Twee eeuwen lang mishandelden en doodden witte boeren de San, de Zuid-Afrikaanse Bosjesmannen. Toen ambtenaar Louis Anthing in 1863 voor hen opkwam, werd hij in koloniale kringen weggehoond als een pathetische romanticus en inboorlingenvriendje.
Zuid-Afrika heeft twaalf officiële talen: behalve Engels, Afrikaans en gebarentaal gaat het om negen talen van de belangrijkste volken. Opmerkelijk genoeg ontbreekt de taal van de oorspronkelijke bewoners: de San, oftewel de Bosjesmannen. De reden is even tragisch als eenvoudig: de Zuid-Afrikaanse Bosjesmannen, behorend tot de |Xam taalgroep, werden in de tweede helft van de negentiende eeuw nagenoeg uitgemoord. De plukjes San die je nu nog in het land aantreft zijn voornamelijk nakomelingen van degenen die tijdens de Grensoorlog (1966-1990) door het Zuid-Afrikaanse leger werden ingezet als spoorzoekers. Zij waren vooral afkomstig uit het huidige Namibië, destijds Zuidwest-Afrika, en waren daar als ‘verraders’ niet langer welkom.
Tussen pakweg 1700 en 1890 zijn duizenden San omgekomen door toedoen van witte trekboeren, die vanuit de Kaap naar het noorden trokken om daar stukken land te claimen. Land dat tot dan toe werd gebruikt door de Bosjesmannen, die er als nomadische jagers-verzamelaars overleefden. Soms, zeker in de negentiende eeuw, boden ze verzet en brachten ze de kolonisten verliezen toe, maar hun wapens (vooral pijl en boog) waren niet opgewassen tegen de kogels van de nieuwkomers. De trekboeren trokken in ‘commando’s’ ten strijde tegen de San. De mannen gingen eraan, en hun vrouwen en kinderen werden gedwongen om als lijfeigenen te werken voor de moordenaars of hun families.

Dit artikel is exclusief voor abonnees
De schuld voor deze wandaden lag niet alleen bij de witte boeren. Ook bruine (gemengd ras) boeren en landarbeiders maakten deel uit van de commando’s. De zwarte volken waren evenmin onschuldig. De San werden door iedereen beschouwd als sta-in-de-weg bij de inname en herverdeling van zuidelijk Afrika. Met hun onbegrijpelijke kliktaal, hun getrommel op ‘rommelpotten’, hun verering van de eland en hun kleding van leren lapjes werden ze gezien als wezens die op de beschavingsladder ergens tussen mens en aap verkeerden. Waar mogelijk werden ze rücksichtslos uit de weg geruimd – soms werd er op hen gejaagd alsof het om wild ging.
De moordpartijen namen toe in intensiteit nadat het VOC-bestuur in 1777 het willekeurig doden van de San goedkeurde. De daders deden het moorden af als ‘zelfverdediging’, in de hoop dat de koloniale autoriteiten een oogje zouden dichtknijpen. Dat deden ze doorgaans ook; het gebied waar de wreedheden zich afspeelden, de frontier, lag honderden kilometers van Kaapstad, waar het bestuur zetelde. Kortom, er kraaide geen haan naar de misstanden, ook niet toen de VOC het bestuur van de Kaapkolonie moest opgeven en de Britten er vanaf 1806 de scepter zwaaiden. Dat wil zeggen, totdat Louis Anthing zich ermee ging bemoeien.
‘Bosjesmannen werden door speciale commando’s gedood’
Dankzij deze Nederlandse ambtenaar is min of meer bekend welke gruwelijkheden zich hebben voltrokken. Het was Anthing die in 1863 een bewogen brief aan het Kaapse parlement schreef waarin hij waarschuwde voor een massale slachting onder de San. ‘Gedurende de afgelopen tien jaar werd een grootschalig systeem van uitroeiing van de Bosjesmannen toegepast… Bosjesmannen werden gedood – soms door jachtpartijen, soms door commando’s die speciaal voor dat doel werden ingezet.’ Anthing wist van geen ophouden. Hij schreef ontelbare rapporten en brieven aan de autoriteiten, en werd daarmee een luis in de pels van de trekboeren.
Lodewijk Karel Antonij Anthing was in 1829 geboren in Venlo. De Anthings kwamen uit Duitsland. Louis’ grootvader was een beroepsmilitair die met en tegen Napoleon had gevochten. Uiteindelijk belandde hij als koloniaal commandant in Batavia, vergezeld van zijn zoon Johann Philipp, die als zijn adjudant fungeerde. Schepen op weg naar Batavia stopten doorgaans in de Kaap. En daar trouwde Philipp in 1817 met Charlotte Johanna Gottliebe Liesching, de dochter van een Duitse arts.

