Georgië is al eeuwenlang een speelbal van omringende mogendheden. Het gebied ten zuiden van de Kaukasus is al sinds mensenheugenis bewoond, maar lag eigenlijk altijd op het breukvlak van invloedssferen. De oude Grieken kenden Georgië als ‘Iberië’, wat – net als het Iberisch schiereiland – waarschijnlijk afstamt van het Fenicische ebr, dat ‘daarginds’ betekent.
Daarginds grensde in de tijd van het Romeinse Rijk aan het Perzische Rijk. Georgische en Armeense koningen regeerden over vazalstaten die daar met wisselend succes tussendoor probeerden te laveren. Van echte onafhankelijkheid was nooit sprake. Beide rijken oefenden invloed uit en deelden het gebied telkens weer opnieuw op.
De Perzische culturele invloed was groot, maar vanuit de Romeinse wereld namen de Georgiërs en de Armeniërs het christendom over, zij het ieder in een eigen variant. Sinds het midden van de vierde eeuw zetelt de katholikos, de leider van de Georgisch-orthodoxe kerk, in Mtscheta, twintig kilometer ten noorden van Tbilisi. De huidige hoofdstad werd volgens de overlevering rond het jaar 500 gesticht.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Het christelijk geloof bleef behouden nadat de Arabieren in de zevende eeuw het gebied veroverden. Drie eeuwen later rukte het Byzantijnse Rijk op. De resulterende oorlogen met het Arabische Rijk trokken weliswaar een spoor van vernieling door Georgië en Armenië, maar met Byzantijnse steun konden de Georgische en Armeense koningen ook steeds meer een eigen koers gaan varen.

In Georgië kwamen de Bagratiden op de troon, die beweerden af te stammen van de Bijbelse koning David. Zo rond het jaar 1000 leek het koninkrijk zowaar helemaal op eigen benen te kunnen gaan staan. De Georgische koningen waren daarmee een stap verder dan hun Armeense collega’s.
Vanaf die tijd werd er ook niet langer gesproken van Iberië, maar van ‘Georgië’ (of ‘Sakartvelo’ in het Georgisch). Maar er stonden ook alweer nieuwe invallers klaar: de Turkse Seltsjoeken uit Centraal-Azië. Die veroverden niet alleen Georgië, maar ook Anatolië en het Heilige Land. Die invasie vormde paradoxaal genoeg ook het startschot voor de Georgische gouden eeuw.
David was de grootste van alle koningen
Koning Giorgi II had zich genoodzaakt gezien om trouw te zweren aan de Seltsjoeken, maar dat was tegen de zin van de Georgische adel die hem dwong af te treden. Met Giorgi’s 16-jarige zoon David dachten ze een marionet op de troon te zetten, maar hij ontpopte zich tot de grootste van alle Georgische koningen. David IV staat beter bekend als ‘De Bouwer’ (Aghmasjenebeli), want hij wist Georgië tot een regionale grootmacht te smeden.
Eerst stelde De Bouwer orde op zaken in eigen huis. Hij maakte de adel én de katholikos ondergeschikt aan de koning, maar legde wel zijn oor bij hen te luisteren. Loyale edellieden konden een plek verdienen in de Darbazi, een raad van wijze mannen. En David IV vocht talloze oorlogen uit om de rusteloze Georgische adel tevreden te houden. Rivaliserende facties hadden simpelweg geen tijd om aan zijn stoelpoten te zagen.

Onder aanvoering van koning David ging het de Georgiërs op het slagveld voor de wind. Daarbij profiteerden ze van een drietal ‘geopolitieke’ ontwikkelingen. Net na Davids troonsbestijging viel het grote Seltsjoekenrijk door dynastieke ruzies uiteen in een aantal rivaliserende emiraten. Ook hadden de Seltsjoeken hun handen vol aan de succesvolle Eerste Kruistocht (1096-1099) en de daaruit resulterende kruisvaardersstaten. Bovendien kreeg David IV een groot professioneel ruiterleger in de schoot geworpen toen grootvorst Vladimir Monomach van Kiev 40.000 nomadische Kiptsjaken en hun families de deur wees.
De sluwe Georgische koning scheidde van zijn Armeense vrouw Rusudan en trouwde met Gurandukht, de dochter van de Kiptsjaken-hoofdman. De arme Rusudan werd met een lading geschenken voor kruisvaarderskoning Boudewijn naar een klooster in Jeruzalem gestuurd. Zo wist David zich verzekerd van bruikbare bondgenoten.
Zijn spectaculairste overwinning boekte David de Bouwer in 1121 bij Didgori, zo’n veertig kilometer ten westen van Tbilisi. In een kloof hakten de Georgiërs en de Kiptsjaken een overmacht van Seltsjoeken in de pan. Het was een meedogenloze strijd, want David liet de uitgang van de kloof barricaderen. Ook voor zijn eigen manschappen. Didgoroba wordt tot op de dag van vandaag herdacht als de dag waarop de moslimhegemonie over Georgië én Armenië ten einde kwam.

