• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 2/2000

    Afrikaanse soldaten in het Koninklijk Nederlands-Indisch leger

    Werf een ‘Compagnie neger soldaten’

    Door: Ineke van Kessel

    Het Nederlandse leger zou buitenlanders in dienst moeten kunnen nemen, vindt het Instituut Clingendael. De gedachte is niet nieuw. Vanwege het soldatentekort van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) zijn in de negentiende eeuw drieduizend Afrikaanse rekruten naar Nederlandse-Indië verscheept.

    Het soldatentekort in het Nederlandse leger is van alle tijden. Eeuwenlang ronselde de Republiek huursoldaten uit alle delen van Europa. Na de Franse Revolutie ontstond de gedachte dat de militaire dienst een patriottische plicht is, die moet worden vervuld door staatsburgers. Een ouderwets idee, vindt nu het Instituut Clingendael. Clingendael vraagt zich af of de krijgsmacht niet opengesteld kan worden voor niet-Nederlanders, naar het voorbeeld van de Nepalese Ghurka’s, die al sinds de negentiende eeuw aparte eenheden vormen in het Britse leger.

    Nederland heeft in de negentiende eeuw al ervaring opgedaan met zijn eigen ‘Ghurka’s’: de Afrikaanse soldaten van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Tussen 1831 en 1872 werden ruim drieduizend Afrikaanse rekruten uit het gebied van het huidige Ghana verscheept naar Nederlands-Indië. Daar namen ze deel aan tal van veldtochten, waaronder de Padri-oorlog op West-Sumatra. Hun achterkleinzonen waren van de partij bij de politionele acties tegen de Indonesische nationalisten.

    Het soldatentekort in het begin van de negentiende eeuw had verscheidene oorzaken. Door de afscheiding van België was het reservoir aan jonge mannen waaruit het Nederlandse leger kon putten, fors ingekrompen. En Nederland had met de meeste buurlanden afgesproken geen buitenlandse soldaten in dienst te nemen die in eigen land hun dienstplicht nog niet hadden vervuld. Een acuut tekort aan soldaten was veroorzaakt door de Java-oorlog (1825-’30). In vijf jaar verloor het KNIL vijftienduizend militairen, onder wie achtduizend Europeanen.

    Natuurlijk waren er ook Indiërs in dienst van het KNIL, met name van het eiland Ambon. De koloniale bestuurders beseften echter dat hier ook gevaren aan verbonden waren. Soldaten die worden gerekruteerd uit onderworpen volkeren zouden weleens gemene zaak kunnen maken met opstandelingen, zodat ze uiteindelijk hun militaire training zouden gebruiken om hun vrijheid te herwinnen. ‘Op deze ingeborene troepen kan men welligt de gelijkenis van de slang toepassen, die men aan zijnen boezem onderhoudt’, noteerde het departement van Oorlog.

    Men besloot om ‘negerkorpsen’ te gaan werven. Zwarten waren vast ook beter bestand tegen het tropische klimaat dan Europeanen, die in groten getale door tropische ziekten waren geveld. De werving van negers is dé oplossing voor het soldatentekort, meende bovenbedoelde rapporteur, want wanneer ‘gehele bevolkingen uitsterven, blijven de negers overig, vele onder hen zijn van een zeer sterk ligchaamsgestel en van hunne jeugd af gewend aan gemeen slecht voedsel en harden arbeid. Zij bereiken meestal eenen hoogen ouderdom en blijven lange tijd tot den arbeid bekwaam, hun ligchaam is aan harde slaapsteden gewoon, bedden en zelfs strozakken kennen de meesten slechts bij naam’. Niet alleen hadden negers een robuuste gezondheid, ze waren volgens het ministerie van Koloniën ook uitstekende soldaten, ze stierven minder snel dan de Europeanen en ze waren niet zo laf en onbetrouwbaar als de Javanen. Die goede reputatie hadden ze te danken aan hun staat van dienst bij de Britse troepen in West-Indië.