Philipp was naar het schijnt een voortreffelijk militair, maar hij overleed in 1833, toen zijn zoon Louis vier was. Charlotte keerde vijf jaar later met haar kroost terug naar haar geboorteland, de Kaapkolonie. De slavernij was intussen afgeschaft, wat het leven voor veel kolonisten, ook dat van de Lieschings, minder gemakkelijk maakte. En alhoewel de Lieschings aanzien genoten binnen de Kaapse elite, was het geen vetpot voor Charlotte en haar vier kinderen.
Dat het gezin krap bij kas zat had ook gevolgen voor de opleiding van Louis. Waarschijnlijk kreeg hij thuisonderwijs, omdat het net opgezette South African College (de voorloper van de University of Cape Town) te kostbaar was. De jonge man had opstandige impulsen, getuige het feit dat hij zich als 20-jarige bij demonstranten voegde die met succes protesteerden tegen Britse plannen om van de Kaap een strafkolonie te maken. Zijn naam werd in die context zelfs vermeld in The African Journal van 15 november 1849: ‘Mr. Anthing, that far seeing and intelligent young man.’

Kort daarna vond hij een betrekking bij de koloniale ambtenarij in Kaapstad. Na vier jaar werd hij overgeplaatst naar Springbokfontein, in het afgelegen Namaqualand, waar belangrijke kopervoorraden waren gevonden. Als magistraat kreeg hij te maken met een zekere Jacob Fluik, een van moord beschuldigde Bosjesman. Fluik vertelde hem over de moordpartijen op zijn volk, die plaatsvonden in het gebied. Anthing luisterde aandachtig en na wat verdere navorsing besloot hij om deze wandaden aan de procureur-generaal in Kaapstad, William Porter, te rapporteren.
Georganiseerde moordpartijen
Hebben de Europese kolonisten in Zuid-Afrika genocide gepleegd op de San? De wetenschappers, kibbelend over definities, zijn het er niet over eens. Maar een aantal Zuid-Afrikaanse historici, zoals Mohamed Adhikari, Nigel Penn en José de Prada-Samper, menen van wel. Volgens Adhikari bewijst de toestemming die de VOC in 1777 gaf aan de trekboeren om iedere willekeurige San te doden dat er een intentie bestond om volkenmoord te plegen. Penn spreekt van ‘genocidale wreedheden’ en De Prada-Samper schrijft dat de rapporten van Anthing, in combinatie met de niet-gepubliceerde documenten, een gedetailleerd verslag van georganiseerde en gesanctioneerde moorpartijen geven. Genocide dus.
Porter was de juiste man: rechtschapen, onbevreesd en alom gerespecteerd. De in 1805 in Ierland geboren rechtskundige was in 1839 naar de Kaap gekomen. Hij kwam uit een vooruitstrevend gezin, en gedreven door een gezonde afkeer van onderdrukking was hij de drijvende kracht achter de eerste grondwet van de Kaapkolonie, die rassendiscriminatie verbood en voorzag in gelijke stemrechten voor witte en zwarte mannen, zolang ze over bezittingen ter waarde van tenminste 25 pond beschikten. Nadat hij het schrijven van Anthing had ontvangen, beloofde Porter om een volledig rechterlijk onderzoek in te stellen. Hij was vol lof over Anthing, die hij prees om zijn ‘uitzonderlijke ijver, bekwaamheid en onafhankelijkheid’.
Strafexpedities
Anthing reisde af naar Bushmanland, zoals de noordwestelijke frontier werd genoemd, om met eigen ogen te zien wat zich daar afspeelde. Hij ontdekte dat de misdaden veel verder gingen dan hij had gedacht. Hij sprak van ‘de systematische vernietiging van een volk’, die werd uitgevoerd ‘alsof het een noodzakelijke transactie was in het koloniale leven’. Het ging niet om ‘incidenten’. Nee, volgens hem was er sprake van een weldoordacht plan tot totale uitroeiing, dat was begonnen in 1847 toen Bushmanland bij de Kaapkolonie werd gevoegd en het gebied geschikt bleek voor schapenteelt. De trekboeren streken er neer met hun vee en namen bezit van het land. De directe aanleiding voor de daarop volgende strafexpedities was doorgaans veediefstal – de Bosjesmannen zagen zich daartoe gedwongen omdat ze steeds verder in het nauw werden gedreven. Honger liet hun geen andere mogelijkheid, betoogde Anthing.
Zijn rapporten hadden niet de gehoopte impact, want in Kaapstad had zich een wisseling van de wacht voltrokken. De progressieve Porter was niet langer de procureur-generaal. En de nieuwe gouverneur, Philip Woodhouse, vond dat Anthing in Bushmanland vooral geld verkwistte en beval hem terug te keren naar Springbokfontein. In plaats daarvan besloot de koppige Hollander om met een groepje San, van wie er enkelen waren aangeklaagd wegens moord, naar Kaapstad af te reizen, in de hoop dat ze daar voor het hooggerechtshof hun zegje konden doen, zodat de waarheid bekend werd.