Na deze slag ging het hard. Een jaar later veroverde David Tbilisi, dat vierhonderd jaar lang een islamitische stad was geweest, en maakte er de hoofdstad van zijn koninkrijk van. Daarna annexeerde hij het overgrote deel van het hedendaagse Armenië en Azerbeidzjan, waardoor Georgië in de twaalfde eeuw van de Zwarte Zee tot de Kaspische Zee strekte. Davids koninkrijk was ongeveer vijf keer zo groot als de hedendaagse republiek. Zijn reputatie drong ook door tot de kruisvaarders, die hem aanzagen voor Pape Jan – de mythische koning die over een machtig christelijk rijk in Azië zou heersen – en hoopten op een bondgenootschap in de strijd tegen de Seltsjoeken.
Maar koning David was niet alleen maar bezig met oorlogen. Hij gaf ook opdracht tot de bouw van een indrukwekkend klooster in Gelati. Dat was ook bedoeld als een thuis voor Georgische geleerden. Onder David begon een bloeiperiode voor muziek, schilderkunst en architectuur. De invloed van de Perzische cultuur was nog steeds groot, maar de eerste klassiekers uit de Georgische literatuur stammen uit de twaalfde eeuw. Nog steeds kunnen Georgiërs gedichten van Sjota Roestaveli uit het hoofd declameren. Zijn gedicht ‘De ridder in het pantervel’ geldt als het Georgische nationale epos bij uitstek.
Russische annexatie
Vanaf het midden van de zeventiende eeuw richtten de Russische tsaren hun vizier op de Kaukasus, de zuidgrens van het Russische Rijk. In 1801 volgde een officiële Russische claim op Georgië, dat vervolgens stapsgewijs werd geannexeerd in een
reeks oorlogen tegen het Ottomaanse Rijk en het Perzische Rijk. In 1878 was Georgië voor het eerst sinds 1223 weer echt verenigd, maar dan wel als onderdeel van het Russische Rijk. Tijdens de Russische Burgeroorlog (1917-1921) verklaarde de Democratische Republiek Georgië zich onafhankelijk, maar daar maakte het Rode Leger vervolgens korte metten mee. Pas in 1991 wisten de Georgiërs zich aan de Russische greep te ontworstelen.
De grootste Georgische koning aller tijden stierf in 1125. Hij werd op eigen verzoek begraven onder de drempel van de hoofdingang van het klooster in Gelati, zodat alle bezoekers over zijn lichaam moeten stappen. Het grafschrift luidt: ‘Dit is mijn rustplaats van de ene naar de andere eeuwigheid.’
Davids zoon Demetre had er een hele kluif aan om het sterk gegroeide Georgië bij elkaar te houden. De Seltsjoeken probeerden hun verloren grondgebied weer terug te veroveren. Het kostte veel pijn en moeite om ze te verslaan. Daarbij hielp het niet dat de Georgiërs ook onderling ruzieden. De kronieken reppen van een hele roerige periode aan het hof.
Tamar neemt de scepter over
Toen Demetre in 1155 zijn jongste zoon Giorgi III koos als opvolger, werd die door samenzwerende edellieden verbannen naar een afgelegen klooster. Demetres oudste zoon David V werd op de troon gezet. Maar zijn heerschappij duurde slechts één jaar. David werd vergiftigd en Giorgi nam na zijn terugkeer op de troon op gruwelijke wijze wraak. Hij liet de ogen van de aanvoerder van de samenzweerders uitsteken en diens familie uitmoorden. Ook zijn neefje Demna verloor zijn ogen én zijn edele delen, zodat de bloedlijn van Giorgi’s broer David zou uitsterven.
Koning Giorgi III had alleen één probleem: hij had zelf geen mannelijke opvolger. Gebruikmakend van het momentum kroonde hij daarom zijn oudste dochter Tamar in 1178 tot medeheerseres. Zes jaar lang regeerde ze aan de zijde van haar vader. En na zijn dood nam Tamar de scepter over.

