De Duitser Benno Samel kwam in juni 1940 als lid van de gevreesde Sicherheitsdienst naar Nederland. In Noord-Brabant kreeg hij een spilfunctie in de Jodenvervolging. Samel is onbekend gebleven, maar blijkt de vervolging heimelijk te hebben tegengewerkt.
Tussen het overlevingspercentage van de Joodse bevolking in de Nederlandse provincies bestaan opvallende verschillen. Volgens socioloog Peter Tammes en historicus Marnix Croes overleefde van de Brabantse Joden 48,1 procent de oorlog, tegen 22,1 procent in Groningen en landelijk 29,6 procent. Met hun studie uit 2004 toonden zij aan dat de overlevingskans onder meer samenhing met de activiteit en radicaliteit – afgemeten aan de mate van gewelddadigheid – van de Sipo/SD-Aussenstellen.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Nederland telde zes van deze regionale vestigingen van de gevreesde (politieke) recherche en inlichtingendienst van de SS. De Aussenstelle Den Bosch was na Maastricht het minst actief en radicaal, lieten Tammes en Croes zien. Relatief weinig van de in het ressort van deze Aussenstelle woonachtige Joden werden opgepakt als strafgeval (4,9 procent). Mishandelingen bleven er verhoudingsgewijs beperkt en ontspoorden relatief laat.
Toch is het verband dat Tammes en Croes vonden niet eenduidig. Zo blijkt de overlevingskans onder de meest radicale Aussenstelle Groningen significant kleiner dan onder de Aussenstelle Den Bosch, maar – tegen de verwachting in – niet significant kleiner dan onder de minst radicale Aussenstelle Maastricht. Een mogelijke verklaring is dat Tammes en Croes hebben gekeken naar de radicaliteit van alle functionarissen op de Aussenstellen, ook degenen die nauwelijks betrokken waren bij de opsporing van Joden. De Sipo/SD had nog andere opdrachten, zoals het bestrijden van verzetsgroepen, en dat ging vaak met geweld gepaard.
Om een beter beeld te krijgen, lijken we te moeten focussen op die medewerkers die vanwege hun positie of taak een sleutelrol hadden in de Jodenvervolging. Dat zou ook de opvallende verschillen kunnen helpen verklaren die bestonden tussen gemeenten binnen hetzelfde Aussenstelle-ressort. Van de twintig rechercheurs en SD’ers op de Aussenstelle Den Bosch hadden er hooguit zes een hoofdaandeel in de opsporing van Joden in Noord-Brabant. Benno Samel, die de portefeuille ‘Jodenzaken’ had, was een sleutelfiguur. Wat dreef hem en hoe ging hij te werk?
Weer thuis probeerde Samel los te komen van de SS
SD-officier Benno Samel (1910-1959) kwam uit Oost-Pruisen, dat na de Eerste Wereldoorlog een exclave werd doordat Duitsland grondgebied had moeten afstaan aan de nieuwe republiek Polen. De economie raakte er volledig in het slop. Zoals veel Oost-Pruisen juichte Samel het toe dat de nazi’s het Verdrag van Versailles teniet wilden doen. Ook liet Samel zich, misschien niet verwonderlijk, meeslepen door de naziretoriek die de boerenstand verheerlijkte. In Memelland, het meest noordelijke deel van Oost-Pruisen dat Duitsland had moeten afstaan aan Litouwen, had zijn vader tot zijn overlijden in 1927 een boerderij gehad.
Samel ging in 1931 tandheelkunde studeren aan de Albertus-Universiteit in Koningsbergen. Ondanks de economische malaise moet Samels moeder niet onbemiddeld zijn geweest. In ieder geval kon de weduwe, die in het Oost-Pruisische Tilsit was gaan wonen, de studie van haar enige zoon betalen. Toch moest Samel zijn studie in 1934 om financiële redenen staken. Hij was verhuisd naar de universiteitsstad Greifswald aan de Oostzee en in conflict gekomen met zijn moeder. Zij weigerde de voortzetting van zijn studie nog te bekostigen. Verlegen om inkomen zocht Samel in het jonge Derde Rijk zijn heil bij de 1/SS2-Verfügungstruppe in Hamburg-Veddel. Deze SS-eenheid, een voorloper van de Waffen-SS, zou deels opgaan in de SS-Standarte ‘Der Führer’ en berucht worden.