Porters vervanger weigerde evenwel tot strafvervolging over te gaan, en in het lokale dagblad Cape Argus werd Anthing weggehoond als een pathetische romanticus en inboorlingenvriendje. Anthing kreeg daarna te horen dat hij was overgeplaatst naar Cradock, vele honderden kilometers van Bushmanland, waar hij weinig schade kon aanrichten. Uiteindelijk hield hij de eer aan zichzelf en stapte na zestien jaar dienst op. Hij leidde daarna een zwervend bestaan, werd onder meer in Namibië en het Franse Nice gesignaleerd. Hij overleed in 1902, ongehuwd en kinderloos. Voor zover bekend zijn er geen foto’s van hem.
Kolonisten zagen de San als ‘gedoemd ras’
Wat bewoog Anthing? Waar kwam zijn empathie vandaan? Was het een reactie op het militarisme van zijn vader en grootvader? Over zijn persoonlijkheid is te weinig bekend om die laatste vraag te beantwoorden. Maar hij verkeerde in een Kaaps sociaal milieu, waarin het verlichtingsdenken gestaag doordrong. Een van de relatief vooruitstrevende Kapenaren was ambtenaar en historicus Petrus Borchardus Borcherds (1786-1871), een man die Anthing beslist heeft moeten kennen.
Borcherds was een abolitionist en een van de weinigen die zich in positieve zin over de Bosjesmannen uitlieten. Hij was er tijdens een expeditie naar de Kaapse binnenlanden mee in contact gekomen en schrijft over die ontmoetingen in zijn Autobiographical Memoir uit 1861. ‘Ze zagen eruit als ellendige stakkers, naakt en ogenschijnlijk stervend van de honger. Bevend van angst kwamen ze het kamp binnen.’
Maar zulke sukkels waren het niet, want het was een Bosjesman, behorend tot ‘het meeste woeste en barbaarse volk van zuidelijk Afrika’, die Borcherds tijdens diezelfde reis van een wisse verdrinkingsdood redde. Ook hielpen die kleine geelbruine mannen, die tot dat ‘verachte ras’ behoorden, de kolonisten toen hun vee dreigde te verdrinken. Borcherds was hun daar zeer erkentelijk voor, en maakte in zijn verslag uitgebreid melding van hun grootmoedigheid.

En dan was er natuurlijk William Porter, de door een onwankelbaar rechtvaardigheidsgevoel gedreven procureur-generaal. Ook hem moet Anthing hebben ontmoet. Anthings taalgebruik is soms bijna een echo van Porter, die de in koloniale kringen populaire theorie van San als ‘gedoemd ras’ zonder pardon had verworpen.
Anthing stemde daarmee in. De Bosjesmannen waren geen monsters, het waren mensen. Hij schreef: ‘Beweren, zoals de kolonisten aan de frontier doen, dat de [Bosjesmannen] geen beschaving kan worden bijgebracht, is hetzelfde als hun ondergang voorspellen. Het is een laster tegen het menselijk ras (…). De gewoonten van de Bosjesmannen zijn ongetwijfeld zeer barbaars, maar (hoewel ik er slechts een paar heb ontmoet) ik heb karaktertrekken ontwaard die blijk gaven van een edelmoedigheid die mij, zonder dat ik mij superieur voelde, het gevoel gaf dat zij en ik tot hetzelfde ras behoren.’
Meer weten:
- Fading Footprints: In Search of South Africa’s First People (2025) door José de Prada-Samper is een mix van memoires en historisch onderzoek.
- Cape Lives of the Eighteenth Century (2011/2012) door Karel Schoeman behandelt de Kaap tijdens de Nederlandse koloniale periode.
- Claim to the Country (2007) door Pippa Skotnes (red.), over een archief dat de orale tradities van de San samenbrengt.