    Liefst natuurkinderen
    Negers dus. Maar wat voor negers? In Amerika heb je negers in overvloed, constateerde het departement van Oorlog in 1827 in een nota met de veelzeggende titel Gedachten nopens eene weinig kostende en doelmatige organisatie der landmagt in Nederlands Oost Indische Bezttingen. Zwarten en kleurlingen, vrije negers, weggelopen slaven of landlopers: kieskeurig was de schrijver van deze nota niet, zolang ze maar recht van lijf en leden waren. Ze zouden geworven kunnen worden in werfdepots in New Orleans en Cincinatti en vanuit New York verscheept kunnen worden naar Java, onder leiding van blanke Amerikaanse officieren. Dan was het taalprobleem ook opgelost. De Amerikaanse regering zou niet moeilijk doen: die bevorderde toch al emigratie van ex-slaven naar Haïti en Liberia, uit vrees voor rellen.

    Maar de minister van Koloniën voelde er niets voor om ‘het schuim’ van de zwarte bevolking van Amerika in Nederlandse krijgsdienst op te nemen. Amerikaanse negers zouden maar problemen maken, omdat zij bezield waren van gelijkheidsidealen die in de Verenigde Staten niet waren vervuld. En als de Amerikaanse regering zelf koloniale ambities zou krijgen, waar zou dan de loyaliteit van de Amerikaanse troepen in Indië liggen?

    Liever zag Koloniën ‘natuurkinderen’, die onder Europese leiding goed plooibaar zouden zijn. Uit de memoires van een Nederlandse officier die in de Atjeh-oorlog leiding gaf aan een Afrikaanse compagnie, blijkt dat de Nederlanders het begrip ‘natuurkinderen’ wel heel letterlijk namen. Het leidinggeven bestond uit het aanleren van enkele kreten die de negers begrepen, en ‘uit het dresseren van de zwarten gelijk men apen doet’.

    Nog even heeft Koloniën overwogen plantageslaven in Suriname te kopen. Maar die waren te duur en sinds het verbod op de slavenhandel kampten plantagehouders met een groot arbeiderstekort. Bovendien waren ook de West-Indische zwarten geen ‘natuurkinderen’. Vertrouwd als ze waren met blanken vermoedde Koloniën dat zij weinig geneigd waren tot ‘gehechtheid voor onzen landaard’.

    Kortom, voor zwarte ‘natuurkinderen’ moest men naar Afrika. Aan de Afrikaanse westkust bezat Nederland al eeuwenlang een reeks forten langs de kust van het tegenwoordige Ghana. Sinds de afschaffing van de slavenhandel in 1814 leden de Nederlandsche Bezittingen ter Kuste van Guinea een kwijnend bestaan.

    Proefzending
    In 1831 ontving kommandeur Last in Elmina, de hoofdvestiging aan de West-Afrikaanse kust, instructies voor het werven van ‘eene Compagnie neger soldaten, vooreerst ter sterkte van 150 man’ voor het Oost-Indisch leger. Het plan was om in totaal 1800 Afrikaanse soldaten te werven, maar een eerste proefzending moest uitwijzen of Afrikanen inderdaad zulke geschikte soldaten waren. Dwang en geweld dienden bij de werving vermeden te worden.

    Last had er een hard hoofd in. Afrikaanse mannen zijn van nature lui en leven van de hand in de tand, berichtte hij aan Den Haag. Hun vrouwen bewerken het land, zelf stellen ze slechts belang in het verzorgen van de graven van hun voorouders. Gezien die verbondenheid met de voorouders zijn Afrikanen ook helemaal niet geneigd om te kiezen voor een hard bestaan als soldaat in onbekende, verre oorden.

    Last besloot de Afrikaanse vorsten om medewerking te vragen en nodigde de koning van Elmina en diens regering uit op kasteel St. George. Hij verzocht hun ‘om hunne onderhorigen aan te sporen tot het wijken van hunne gewone lediglopende levenswijze en om van dezer allervoordeligste gelegenheid gebruik te maken zich een bestaan te verschaffen, de wereld te zien en voor hunnen ouden dag te zorgen’. De reacties leken welwillend, maar de ‘hangjongeren’ kwamen niet opdagen. De vorst berichtte dat hij niemand kon dwingen te gaan. De weinigen die zich wel aanmeldden, waren kleine misdadigers of pandslaven die met hun soldij hun schulden konden afbetalen.