Samel verliet drie keer de actieve dienst bij de SS om zijn studie weer op te pakken, maar werd telkens opnieuw opgeroepen. In 1939 moest hij – inmiddels getrouwd met Lisbeth Eldenburg en vader van twee dochtertjes – zich onverwijld melden in Graz. Dat was vrijwel zeker bij de SS-Standarte ‘Der Führer’, die vanuit deze Oostenrijkse stad deelnam aan de inval in Polen. Tijdens de veldtocht kwam het al snel tot excessen. Vermeende partizanen werden zonder meer vermoord, terwijl SS-Einsatzgruppen achter het front systematisch korte metten maakten met de Poolse intelligentsia en ongecoördineerde moordpartijen uitvoerden op Joden. Vaak werkten andere SS-eenheden hieraan mee. Weer thuis in Greifswald probeerde Samel opnieuw los te komen van de SS. Begin 1940 pikte hij zijn studie weer op, maar wederom riep de SS hem op. Deze keer kwam hij terecht in bezet Nederland.
Samel werd in juni 1940 gestationeerd bij wat de Sipo/SD-Aussenstelle Den Bosch zou worden. Aanvankelijk werkte hij als (onder)commandant van de onder de Aussenstelle ressorterende gijzelaarskampen in Haaren en Sint-Michielsgestel. De vooraanstaande politici, wetenschappers en geestelijken die hier gevangenzaten, dienden als Todeskandidaten om het verzet te breken. Bij verzetsacties konden executies volgen. Op de gijzelaars had Samel desondanks een opmerkelijk goede indruk gemaakt. ‘Natuurlijk,’ schrijft Lodewijk Krijgers, ‘werktuig van het systeem, maar een fatsoenlijk man die ons zoveel vrijheid gaf als hem mogelijk was.’ ‘De geest van de SS was hem vreemd,’ aldus Piet van der Weij. ‘Hij was vriendelijk, menselijk en hoffelijk zelfs! In zijn hart moet hij het echte SS-gespuis wel diep hebben veracht.’

Een soortgelijke indruk had Ies de Winter, voorzitter van de Joodse Raad in ’s-Hertogenbosch, die in de zomer van 1942 met Samel te maken kreeg. Voortaan was Hauptsturmführer Samel zijn aanspreekpunt, werd aan De Winter meegedeeld. Anders dan met zijn voorganger Bernard Haase, die leider van de Aussenstelle in Groningen werd, leek hij met Samel te kunnen praten. Hij vermoedde zelfs dat de Jodenvervolgingen hem tegenstonden. Tegen Max Cahen, voorzitter van de Joodse Raad in Vught, noemde De Winter de wisseling van de wacht, precies toen in Nederland de deportaties begonnen, ‘een klein wonder’ voor de Bossche Joden. Terwijl De Winter zag dat Groningen onder Haase al snel nagenoeg Judenrein was, kreeg hij bij Samel dingen gedaan. Vielen er daardoor in Brabant minder slachtoffers, zoals De Winter suggereerde?
Jeugdliefde
Vaststaat dat Samel op de Aussenstelle Den Bosch voor een belangrijk deel de lakens uitdeelde. Vanaf begin 1943 was hij er plaatsvervangend Aussenstelleleiter en na het vertrek van zijn chef Heinrich Küthe vanaf februari 1944 zelfs de facto de eerstverantwoordelijke. Bovendien zou Samel twee jaar de portefeuille ‘Jodenzaken’ houden: tot hij in de zomer van 1944 werd overgeplaatst naar Bonn.
Samel had op de Bossche Aussenstelle dus een dikke vinger in de pap. Ging het om ‘Jodenzaken’, dan verliep bijna alles via zijn bureau. Bijna alles, want Kriminalsekretär Wilhelm Stöwsand die de Postenstelle Breda bemande, werkte daar voor een groot deel zelfstandig. Hetzelfde gold voor Willy Weber op de Postenstelle Eindhoven. Beide mannen waren ijverige en gezagsgetrouwe politiefunctionarissen. Kwam Stöwsand door een anonieme brief te weten waar Joodse onderduikers zaten, dan nam hij daar onverwijld actie op. Als politieman was hij verplicht dit te doen, verklaarde hij net als Weber na de oorlog. Stöwsand bekende schuld, nam ook de verantwoordelijkheid voor de acties van zijn assistent Albert Rösener die geweld niet had geschuwd, en kreeg vanwege de arrestaties van Joden vijf jaar gevangenisstraf wegens misdrijven tegen de menselijkheid.

