Nederland mag weer naar de stembus voor de gemeenteraadsverkiezingen. De eerste lokale verkiezingen waren een elitaire aangelegenheid waarbij weinig stemgerechtigden kwamen opdagen. Maar in de loop van de twintigste eeuw werd de gemeente steeds belangrijker en de stembusstrijd steeds feller.
Voorafgaand aan de lokale verkiezingen van 1927 ging het communistische gemeenteraadslid Meijer Lisser ook ’s nachts op campagne. Met een emmer verf en een kwast kalkte hij er in Amsterdam op los. ‘Kies Baas’, stond er op een aanbeveling van de ARP op de Linnaeusstraat. Lisser zette er de naam van zijn leider achter. ‘Kies Baas Wijnkoop’, stond er nu. Een voorbijganger betrapte de communist en trapte de emmer met verf om, waarna er een flinke vechtpartij ontstond.
Ook lokaal was in die jaren sprake van een stevige stembusstrijd. Vertegenwoordigers van de verschillende zuilen en kandidaten van lokale lijsten probeerden zoveel mogelijk mensen achter zich te krijgen. De keuze was niet altijd even vrij. In het katholieke Zuiden waren geestelijken soms intimiderend aanwezig. Bij tussentijdse raadsverkiezingen in Maastricht in 1920 leidde dat in een stemlokaal in een volksbuurt tot een opstootje tussen een groep vrouwelijke sociaal-democraten en een pastoor. Een politieagent werkte ze uiteindelijk allemaal de straat op, waar de vrouwen De Internationale aanhieven.
Willekeur en corruptie
De eerste Nederlandse democratie was lokaal en dateert al van zeven- tot achthonderd jaar geleden. In de strijd tegen het water moest snel en resoluut kunnen worden beslist. Ook op andere terreinen kregen dorpen en steden rechten en privileges, heersers gunden hun een behoorlijke autonomie.
Tot eind achttiende eeuw kende het lokale bestuur in Nederland verschillende verschijningsvormen. In veel steden namen de vroedschappen de belangrijkste beslissingen. Daarin zitting nemen was vooral weggelegd voor mannen uit de protestantse elite. Van betaling was niet of nauwelijks sprake en bij het opvullen van opengevallen plekken speelde ons-kent-ons een grote rol. Sommige families zaten generatie na generatie aan de knoppen. Op het platteland lag veel macht bij de ambachtsheer of ambachtsvrouwe, al besteedden die veel van het dagelijkse werk uit aan de schout.

Burgers die niet rechtstreeks bij het bestuur betrokken waren, hadden slechts beperkt invloed. Ze konden hun wensen of grieven via een verzoekschrift kenbaar maken. Van een duidelijke scheiding der machten was ook nog geen sprake. De mensen die de politieke besluiten namen, spraken in veel gevallen ook recht. Willekeur en corruptie lagen daardoor op de loer.
Stemgerechtigden kwamen niet opdagen
Tijdens en na de Franse Tijd trok het Rijk meer naar zich toe. Met minder zeggenschap voor de afzonderlijke provincies kreeg Nederland meer centraal gezag, iets wat in naburige landen al gewoner was. Maar op lokaal niveau bleef veel bij het oude. Op het platteland bleven de heerlijkheden bestaan en in de steden verdeelden kiescolleges met ‘gezeten burgers’ onderling nog steeds de belangrijkste posten. Gemeenten probeerden met een wirwar aan heffingen en belastingen hun beperkte publieke taken te financieren, elk op hun eigen manier.
De economie had zich nooit aan de gemeentegrenzen gehouden en deed dat in de loop van de negentiende eeuw steeds minder. De bestuurlijke ratjetoe werkte belemmerend. Thorbeckes Grondwet van 1848 en de mede daarop gebaseerde Gemeentewet van 1851 zorgden alsnog voor meer uniformiteit.
