zelf hebben de VVD’ers de muze van de geschiedenis ook zelden een blik waardig gekeurd. Er zijn alleen wat oppervlakkige werkjes van Henk Vonhoff, een enkeling schreef memoires en bij jubilea verschenen soms wat gelegenheidsgeschriften.

    Ongetwijfeld heeft een en ander te maken met een zekere mate van anti-intellectualisme dat kenmerkend is voor de VVD. Het zijn meer doeners dan denkers, meer kooplui dan dominees, die liberalen. Vandaar ook dat de laatste stelling bij het proefschrift van Gerry van der List, over het buitenlands beleid van de liberalen, luidde: ‘Een wetenschapsbeoefenaar met belangstelling voor ideeëngeschiedenis die de VVD als studieobject kiest, doet denken aan een bergbeklimmer die zijn hobby wil uitoefenen in Zuid-Holland.’

    Zodoende was het de afgelopen jaren, toen de liberalen werden geplaagd door scheurmakers als Wilders en Verdonk, mogelijk fanatieke VVD’ers te pesten met de opmerking dat zij zelf ook niet meer waren dan een afsplitsing van de PvdA. De eerste vijftien jaar van haar bestaan werd de partij immers geleid door P.J. Oud, die in 1947 uit de kersverse Partij van de Arbeid was gestapt.

    Als zelfs VVD’ers nauwelijks iets weten over het ontstaan van hun partij, dan valt niet te verwachten dat anderen beter op de hoogte zijn. Vandaar dat het geen kwaad kan aandacht te besteden aan de tamelijk merkwaardige – en weinig democratische – ontstaansgeschiedenis van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.

    De Nederlandse liberalen mogen dan geen grote denkers en geschiedschrijvers zijn geweest, grote organisatoren waren het evenmin. Relatief laat en met tegenzin gingen ze over tot partijvorming. In vergelijking met bijvoorbeeld de socialisten of antirevolutionairen waren hun partijen tamelijk losse, niet al te vakkundig geleide organisaties. Aanvankelijk was dat ook niet zo nodig, aangezien de liberalen vanaf 1848 ruim een halve eeuw de Nederlandse politiek domineerden. Bovendien was hun grote leidsman Thorbecke van mening dat parlementariërs het algemeen en nationaal belang moesten dienen, en zich niet dienden te binden aan specifieke belangen. Partijvorming was zodoende uit den boze.

    Nadat de orthodoxe protestanten, de katholieken en de socialisten in hun streven zich te ontworstelen aan de liberale hegemonie partijen hadden opgericht, volgden de liberalen aarzelend. Omdat het niet erg van harte ging, bleven de liberale partijen lange tijd zwakke organisaties, terwijl zich tegen het eind van de negentiende eeuw een duidelijke scheiding aftekende tussen progressieve en conservatieve liberalen.

    In 1901 weigerde de meerderheid van de in 1885 opgerichte Liberale Unie het algemeen kiesrecht als prioriteit te stellen. Daarop scheidden de vooruitstrevende liberalen zich af en richtten zij samen met de Radicale Bond de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) op. De VDB keerde zich tegen de toenemende dominante van de confessionele politiek en pleitte voor sociale wetgeving en vergaande overheidsbemoeienis op het terrein van het onderwijs. De partij was voorstander van de vrijemarkteconomie, maar meed de term ‘liberalisme’, omdat die synoniem zou zijn met starre behoudzucht.

    Na de Eerste Wereldoorlog ijverde de VDB voor nationale ontwapening. Hoewel de VDB in de loop van het Interbellum ging pleiten voor een zekere mate van ordening van het sociaal-economische leven, was zij van 1933 tot 1937 medeverantwoordelijk voor het harde crisisbeleid van het tweede en derde kabinet-Colijn. Partijprominent P.J. Oud voerde als minister van Financiën straffe bezuinigingen door en verlaagde de werkloosheidsuitkeringen.

    De conservatieve liberalen, die vonden dat met de constitutionele hervormingen van Thorbecke Nederland wel ‘af’ was en dat de overheid zich verder niet diende te bemoeien met het economische en maatschappelijke leven, bezaten nog minder organisatorisch talent dan hun vrijzinnig-democratische broeders. Hierdoor wemelde het in deze kringen van partijtjes en tamelijk losse groeperinkjes. In 1921 fuseerden vijf van deze splinters tot De Vrijheidsbond, die zich in de loop van de jaren dertig Liberale Staatspartij (LSP) ging noemen.

    Deze uiterst behoudende club propageerde op economisch terrein het onversneden laisser faire-beginsel, was bijzonder nationalistisch en koningsgezind, en was in ethische vraagstukken ook allesbehalve vooruitstrevend. Het gevolg hiervan was dat de LSP electoraal moest concurreren met de protestants-christelijke partijen én met de NSB. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1937 verloor de partij drie van haar zeven zetels en keerde zij niet terug in de regering.