Anders dan Stöwsand en Weber heeft Samel zich na de oorlog nooit hoeven te verantwoorden. Hij bleef spoorloos voor justitie. Toch valt er van zijn modus operandi een beeld te vormen. Zo was Harry Holla, de eerste president van het tribunaal in ’s-Hertogenbosch dat oorlogsmisdaden moest beoordelen, stellig over hem. Samel zou, mocht hij terechtstaan, net als zijn chef Heinrich Küthe onvoorwaardelijk buiten vervolging worden gesteld. ‘Van hem zijn treffende staaltjes bekend van het begunstigen van Joden,’ aldus Holla, die zelf Joodse onderduikers had geholpen en een prominent verzetsman was.
Holla benoemt Samels ‘treffende staaltjes’ niet, maar beschrijft wel de ruimte die zijn chef Küthe hem hiervoor liet. Küthe, die naar eigen zeggen in Polen een harde tijd in de strijd tegen partizanen had gekend, vermeed in Nederland elk conflict met de illegaliteit. Hij was vooral een profiteur die in Brabant een onbezorgd leven wilde leiden. Ondertussen spiegelde hij zijn superieuren in Den Haag voor dat hij de zaken op orde had.
Priester Wouter Lutkie verklaarde dat Samel hem in augustus 1942 had opgebeld om te waarschuwen voor de dreigende arrestatie van de katholiek-gedoopte Joden, waarmee de deportaties in Noord-Brabant zouden beginnen. Ook bevatten veel dossiers in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) ontlastende getuigenverklaringen over Samel. Zij leggen een duidelijk patroon bloot: soms met medeweten van Küthe, maar altijd buiten Den Haag om, liet Samel vervolgden en verzetsmensen wegkomen. Bijvoorbeeld door de identiteit van een V-Mann (infiltrant) te lekken naar het verzet, door arrestanten de kans te geven hun verklaringen op elkaar af te stemmen, of door meldingen over (Joodse) onderduikers niet op te volgen. En soms ging hij nog verder.
In augustus 1943 ontving Samel op de Aussenstelle in Den Bosch een Joodse vrouw die hem via De Winter om een onderhoud had gevraagd. Het was een onwaarschijnlijk weerzien. Bertha Braaf-Jaffe was op het gymnasium in Tilsit Samels jeugdliefde geweest. Ze bleek later in Koningsbergen een Joodse Philips-medewerker te hebben ontmoet. Ze waren getrouwd, hadden een dochter en woonden in Eindhoven.
Samel vertelde dat hij in Polen had gediend, aldus Braaf-Jaffe. Hij had niet kunnen aanzien hoe de bevolking er moest lijden en had daarom overplaatsing aangevraagd. Zo was hij bij de Sicherheitsdienst in Brabant terechtgekomen. Samel zei het niet met zoveel woorden, maar het lijdt nauwelijks twijfel dat hij in Polen getuige was van buitenrechtelijke executies van burgers. Als lid van de SS-Standarte ‘Der Führer’ kan hij daar ook zelf vuile handen mee hebben gemaakt.

Hoewel Noord-Brabant vanaf 10 april 1943 op last van rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart Judenrein moest zijn, genoten de Joodse Philips-medewerkers en hun gezinnen in Eindhoven nog bescherming. Maar deportatie dreigde. Bertha Braaf-Jaffe smeekte Samel haar te helpen, maar hij had angst: ‘angst voor zijn superieuren in Den Haag’. Ze verzamelde al haar moed en stelde hem voor het blok. Ze zou zijn kamer niet verlaten voordat hij zijn hulp had toegezegd.
Later die maand kreeg Bertha’s man Ruben Braaf bij SOBU, de afdeling van Philips waar de Joodse medewerkers werkten, een telefoontje. Braaf vroeg meteen hierna een Passierschein aan en verliet direct het pand. Terwijl een uur later de overvalwagens arriveerden en het voltallige personeel werd afgevoerd naar concentratiekamp Vught, dook het gezin Braaf-Jaffe onder.
Philips beschermt Joodse medewerkers
Om de Joodse Philips-medewerkers te beschermen, bracht het bedrijf hen in 1941 onder in het Speciale Opdrachten Bureau (SOBU). Vanwege de Kriegswichtige Arbeit werden zij met hun gezinnen voorlopig vrijgesteld van deportatie. Philips probeerde via het Reichssicherheitshauptamt in Berlijn hun emigratie naar Zuid-Amerika te regelen. Dat mislukte en Samel kreeg het bevel hen af te voeren naar concentratiekamp Vught. Dat deed hij. Maar buiten zijn superieuren in Den Haag om strikte hij Chris Rupke, voormalig woordvoerder van de gijzelaars in Sint-Michielsgestel, om naar Berlijn te reizen en daar alsnog voor emigratie te pleiten. De poging bleef zonder resultaat.

