De Spaanse conquistadores of ‘veroveraars’ pochten over de grote aantallen indianen die ze in Latijns-Amerika zouden hebben gedood. Dat droeg bij aan hun gitzwarte reputatie. Toch was er vanaf het begin ook verzet tegen de manier waarop ze de inheemse bevolking behandelden.
‘Ego vox clamantis in deserto!’ Die vierde adventszondag van 1511 galmde de stem van broeder Antonio de Montesinos door het kerkje van Santo Domingo, hoofdplaats van de Spaanse kolonie Hispaniola. De kolonisten waren vol verwachting in de houten kerkbanken aangeschoven. De nieuwe dominicaanse priester kwam hun ongetwijfeld vertellen hoe zij hun inheemse bedienden het best tot het ware geloof konden brengen. Dat was de tegenprestatie die zij moesten leveren binnen het encomienda-systeem: kolonisten kregen in de Nieuwe Wereld grond toegewezen, inclusief het recht op herendiensten door hun toegewezen indianen.
Maar broeder Antonio bleek met heel andere prioriteiten uit het moederland te zijn afgereisd. ‘Ik ben een stem die het uitschreeuwt in de wildernis!’ citeerde hij de profeet Jesaja. ‘Een stem die zegt dat jullie in doodzonde leven en zullen sterven, vanwege jullie tirannieke wreedheid tegenover deze onschuldige mensen!’ De kolonisten wisten niet wat ze hoorden. Waren het nu hun eigen zielen die met verdoemenis werden bedreigd? Dit was de wereld op zijn kop.
De onverwachte oorwassing bleek echter geen eenmalige misrekening van een overenthousiaste jonge geestelijke. De daaropvolgende decennia zou de kritiek vanuit de religieuze orden op het Spaanse bestuur in de Amerikaanse koloniën almaar toenemen. De kritiek bereikte een hoogtepunt met Bartolomé de las Casas’ beruchte schotschrift uit 1542, Een kort relaas van de vernietiging van de Indiën. Met dit pamflet wilde de dominicaan de autoriteiten in het moederland tot verregaande hervormingen in de koloniën bewegen.
Dit artikel is exclusief voor abonnees

Las Casas omschreef de Spaanse kolonisten als ‘wilde leeuwen die dagen geen vlees hebben gegeten’ en de inheemse volkeren als ‘zachtaardige, vreedzame lammetjes die grazen op de groene weide’. Het geschrift viel in de noordelijker regionen van Europa in vruchtbare aarde. Daar werd al voor de Reformatie minzaam neergekeken op de Spanjaarden. Die zouden zich generaties lang hebben vermengd met Joodse en Arabische bekeerlingen tot het christendom – de zogeheten conversos en moriscos. Menig christelijk tijdgenoot beschouwde de Spanjaarden daarom als een discutabel volk van bastaardchristenen. Alle clichés over Joden en Arabieren – niet geneigd tot heilzame arbeidsdiscipline, huichelachtig, wreed, materialistisch, zinnelijk en irrationeel – werden op de Spanjaarden geprojecteerd.
En nu had datzelfde bastaardvolk in 1492 het voortouw genomen in het ontdekken, veroveren en exploiteren van het Amerikaanse continent. Vanuit protestants Europa werd dan ook met argusogen gekeken naar de Spaanse schepen vol zilver en goud die in steeds groteren getale aanmeerden op de kades van Sevilla. Met name de Engelsen trachtten op alle mogelijke manieren de Spaanse exploitatie van Amerika te ondergraven. Dat deden ze niet alleen door min of meer heimelijk Engelse piraten in de Cariben te steunen, maar ook door felle ‘anti-paapse’ propaganda te verspreiden. Het was immers paus Alexander VI geweest die in 1493 de rechten van de Spaanse Kroon op de Nieuwe Wereld had geformaliseerd.
Spaanse gruwelen
De anti-Spaanse propaganda in de Nederlanden deed daar zeker niet voor onder. Zo putten de auteurs van de Apologie van Willem van Oranje uit 1580 deels uit het werk van Las Casas. Ze verdedigden de opstandige Vader des Vaderlands onder meer door te verwijzen naar de manier waarop de ‘tirannieke, barbaarse’ Spanjaarden eerder in ‘Indië’ hadden huisgehouden. Daar zouden ze maar liefst 20 miljoen inheemsen op sadistische wijze hebben afgeslacht. Niet veel later zou de kunstenaar Theodoor de Bry de Nederlandse vertaling van Las Casas’ werk opluisteren met zijn extreem grafische uitbeeldingen van de veronderstelde Spaanse gruwelen.