    Haar stoffige imago begon de partij enigszins kwijt te raken toen in 1938 de jonge hoogleraar volkenrecht B.M. Telders voorzitter werd. De LSP werd onder zijn leiding vooruitstrevender, terwijl de VDB door haar deelname aan de kabinetten van Colijn een behoudender imago kreeg. Zo leken de twee liberale partijen naar elkaar toe groeien. Omdat de VDB inmiddels groter was dan de LSP ging zij niet in op avances uit deze hoek.

    De Nederlandse liberalen gingen dus gescheiden de oorlog in, en kwamen daar ook gescheiden weer uit. Ze werden na de oorlog heropgericht. Hoewel tal van individuele VDB’ers zich uitstekend hadden gedragen, had de partij zich minder tegen de Duitse bezetters verzet dan de LSP, waarvan de leider Telders kort voor de bevrijding omkwam in het concentratiekamp Bergen-Belsen.

    Net als in de meeste andere partijen waren er onder de aanhang van VDB en LSP voorstanders van een radicale ‘vernieuwing’ van de Nederlandse politiek. Bij de VDB vormden zij zelfs de meerderheid, zodat deze partij in februari 1946 samen met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de Christelijk-Democratische Unie (CDU), de katholieke Christophoor-groep en de tijdens de oorlog ontstane Nederlandse Volksbeweging (NVB), fuseerde tot de Partij van de Arbeid (PvdA).

    Fractievoorzitter A.M. Joekes was een groot voorstander van deze fusie, maar de voormalige minister van Financiën Oud, die op dat moment burgemeester van Rotterdam was, had grote reserves. Hij was bang dat de nieuwe partij gedomineerd zou worden door de oud-SDAP’ers en werd bijkans onpasselijk als er met rode vaandels werd gezwaaid en de Internationale ten gehore werd gebracht.

    Omgekeerd keken veel sociaal-democraten zeer wantrouwend naar Oud, omdat hij in de jaren dertig een van de architecten van het hardvochtige crisisbeleid van de regering-Colijn was geweest. Schoorvoetend legde Oud zich bij de fusie neer, zodat hij samen met een grote groep aarzelende VDB’ers toetrad tot de PvdA.

    In de LSP waren aanzienlijk minder ‘vernieuwers’ te vinden. Onder Telders had het idee postgevat dat een zekere ‘ordening’ van het economische leven noodzakelijk was. Maar in het Liberaal Weekblad werd nu regelmatig vol instemming geciteerd uit The Road to Serfdom, het door Friedrich von Hayek geschreven brevier van de vrijemarktfundamentalisten. Nu Telders dood was, leek de partij weer terug te zakken in haar oude, stoffige conservatisme.

    En dat stond een aantal jongeren in de partij niet aan. Zij waren tijdens de oorlog betrokken geweest bij het liberale verzetsblad Slaet op den trommele. In de tweede helft van 1945 onderzocht een van hen, H.A. Korthals, of een fusie met de VDB tot de mogelijkheden behoorde, maar ook nu wilde de partij er niets van weten. Omdat Korthals bang was dat het conservatisme van de LSP veel kiezers zou afschrikken, wilde hij een nieuwe partij oprichten. Op zoek naar een geschikte leider nam hij contact op met D.U. Stikker, directeur van bierbrouwerij Heineken en oprichter van de Stichting van de Arbeid.

    Stikker, die zich tot dan toe afzijdig van de politiek had gehouden, voelde hier wel voor en leende op eigen naam twee ton om dit plan te kunnen verwezenlijken. Op 23 maart 1946 werd de Partij van de Vrijheid (PvdV) opgericht. Formeel bleef de LSP nog tot oktober van dat jaar bestaan, maar in werkelijkheid fungeerden de lokale en regionale organen van die partij als afdelingen van de PvdV.

    De PvdV werd feitelijk geleid door Stikker, die voor de nieuwe partij in de Eerste Kamer werd gekozen. Waren de zes Tweede Kamerzetels die bij de verkiezingen van mei 1946 werden behaald al een teleurstelling, het saaie en weinig inspirerende optreden van de PvdV-fractie was er de oorzaak van dat er al spoedig onvrede ontstond. De PvdV begon in de ogen van Stikker, Korthals en andere vernieuwers al spoedig op de oude LSP te lijken, en dat was geen aanbeveling. Zodoende bleek Stikker ontvankelijk voor initiatieven die in de loop van 1947 buiten zijn partij werden ontplooid.