In juni 1943 had ook Ies de Winter al gezien dat Samel weliswaar een werktuig, maar geen willig werktuig van het systeem was. Nadat twee Haagse Jodenjagers Samel erop hadden gewezen dat er op een boerderij in Rosmalen onderduikers zaten, móést hij daar wel actie op ondernemen. De twee Joodse jongens die er werden aangetroffen – negen en dertien jaar – zouden als strafgeval moeten worden afgevoerd naar Westerbork. In plaats daarvan liet Samel hen overbrengen naar de Aussenstelle en belde hij De Winter. Die moest de jongens – zijn achterneefjes – direct komen halen en in huis opnemen. Samel registreerde de jongens niet en na korte tijd bij De Winter doken zij opnieuw onder, zonder dat er nog een haan naar hen kraaide.
Terwijl Braaf-Jaffe en De Winter bekenden waren voor wie Samel zijn nek ver uitstak, was de Joodse Galinka Ehrenfest dat niet. Na haar arrestatie op een contactadres van het verzet merkte ze dat de SD-officier Samel die haar verhoorde haar een uitweg wilde bieden. Samel liet haar een schijnverhaal bedenken, dat zou aantonen dat ze niet-Joods was. Toen hij haar relaas na een aantal ‘verhoren’ overtuigend genoeg vond om een Calmeyer-procedure te starten, liet hij haar gaan. Via die procedure vocht Ehrenfest haar registratie als Jodin met succes aan (zie ook p. XX).
‘Idealisten vergeten de waarde MENSCH’
Direct na de bevrijding ging Galinka Ehrenfest op zoek naar Samel. Ze wilde voor hem pleiten als hij terecht zou staan, maar hij bleek spoorloos. Tot ze in juni 1946 post van hem ontving. De brief, geadresseerd aan ‘Anna Ehrenfest, Leiden’ kon dankzij haar bekende familienaam worden bezorgd. Galinka’s vader Paul Ehrenfest was aan de Rijksuniversiteit Leiden de opvolger van Nobelprijswinnaar Lorentz geweest.
Samel schreef Ehrenfest onder de valse naam Eldenborg; één letter verschil met de meisjesnaam van zijn vrouw (Eldenburg). Hij woonde in de buurt van Hannover. In 1950 zouden zijn vrouw en dochters zich vanuit de DDR bij hem voegen en tot zijn dood in 1959 onder dezelfde valse naam leven.
Ehrenfest en Samel begonnen een lange correspondentie, waarin ze hem ook ter verantwoording riep. Hij toonde zich wars geworden van iedere ideologie. ‘Idealisten, zoals ik ooit ook een tijdlang,’ schreef hij, ‘maken één fout: ze vergeten de waarde MENSCH.’ Het woord Mensch schreef hij bewust in kapitalen. Hij verwees ermee naar Friedrich Nietzsche, die stelde dat idealisten ten gunste van een hogere, fictieve wereld het menselijke negeren. Waarschijnlijk duidde hij hiermee ook op de betekenis van dit woord in de Joodse traditie: iemand die integer en empathisch is, en goed handelt.

Of Samel in een proces onvoorwaardelijk buiten vervolging zou zijn gesteld, zoals Harry Holla verwachtte, blijft de vraag. Net als in het proces tegen Stöwsand zou waarschijnlijk bewezen worden dat hij verantwoordelijk was voor de wederrechtelijke arrestatie van mensen, uitsluitend op basis van hun Joodse ‘ras’ en met de dood tot gevolg. Anderzijds zou hij hebben kunnen rekenen op getuigen à décharge die zouden pleiten dat hij, al dan niet op grote schaal, levens had gered.
Het geval van Benno Samel doet vermoeden dat een of twee functionarissen op een Aussenstelle van grote invloed konden zijn op de overlevingskansen van de Joden binnen het ressort. Verschil in activiteit en radicaliteit bestond ook op lokaal niveau, zo laat het Bredase voorbeeld zien. Dat vraagt om verder onderzoek: zijn de opvallende verschillen in overlevingspercentage tussen Nederlandse gemeenten mede te verklaren vanuit de motieven, de taakopvatting en het optreden van individuele Sipo/SD-medewerkers?
Meer weten:
- Gif laten wij niet voortbestaan (2004) door Marnix Croes en Peter Tammes verklaart met behulp van statistiek het verschil in overlevingskansen van Joden in Nederlandse gemeenten.
- Jodenjacht (2011) door Ad van Liempt en Jan H. Kompagnie, over politie-eenheden die waren belast met het opsporen van Joden.
- Wegens bijzondere omstandigheden… (2008) door René Kok (red.) bevat een hoofdstuk over de Jodenververvolging in Den Bosch.