Vandaag de dag staat deze beeldvorming onder historici bekend als de leyendra negra of ‘zwarte legende’. Ze vormt al langer het onderwerp van een Spaans-Amerikaanse Historikerstreit, met politieke consequenties. De vraag blijft daarom actueel hoezeer de beschrijvingen van de Spaanse priesters en noordelijke propagandisten op historische werkelijkheid berusten. En of de Spaanse kolonisatie daadwerkelijk wreder was dan die van de niet-paapse concurrentie.
Wel of geen excuses?
In 2019 eiste de toenmalige Mexicaanse president Andrés Manuel López Obrador formele excuses van de Spaanse koning én de toenmalige paus Franciscus voor de misdaden die ‘zwaard en kruis’ tijdens de conquista zouden hebben gepleegd. Spanje heeft dit tot nu toe geweigerd, met het argument dat gebeurtenissen van 500 jaar geleden ‘niet kunnen worden beoordeeld in het licht van hedendaagse maatstaven’.
Opvallend is dat uit opiniepeilingen uit 2021 bleek dat 62 procent van de Mexicanen de oproep van hun president beschouwde als een afleidingsmanoeuvre voor de stijgende moordcijfers en groeiende armoede in het land. Slechts 21 procent van de inheemse bevolking had behoefte aan excuses, tegenover meer dan de helft van de nakomelingen van Europeanen. De eerste groep hecht waarschijnlijk meer waarde aan een concrete verbetering van hun leefomstandigheden.
Daarnaast bestaat een misschien nog wel interessanter vraagstuk, dat in deze discussie doorgaans over het hoofd wordt gezien. Te weten: hoe kan het dat in het zestiende-eeuwse Spanje uitgebreid werd gediscussieerd over de rechten en het leed van de inheemse bevolkingen in de koloniën, op een wijze en een schaal die elders pas enkele eeuwen later zou plaatsvinden? Hoe valt het bijvoorbeeld te rijmen dat koningin Isabella van Castilië naar verluidt woedend reageerde toen Columbus haar, na zijn terugkeer uit Hispaniola in 1493, enkele inheemse inwoners als slaaf aanbood? En dat zij deze terugzond met de mededeling dat ‘haar onderdanen en vazallen vrije mensen zijn die niet zomaar tot slaaf mochten worden gemaakt’ en ze onmiddellijk moesten worden vrijgelaten?
Of dat studenten op de universiteit van Salamanca in 1539 in een serie lezingen van de dominicaan Francisco de Vitoria — toen een van de meest gelauwerde Spaanse intellectuelen — te horen kregen dat de Spaanse kolonisatie van ‘de Indiën’ tegen alle noties van christelijke rechtvaardigheid inging? En dat paus Alexander VI de Castiliaanse Kroon er nooit territoriale rechten had mogen geven, ‘omdat niemand iets kan geven wat hij zelf niet heeft’?
Het antwoord op al deze vragen ligt uiteraard niet in een veronderstelde Spaanse volksaard, maar in de historische realiteit van het vroegmoderne Spanje van rond het jaar 1500. Wat we nu als de natiestaat Spanje kennen, was toen een lappendeken van middeleeuwse koninkrijkjes en pas veroverde gebieden die met name bijeen werden gehouden door het katholieke geloof en de militaire dominantie van het koninkrijk Castilië. Dat koninkrijk had zijn dominante positie voor een groot deel te danken aan zijn voortrekkersrol bij de Reconquista, oftewel de ‘herovering’ van islamitisch Spanje voor de katholieke christenheid.

Dat proces was in januari 1492 succesvol afgerond met de verovering van het laatste ‘Moorse’ koninkrijk Granada door Isabella van Castilië en haar echtgenoot Ferdinand van Aragon. Kort daarop werden alle nog onbekeerde Joden van het Iberisch Schiereiland verbannen. Isabella en Ferdinand hadden, anders dan wel wordt gedacht, gemengde gevoelens over deze maatregel. Niet het minst omdat zij sterk leunden op Joodse geldschieters, die een belangrijk deel van de financiering en logistiek van de Reconquista op zich hadden genomen. En dat terwijl financiering meer dan ooit nodig was, nu met de kostbare eindsprint van de herovering de bodem van de schatkist in zicht kwam.
Een reddingsboei diende zich aan in de vorm van een Genuese zeeman die zich flink had verkeken op de daadwerkelijke omtrek van de aarde. En daarom geloofde dat hij een verkorte westelijke route naar het rijke Azië zou kunnen vinden. Deze Christoffel Columbus moet hebben geweten hoe cruciaal het katholieke geloof en het kruisvaardersethos van de Reconquista waren voor het gezag van Isabella en Ferdinand over hun gedeelde Spaanse en Italiaanse bezittingen. Vandaar dat hij zich bij zijn pitch liet ontvallen dat zij via zijn olifantenpaadje Jeruzalem en Mekka in de rug aan konden vallen, mochten ze een nieuwe kruistocht plannen. Had een heilig man niet onlangs voorspeld dat Ferdinand Jeruzalem zou heroveren?