De bestuurlijke ratjetoe werkte belemmerend
De raden werden voortaan rechtstreeks gekozen. Maar slechts een deel van de bevolking had stemrecht: alleen mannen die een minimumbedrag aan belasting betaalden. In 1851 kwam nog geen vijf procent van alle Nederlanders in aanmerking en van hen kwam vaak nauwelijks de helft opdagen om te stemmen. Soms was de opkomst slechts vijftien procent. Ten opzichte van de eerste helft van de negentiende eeuw werd gemeentepolitiek dus hooguit een beetje minder elitair.
Gemeentes trokken steeds meer naar zich toe
Thorbecke zelf zag ook niets in een raad met allerlei belangenbehartigers namens buurten en andere deelgemeenschappen. Bij debat en bestuur diende in zijn ogen slechts het algemeen belang voorop te staan. Burgers moesten indien nodig van zich laten horen via petities, niet per se door het uitoefenen van hun stemrecht.
Zeker in de kleine gemeentes bleef vooralsnog veel macht in handen van de burgemeester. Die was soms ook de gemeentesecretaris. Wethouders hadden geen eigen portefeuilles en bestuurden vaak in deeltijd. Ze waren zowel verbindende schakel als stootkussen tussen de burgemeester en de raadsleden, die meestal eens in de maand een uurtje over lokale zaken kwamen vergaderen.
Dat veranderde doordat gemeenten in de laatste helft van de negentiende eeuw en aan het begin van de twintigste eeuw steeds meer taken op zich namen: ze wilden zorgen voor betere hygiëne en huizen, voor gas en water en voor wegen en openbaar vervoer. Zelfs cultuur kwam deels op het bordje van gemeente, al was het maar om het zedelijk peil van al het getoonde in de gaten te kunnen houden.
Links maakte naam met haar wethouderssocialisme. Het denken van Machers als Monne de Miranda en Floor Wibaut begon bij wat de stad volgens hen nodig had, niet bij wat er te besteden was. Indien nodig moesten de lasten maar omhoog.

Politieke partijen kwamen sterk op. Waar raadsleden voorheen lokale kiesverenigingen vormden als ze gezamenlijk optrokken, deden ze vanaf de invoering van het algemeen kiesrecht in veel gevallen mee onder het vaandel van landelijke politieke groeperingen.
Van de gemeenteraad naar het Binnenhof
Nederland telde heel veel gemeenteraden. In 1900 waren het er 1129. In 1940 ging het om iets minder: 1059. Tegenwoordig zijn het er nog maar 342. In meer dan één opzicht liepen de raden en colleges voor op latere ontwikkelingen in de landelijke politiek. Vrouwen kregen bestuursfuncties. In september 1919 kregen het Noord-Hollandse Oostzaan en het Limburgse Valkenburg als eerste gemeenten een vrouw als wethouder.
Kleine, soms kolderieke partijen konden relatief gemakkelijk hun entree maken in een raad. Een beroemd voorbeeld is de Amsterdamse Rapaille Partij, letterlijk bedoeld als ‘blamage voor het parlementarisme’. Dankzij leuzen als ‘Vrij vissen in het Vondelpark’ en ‘Bier en jenever voor vijf cent’ kreeg de lijst veel media-aandacht. In 1921 veroverden de nummers een en twee, de zwerver Had-je-me-maar en straatcolporteur Bertus Zuurbier, een raadszetel.
Andere partijen die vanwege hun vermeende radicaliteit angst inboezemden, kregen via de gemeentelijke politiek de kans om degelijk mee te besturen. In sommige gevallen stroomden wethouders later door naar het Binnenhof, zoals de sociaal-democraat Willem Drees. Ondertussen werd de manier waarop stevige wethouders in de steden allerlei sociale nood probeerden te verminderen en hun gemeentes leefbaarder probeerden te maken een blauwdruk voor de verzorgingsstaat die na de oorlog landelijk vorm kreeg.