    Ondertussen was Oud zich binnen de PvdA steeds ongemakkelijker gaan voelen. Vooral toen hij geen zetel in de Eerste Kamer kreeg, wat hij graag wilde. Nadat de verkiezingen van mei 1946 voor de PvdA zeer teleurstellend waren verlopen en de communisten tien zetels hadden behaald (in een Tweede Kamer die honderd leden telde), gingen binnen de PvdA stemmen op een linksere koers te varen. Dit stuitte Oud bijzonder tegen de borst, terwijl hij zich steeds meer begon te ergeren aan de hatelijke opmerkingen over zijn vooroorlogse ministerschap. Ook had hij kritiek op het Indonesië-beleid van de partij, die in zijn ogen veel te veel concessies deed aan de Indonesische nationalisten.

    Na een aantal conflicten, waarbij Oud meermalen artikelen publiceerde in het Algemeen Handelsblad, bedankte hij op 2 oktober 1947 voor het lidmaatschap van de PvdA. Hierbij werd hij slechts gevolgd door een handjevol oud-VDB’ers. De overgrote meerderheid van de voormalige vrijzinnig-democraten bleef trouw aan de PvdA, wat mede werd veroorzaakt door het feit dat ze daar onevenredig veel bestuurlijke functies bekleedden.

    Twee dagen later maakte Oud samen met enkele geestverwanten de totstandkoming van een ‘Comité tot voorbereiding van de oprichting van een Democratische Volkspartij’ bekend. Oud wekte de suggestie dat de fusie met de sociaal-democraten ongedaan kon worden gemaakt, en dat de meerderheid van de oude achterban achter hem stond. In werkelijkheid hadden slechts enkele honderden van de bijna 10.000 leden die de VDB in maart 1940 had geteld zich rond Oud geschaard.

    Volgens de geschiedschrijver van de VDB, Mijne Henk Klijnsma, speelde Oud echter dubbelspel. Hoewel hij wist dat veel oud-VDB’ers niets wilden weten van de in hun ogen belegen en reactionaire PvdV, was hij al in september onderhandelingen met Stikker begonnen.

    Bij de oprichting van de PvdV had Stikker gehoopt dat deze partij zich tussen sociaal-democraten en confessionelen in een belangrijke positie zou kunnen verwerven. De partij moest aantrekkelijk zou zijn voor iedereen ‘voor wie de geestelijke vrijheid primair is, de sociale gerechtigheid plicht en die het economisch leven niet wil zien verstarren in het keurslijf van een socialistische dogmatiek, die uiteindelijk in staatsabsolutisme moet eindigen’. Veel was hier niet van terechtgekomen en inmiddels bevond de partij zich in een impasse. Om deze redenen ging Stikker gretig in op de avances van Oud.

    De oprichting van wat het Comité-Oud werd genoemd, was vooral bedoeld om Ouds onderhandelingspositie te versterken. Tegelijkertijd hoopte hij op deze manier voormalige vrijzinnig-democraten uit de PvdA, maar ook van daarbuiten, aan zich te binden. Wellicht zouden ook anderen die de PvdA te socialistisch vonden zich aangetrokken voelen tot de nieuwe progressieve partij.

    Om zijn (potentiële) achterban niet van zich te vervreemden, voelde Oud er niets voor om ‘toe te treden’ tot de PvdV. Hij wilde dat er, althans in naam, in nieuwe partij zou ontstaan. Stikker, die toch al geen ‘partijman’ was, zag op tegen de opbouw van een nieuwe organisatie, terwijl hij bovendien bang was het meest conservatieve deel van de PvdV te verliezen. Dat laatste was overigens weer iets waar Oud op hoopte, aangezien die bang was dat de aanwezigheid van deze ouderwetse liberalen veel voormalige VDB’ers zou afschrikken.

    Om deze patstelling te doorbreken werd op initiatief van enkele progressieve PvdV’ers een soort ‘paleisrevolutie’ uitgevoerd. Nadat de besprekingen tussen het Comité-Oud en een afvaardiging van de PvdV hadden geresulteerd in een nieuw programma en een nieuwe partijnaam, zou de partij van Stikker deze beide aannemen. Vervolgens zou het Comité toetreden tot de nieuwe partij.

    Vanwege de Tweede Kamerverkiezingen van 1948 was haast geboden, en zodoende waren binnen twee weken de onderhandelingen rond. Het conceptbeginselprogramma dat Oud had opgesteld, was reeds behoorlijk toegesneden op de wensen van de PvdV. Zo was de leidende taak van de overheid op het terrein van de economie geschrapt, terwijl dat twee jaar ervoor nog een belangrijk element in het beginselprogramma van de VDB was geweest. Ook bleek de antiklerikale Oud nu ineens bereid het christendom te zien als grondbeginsel van de Nederlandse samenleving.