Ook de conquistadores die in het kielzog van Columbus op het westelijk halfrond verschenen, verkochten de conquista van de Nieuwe Wereld als een naadloze voortzetting van de Reconquista. Ze waren veelal zonen van dezelfde adellijke families die hadden meegestreden om de moslims uit Spanje te verdrijven. Vaak waren dit de jongste zonen die geen erfdeel tegemoet konden zien, of afkomstig waren uit de verarmde adel van perifere landstreken als Extremadura. Deze hidalgo’s hadden ridderlijke ambities en weinig te verliezen. Ze droomden van heroïsche avonturen naar het model van de ridderromans die toen ongekend populair waren.

Bevolking afgebeuld
Overal waar de hidalgo’s kwamen, voerden ze toneelstukken op waarin de romantische queestes van de ridderliteratuur werden nagespeeld. Maar de werkelijkheid stak daar maar karig bij af. Er was goud te vinden op de Caribische eilanden, maar het lag niet voor het oprapen en er viel verder maar heel weinig te roven. Bovendien was het klimaat er zo ongunstig en het dieet zo eenzijdig, dat in de eerste tien jaar van de Spaanse aanwezigheid op Hispaniola en Cuba zo’n twee derde van de Europese migranten het loodje legde.
Maar de plaatselijke bevolking was het grootste slachtoffer. Broeder De Montesinos had niet overdreven: de lokale Taïnos werden stelselmatig afgebeuld, onder meer door de gedwongen arbeid in de goudmijnen. Ze waren slaven in allesbehalve naam. De vernietiging van hun cultuur en natuurlijke leefomgeving – zo introduceerden de Spanjaarden grootschalige veeteelt die tot dan toe onbekend was in Amerika – en daarnaast Europese ziektes waartegen de Taïnos geen enkele weerstand hadden, eisten op gruwelijke wijze hun tol. Binnen enkele decennia zou de plaatselijke bevolking vrijwel geheel uitsterven.
Azteken hadden geen weerstand
Rond 1500 was de bevolking van het Iberisch Schiereiland met twee derde afgenomen als gevolg van de pest. Die brachten de Spanjaarden niet mee naar de Nieuwe Wereld, maar een even dodelijke cocktail van onder meer de pokken, gele koorts, tyfus, mazelen, malaria, salmonella en griepvirussen. Schattingen van het aantal slachtoffers zijn onmogelijk te maken, maar het moeten er vele miljoenen zijn geweest. Hele steden en regio’s werden vrijwel ontvolkt en het duurde tot ver in de zeventiende eeuw totdat de inheemse bevolkingen een ‘natuurlijke’ weerstand hadden opgebouwd. Mede omdat veel mestiezen deze weerstand ‘meekregen’ vanuit hun deels Europese herkomst, groeide die bevolkingsgroep naar verhouding razendsnel.

Maar anders dan bij bijvoorbeeld de massamoord op de Banda-eilanden door VOC’er Jan Pieterszoon Coen van een eeuw later, waren de Spanjaarden geenszins uit op een genocide. Ze hadden de lokale bevolking juist nodig voor hun plannen. Ook ging het in tegen de uitdrukkelijke wens van de Spaanse Kroon de lokale bewoners te beschermen en te kerstenen. In 1513 werden daarom de eerste wetten uitgevaardigd die de inheemse bevolking tegen verdere uitbuiting en misstanden moesten beschermen. Zo kregen mijnwerkers het recht op veertig dagen rust na vijf maanden in de mijnen én een vrije dag op zondag. Er werden volkstellingen ingevoerd om de onheilspellende bevolkingsafname te kunnen vastleggen en uiteindelijk ook omkeren.
Maar het was te weinig en te laat. Bovendien lijken de verordeningen nauwelijks te zijn nagevolgd. Toch was er zeker wel iets in gang gezet: onder Spaanse intellectuelen in het moederland kwam een bij vlagen felle discussie op gang over de rechten en plichten van de overzeese onderdanen van de Spaanse Kroon. Met name dominicanen en franciscanen roerden zich in dit debat. Daarbij speelde eigenbelang een rol: zij waren immers door het Hof aangewezen om de kerstening op zich te nemen. Dan moest er natuurlijk wel iets te bekeren overblijven.