    Op 29 augustus 1832 zetten uiteindelijk de eerste 44 rekruten in Batavia voet aan wal. De beoogde 150 Afrikaanse soldaten had men pas in 1836 bij elkaar. Nadat de werving enkele jaren op een laag pitje had gestaan, besloot de nieuwe minister van Koloniën en oud-gouverneur-generaal van Nederlands Indië, Johannes van den Bosch, in 1836 de zaken grootser aan te pakken. Door de koloniale expansie op Sumatra was uitbreiding van het leger noodzakelijk, met tenminste 1500 nieuwe soldaten.

    In opdracht van de Nederlandse regering reisde generaal-majoor Jan Verveer naar het hof van het machtige koninkrijk Ashanti, dat in de tijd van de slavenhandel een belangrijk leverancier van slaven was geweest. Verveer moest afspraken maken voor de jaarlijkse levering van tweeduizend rekruten, in ruil voor zilver, goud, geweren en kruit. Om elke schijn van verkapte slavenhandel te vermijden, zouden voor de rekruten dezelfde arbeidsvoorwaarden gelden als voor de Europese soldaten. Na afloop van hun contract, dat varieerde van zes tot twaalf jaar, konden de soldaten repatriëren naar Afrika of bijtekenen in Indië.

    Met de Ashanti-koning Kwaku Dua sloot Verveer een overeenkomst voor de jaarlijkse levering van duizend ‘schoone, welgevormde, sterke, vlugge manschappen, zonder lichaamsgebreken’. De koning zou honderd gulden per hoofd ontvangen, uit te betalen in geweren en kruit. In de Ashanti-hoofdstad Kumasi mocht Verveer daarnaast ook een werfdepot openen, waar zich vrijwilligers konden melden. De vrijwilligers bleven uit en ook de koning bleef in gebreke. Meer dan een jaar na de ondertekening van het contract had de Ashanti-vorst pas 51 man geleverd. De in Kumasi geronselde rekruten waren in feite de slaven van de Ashanti. Het handgeld, dat gewoonlijk bij indiensttreding werd uitbetaald, werd gebruikt om de slaaf vrij te kopen. Voorzien van een acte van manumissie, en van een korte, krachtige Nederlandse naam als Jan Wit of Piet Klink, begon de nieuwbakken recruut vervolgens als ‘vrijwilliger’ aan zijn militaire carrière.

    Nederland begreep niet waarom de Ashanti-koning niet voldeed aan zijn contractuele verplichtingen. Hij had toch duizenden slaven die bij belangrijke gebeurtenissen als begrafenissen als mensenoffer werden gebruikt? Zou het niet tot wederzijds voordeel strekken als die verspilling werd gestaakt? Dan zou men naar goed-Nederlands gebruik twee vliegen in een klap slaan: lotsverbetering voor de ongelukkige slaven en ‘eene weinig kostende en doelmatige’ oplossing voor het soldatentekort in Indië. Jacob Huydecooper, door Verveer aangesteld als agent voor de werving, klaagde herhaaldelijk zijn nood aan de bestuurders in Elmina. Over een dagen durend ritueel schreef hij dat ‘van smorgens vijf uur tot drie uren den middag negentig mensen onthoofden. Het is bepaald aanstaande donderdag boven getal van honderd mensen nog te slagten, de rompen ze leggen zoo maar overal waar men komt op het plaats. Ik verzekert Ueg. dat hier de onplesierigste land is dat ik ooit gezien of gehoord heb.’ Deze slaven werden geofferd omdat ze een belangrijke overledene moesten vergezellen op zijn laatste reis. Ze werden niet gezien als handelswaar die geruild kon worden tegen geweren.