Ook trouwde ze in 1185 met de Russisch prins Joeri Bogoljoebski. Het idee was dat deze vechtjas het Georgische leger zou kunnen aanvoeren, want daar had de kersverse koningin geen kaas van gegeten. Maar Joeri bleek een ruziezoekende drinkebroer, dus Tamar moest niets van hem hebben. Na drie jaar ellende kreeg de koningin eindelijk toestemming van de katholikos om het huwelijk te ontbinden.
Koningin Tamar hertrouwde met edelman David Soslan, die aan zijn moederskant afstamde van de Bagratiden, en dat werd wél een gelukkig huwelijk. Tamar en David kregen twee kinderen, zoon Giorgi en dochter Rusudan. Ex-man Joeri liet het er niet bij zitten en probeerde Tamar twee keer van de troon te stoten. De eerste keer vergaf ze hem gek genoeg, maar na de tweede keer verdween Joeri in een diepe kerker.
Georgië versplintert in kleine vorstendommen
Het was een moeizame start, maar Tamars regeerperiode geldt als het hoogtepunt van de Georgische middeleeuwse monarchie. Haar echtgenoot bleek een zeer kundig legerleider. De Georgiërs gingen weer op veroveringstocht. In 1203 boekten ze een klinkende overwinning op de Seltsjoeken in de Slag bij Basiani. Daarna vielen de steden Kars, Erzincan en Erzurum in Anatolië een voor een in Georgische handen.
Koningin Tamar was ambitieus. Haar neefjes Alexios en David stamden af van de verdreven Byzantijnse keizerlijke familie Komnenos en Tamar wilde ze weer terug op de troon helpen in Constantinopel om daarna gezamenlijk de Seltsjoeken in de tang te nemen. Vooruitlopend daarop werd Alexios in 1204 onder Tamars vleugels keizer van het ‘Byzantijnse’ Rijk van Trebizonde in Oost-Anatolië. ‘Rijk’ was een groot woord, want deze vazalstaat van Georgië was van oorsprong maar een kleine Griekse kolonie.

Door de plundering van Constantinopel tijdens de Vierde Kruistocht (1202-1204) kwam er van Tamars plannen uiteindelijk helemaal niets terecht. De kruisvaarders waren bondgenoten van de christelijke koningin Tamar. Ze had hun beloofd vanuit het oosten te hulp te komen in de strijd tegen de Seltsjoeken om het Heilige Land. De kruisvaarders kwamen uiteindelijk niet eens in de buurt van Jeruzalem, maar Tamar kreeg Seltsjoekenleider Saladin wel zover dat hij de Georgische kloosters in het Heilige Land met rust liet.
Daarna was Tamars geluk op. Haar echtgenoot David Soslan overleed in 1207 en de koningin trok zich min of meer terug uit het openbare leven. Tamar volgde haar vaders voorbeeld en benoemde haar 15-jarige zoon Giorgi IV tot mede-koning. Maar op het slagveld boekten de Georgiërs geen grote overwinningen meer. In 1213 overleed Tamar. Ze zou ook in het klooster van Gelati begraven zijn, maar haar graf is onvindbaar.
Georgische nachtmerrie?
Sinds 1991 zwalkt Georgië heen en weer tussen de Russische invloedssfeer en Europa. In de jaren negentig werd het land geteisterd door corruptie, criminaliteit en een burgeroorlog. De regio’s Abchazië en Zuid-Ossetië zijn met Russische steun de facto afgescheiden. Na de zogeheten Rozenrevolutie in 2003 streefde president Saakasjvili naar lidmaatschappen van de Europese Unie en de NAVO. Dat resulteerde in 2008 ook in een verloren oorlog met Rusland. Sinds de partij Georgische Droom in 2012 de macht overnam zijn de banden met Rusland steeds verder aangehaald. De op illiberale leest geschoeide partij houdt zich al anderhalf jaar lang doof voor massale protesten.

Tamars dood luidde het einde in van de Georgische gouden eeuw. Giorgi IV ontpopte zich tot een onstuimige en koppige schuinsmarcheerder met een drankprobleem. Hij maakte ruzie met de Georgische adel en de katholikos. Toen zich met de Mongolen een volgende groep geduchte invallers meldde aan de oostgrens van Georgië waren de Georgiërs te verdeeld om daar iets tegenover te stellen. De Mongoolse ruiters maakten korte metten met de Georgiërs en legden Tbilisi en andere steden in de as. Ook Giorgi kwam om in de strijd. Zijn opvolgers zagen zich genoodzaakt om trouw te zweren aan de Mongoolse leiders, de gevreesde kans. Zolang ze tribuut betaalden, mochten ze op de troon blijven zitten.
Zonder sterke heersers als koning David de Bouwer en koningin Tamar versplinterde Georgië in een reeks kleine vorstendommetjes. In de veertiende eeuw verloor Georgië misschien wel de helft van zijn inwoners als gevolg van de Zwarte Dood. En door de val van Constantinopel in 1453 werd ook de band met Europa verbroken. Zonder het Byzantijnse Rijk als bondgenoot raakte Georgië – samen met Armenië – geïsoleerd als christelijke enclave op de Kaukasus, ingeklemd tussen het Ottomaanse Rijk en het Perzische Rijk. Na hun gouden eeuw waren de Georgiërs weer terug bij af: daar waar de invloedssferen van twee machtige buren op elkaar botsten.
Meer weten
- Belaagd paradijs (2021) door Marc Jansen is een goede introductie in de Georgische geschiedenis.
- Edge of Empires (2019) door Donald Rayfield behandelt de middeleeuwse geschiedenis van Georgië.
- History of the Caucasus (2021/2024) door Christoph Baumer is een geïllustreerd overzichtswerk in twee delen.