Ridderethiek
Het was deze intensieve katholieke bemoeienis waardoor de Spaanse kolonisatie van de Nieuwe Wereld fundamenteel anders zou maken dan die van latere navolgers als de Engelsen, Fransen en Hollanders. En dus niet in veronderstelde verschillen in wreedheid. Het geweld waarmee conquistadores als Hernán Cortés en Francisco Pizarro respectievelijk de Mexica en de Inca’s onderwierpen, was inderdaad meedogenloos en wreed. Maar niet aantoonbaar wreder dan de (post-)koloniale avonturen van hun Noord-Europese navolgers. Maar Cortés en Pizarro sneden zichzelf publicitair in de vingers door hun verslagen uitdrukkelijk te enten op de kruisvaardersliteratuur van eerdere generaties.
Precies zoals de kruisvaarders dat eeuwen voor hen hadden gedaan, overdreven zij in hun brieven en verslagen stelselmatig het aantal ‘ongelovigen’ dat over de kling werd gejaagd en de liters bloed die daarbij zouden hebben gevloeid. Zeer recent heeft een historicus de conquistadores dan ook beschuldigd ‘strategische dyscalculie’. Hoewel wij daar nu anders tegen aankijken, wilden de conquistadores op deze manier juist hun diepe vroomheid en absolute trouw aan het katholieke Hof benadrukken, geheel in lijn met de middeleeuwse ridderethiek.

Dat ethos stond in schril contrast met dat van de missionarissen die na de verovering van Ténochtitlan (Mexico-stad) door Cortés in 1521 het Amerikaanse continent zouden overspoelen. De missionarissen die keizer Karel V vanaf zijn Spaanse troonsbestijging in 1519 naar de overzeese gebiedsdelen stuurde, waren bovendien sterk beïnvloed door erasmiaanse ideeën over een terugkeer naar de ethiek en spiritualiteit van de vroege kerkvaders. Zij wilden ‘het oorspronkelijke christendom’ in ere herstellen en beschouwden de ‘indianen’ als ideaal hervormingsmateriaal. ‘In de gehele wereld heeft nooit een volk bestaan dat zo van nature is geneigd tot redding van hun ziel, als de indianen van Nieuw-Spanje,’ schreef de Franciscaanse chroniqueur Gerónimo de Mendieta.
Daar kwam bij dat de Spaanse Kroon huwelijken tussen Europese migranten en indianen aanmoedigde. Niet alleen vanwege het chronisch tekort aan Europese vrouwen, maar ook omdat dit de gewenste kerstening versnelde. Daar kwam bij dat de Spanjaarden zich bij voorkeur in bestaande steden vestigden én vrijwel alle militaire veroveringen met hulp van inheemse bondgenoten werden uitgevoerd. Zodoende mengden Europeanen en indianen zich nergens zo sterk als in de Spaans-Amerikaanse koloniën. Met het typisch Latijns-Amerikaanse fenomeen van mestizaje of ‘vermenging’ van Europees en indiaans bloed tot gevolg.

De huidige Paraguayaanse hoofdstad Asunción vormt daarvan een mooi voorbeeld. Die ontstond in 1537 toen een legertje conquistadores van hun inheemse bondgenoten zoveel vrouwen kreeg aangeboden dat ze collectief besloten van verdere veroveringstochten af te zien en zich voorgoed op die plek te vestigen. Een dergelijke gang van zaken was vrijwel ondenkbaar in de latere Engels-Amerikaanse context. De inheemse ‘naties’ vormden daar voor alles een obstakel bij de nagestreefde ‘cultivering van de wildernis door Gods uitverkorenen’. Met een strenge scheiding van de bevolkingsgroepen en verschillende uitroeiingsexpedities en -oorlogen tot gevolg.
Paradoxaal genoeg was het dus juist het officiële streven naar een ideale christelijke samenleving in de Nieuwe Wereld – als blauwdruk voor een nieuwe bloeiperiode van het universele christendom onder Spaanse leiding – dat de conquistadores publicitair de das omdeed. De Spaanse pamfletschrijvers wisten de publieke opinie in het thuisland er nooit echt van te overtuigen dat de natuurlijke en goddelijke rechten van de indianen met voeten getreden bleven worden.
Hun koloniale tegenstrevers in Engeland en de Nederlanden grepen de aanklachten dankbaar aan voor de eigen propaganda. De beeldvorming van de Spaanse veroveringen als het summum van koloniale onderdrukking, wreedheid en uitbuiting werd zo voor eeuwen vastgelegd.
Meer weten:
- Mexico (2025) door Paul Gillingham over de geschiedenis van het land.
- Conquistadores (2021) door Fernando Cervantes behandelt de context van de veroveringen.
- Empires of the Atlantic World (2020) door J.H. Elliott over de Spaanse en Britse kolonisatie van het Amerikaanse continent.