    Muiterij
    Toen het werfdepot in Kumasi in 1841 werd opgeheven, had Huydecooper toch nog 1173 rekruten weten te werven. Maar in Indië was het enthousiasme over de Afrikaanse soldaten inmiddels aardig bekoeld. In mei 1841 waren er ongeregeldheden toen de Afrikanen van het vierde bataljon infanterie protesteerden tegen de inhouding van hun soldij. Een maand later kwamen 37 Afrikaanse militairen op Sumatra in opstand. Ze weigerden de bevelen van hun meerderen op te volgen en marcheerden in volle wapenuitrusting het fort Van der Capellen uit. Bij de achtervolging kwam het tot een confrontatie, waarbij twee doden en vier zwaar gewonden vielen. De muiters werden gevangengenomen.

    Al vóór deze muiterij had de commandant van het Indische leger, generaal-majoor Cochius, zich in een geheime brief beklaagd: ‘Overal, waar de negersoldaat tot een kompagnie is vereenigd geweest, heeft men hun tot muiterij zien overslaan, waarvan het voorwendsel was afwijking van de hun gedane belofte in de gelijkstelling met den Europeesche soldaat.’ Ook de Afrikaanse ‘natuurkinderen’ bleken bezield door het gelijkheidsideaal.

    Na deze muiterijen werden de negerkorpsen ontbonden en de Afrikanen verspreid over verschillende legeronderdelen. In 1855 werd de werving van Afrikaanse soldaten hervat, maar nu vooral aan de kust. In 1872 kwam er definitief een einde aan toen de Nederlandsche Bezittingen ter Kuste van Guinea aan Engeland werden overgedragen.

    Het mankrachtprobleem bleef echter nijpend. Tien jaar later werd daarom voorgesteld negers te werven in Liberia. De werving werd uitbesteed aan de Rotterdamse handelsmaatschappij Muller. Toen de stoomboot Celia in 1890 aanlegde in Liberia, waren al zo’n honderd Liberianen verzameld. Maar toen die te horen kregen dat Java het reisdoel was, gingen de meesten er weer vandoor. Om verdere tegenslagen te voorkomen, werd voortaan slechts zeer summiere informatie verstrekt. In de veronderstelling dat ze niet al te ver van huis gingen werken op koffie- en cacaoplantages, gingen uiteindelijk 188 Liberianen scheep naar Indië. Om geen onrust te veroorzaken werden onderweg in plaats van uniformen broeken en schoenen uitgedeeld. Bij aankomst werden de Liberianen ingedeeld in twee negercorpsen, ondanks de eerdere ervaringen met muiterij. Na zes turbulente maanden gooiden de Liberianen het bijltje erbij neer. Ze verklaarden slechts voor een half jaar te hebben getekend en van militaire dienst was al helemaal geen sprake geweest. Toen de Liberianen ongevoelig bleken voor opsluiting en dreiging met de krijgsraad, besloten de autoriteiten hen te repatriëren.

    Volgens de Encyclopedie van Nederlandsch Indië (1917) hebben de Afrikanen een ‘zeer gewaardeerd element in het leger gevormd; wel waren zij moeilijk af te richten, onmatig en, vooral in het gevecht, slecht gedisciplineerd, doch ook dapper en sterk’. De Liberianen daarentegen waren vrij goede soldaten en ‘niet van verstand ontbloot’, maar ook ‘oneerbiedig en diefachtig’.

    In 1892 telde het Indische leger nog 54 negersoldaten, in 1915 waren er geen Afrikanen meer in actieve dienst. Veel zonen en kleinzonen van de Afrikanen die in Indië waren gebleven en met Javaanse vrouwen een gezin hadden gesticht, hebben nog wel in het KNIL gediend. Hoever hun identificatie met Nederland ging, bleek bij de soevereiniteitsoverdracht in 1949. Vrijwel alle afstammelingen van de Afrikaanse soldaten kozen voor repatriëring naar Nederland. Gevraagd naar zijn motivatie liet een van hen optekenen: ‘omdat Neerlands bloed ons door d’aderen vloeit, van vreemde smetten vrij’.