    Omdat hij tot enige concessies bereid was, kreeg hij op veel andere punten zijn zin. De PvdV’ers accepteerden het idee dat nutsbedrijven beter in overheidshanden konden zijn, en ook ten opzichte van de Indonesische kwestie werd een soepelere houding aangenomen. Ook de naam, Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, was een idee van Oud. Deze naam viel slecht bij zowel een deel van Ouds aanhang als bij veel PvdV’ers. Het woord ‘volkspartij’ deed sommigen denken aan de völkische ideologie van de nazi’s, terwijl tal van deftige liberalen hierbij de onwelriekende geur van koolraap en zweterige arbeiderslijven roken. Maar Oud wilde ermee aangeven dat de VVD zich niet gebonden achtte aan één belangengroep, maar het algemeen en nationaal belang vooropstelde.

    Op 24 januari 1948 nam het congres van de PvdV het nieuwe programma én de nieuwe naam aan, zodat de VVD een feit was. Inspraak was er niet geweest. Stikker had de leden voor het blok gezet: het was slikken of stikken. Dat de meeste liberalen voor het eerste kozen, vormt het zoveelste bewijs dat de organisatorische kracht en het ideologische zelfbewustzijn in deze kringen niet sterk ontwikkeld waren.

    De gehaaide politicus Oud was de grote overwinnaar. Van tevoren had hij bedongen dat hij de lijsttrekker en toekomstige fractievoorzitter zou worden. En dat terwijl hij slechts over enkele honderden aanhangers beschikte en de PvdV ongeveer 20.000 leden telde. Dat dit mogelijk was, kwam voor een groot deel door de figuur van Stikker. Hoewel deze in zijn partij de onomstreden leider was, voelde hij zich geen echte politicus en was hij dolblij met de komst van Oud, die de in de versukkeling geraakte partij nieuw elan zou kunnen geven.

    Binnen een halfjaar na de oprichting van de VVD droeg hij het voorzitterschap over aan Oud, die daarmee tot aan zijn afscheid in 1963 de onaantastbare leider zou zijn. De op weinig democratische wijze tot stand gekomen VVD mocht dan organisatorisch en ideologisch gezien grotendeels de voortzetting van de PvdV zijn, het brutale en energieke optreden van Oud zorgde ervoor dat de beeldvorming anders was. Zodoende werd de VDB vaak gezien als enige voorloper van de VVD en was het mogelijk dat bijna zestig jaar later een afsplitsing van deze partij met het woord ‘vrijheid’ aan de haal ging.

    Meer weten?

    Boeken
    Over het vooroorlogse liberalisme verschenen twee dissertaties: Patrick van Schie schreef Vrijheidsstreven in verdrukking. Liberale partijpolitiek in Nederland, 1901-1940 (2005) en Meine Henk Klijnsma promoveerde op Om de democratie. De geschiedenis van de Vrijzinnig-Democratische Bond 1901-1946 (2008). Het niet erg diepgravende Liberalen onder één dak (1995) van H.J.L. Vonhoff geeft een zeer beknopte ontstaansgeschiedenis van de VVD en behandelt de ontwikkeling van de partij aan de hand van een aantal thema’s.

    Een goed overzicht van de organisatiegeschiedenis tot 1986 biedt 40 jaar vrij en verenigd. Geschiedenis van de VVD-partijorganisatie van Ruud Koole, Paul Lucardie & Gerrit Voerman. Het twintig jaar later verschenen jubileumboek Zestig jaar VVD (2006) van Van Schie en Voerman bevat onder meer essays over de positie van de partij binnen het Nederlandse politieke bestel, het leiderschap, de electorale ontwikkelingen en de ideologische ontwikkelingen binnen het Nederlandse liberalisme.

    De dissertatie van Gerry van der List De macht van het idee. De VVD en het Nederlandse buitenlandse beleid 1948-1994 concentreert zich zoals de ondertitel aangeeft op één aspect van de VVD-geschiedenis. PvdV-voorman Stikker publiceerde Memoires. Herinneringen uit de lange jaren waarin ik betrokken was bij de voortdurende wereldcrisis (1966), terwijl M.F. Westers de biografie schreef Mr. D.U. Stikker en de naoorlogse reconstructie van het liberalisme in Nederland. Een zakenman in de politieke arena (1988). Voor de man die het initiatief tot de oprichting van de VVD nam, en die de eerste vijftien jaar haar onbetwiste leider was, moeten we het nog altijd doen met Vonhoffs nogal hagiografische, tamelijk oppervlakkige Bewegend verleden. Een biografische visie op prof. Mr. P.J. Oud (1969).