In 1688 kwamen acht Rotterdamse weesmeisjes aan in zuidelijk Afrika. Ze waren bedoeld als bruiden voor de kolonisten, die naar vrouwen snakten. De meisjes wachtte een zwaar leven, al wisten sommigen het in de nieuwe samenleving ver te schoppen.
‘We hebben vrouwen nodig!’ schreef Jan van Riebeeck aan de Heren Zeventien, het centrale bestuur van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). Het was 1659, zeven jaar nadat de commandant en zijn kompanen in drie schepen naar Kaap de Goede Hoop waren gekomen om daar een verversingsstation op te zetten. Dat was inmiddels uitgegroeid tot een flinke permanente nederzetting en er was sprake van een ernstig vrouwentekort, aangezien het gros der kolonisten van het mannelijke geslacht was. Van Riebeeck verzocht om ten minste twintig huwbare Europese meisjes. Er gebeurde niets. In 1685 herhaalde gouverneur Simon van der Stel het verzoek, met dit verschil dat hij om dertig tot veertig meisjes vroeg.

Ditmaal reageerden de Heren Zeventien positief. Er zouden veertig meisjes naar de Kaap worden gezonden. Maar geschikte kandidaten waren blijkbaar niet zo gemakkelijk te vinden, want uiteindelijk stapten acht weesmeisjes uit Rotterdam in maart 1688 aan boord van het schip China om zich in zuidelijk Afrika aan een man te laten koppelen. Hun namen waren Ariaantje Jansz van Son, Willemyntje Ariens de Wit, Ariaantje Jacobsz van den Berg, Judith Jansz Verbeek, Petronella Cornelisz van de Capelle, Intjen Cornelisz van der Bout, Catharina Jansz van der Zee en Anna Eltrop.
Acht meisjes, het lijkt niks voor een kolonie die inmiddels ruim duizend inwoners telde, een druppel op een gloeiende plaat, maar ze zouden een belangrijke rol krijgen toebedeeld in de Zuid-Afrikaanse geschiedenis. Zij werden ‘de stammoeders’ van het Afrikaner volk en een van hun nakomelingen legde de grondslag voor het Afrikanerdom.
Ook brachten ze een genetisch aandoening mee, zo ontdekte de Britse arts Geoffrey Dean. Hij deed onderzoek naar porfyrie variegata, een erfelijke enzymstoornis die tot ernstige, mogelijk fatale huid-, buik- en zenuwklachten kan leiden. Dean concludeerde dat veel mensen met deze ziekte afstammelingen waren van oude Afrikaner families met Nederlandse wortels. Uiteindelijk lukte het hem om de herkomst van het gen te traceren naar vier kinderen van Gerrit van Deventer, die in 1688 in Kaapstad was getrouwd met Ariaantje Jacobsz, een van de acht Rotterdamse weesmeisjes. Na 1688 had de ziekte zich op grote schaal in de Kaap verspreid, vooral onder de witte bevolking. In het huidige Zuid-Afrika is 0,3 procent van de bevolking drager van het gen, in de rest van de wereld is het vrijwel verwaarloosbaar. Ariaantje was vermoedelijk degene die de ziekte doorgaf.
Erfelijke aandoening
Porfyrie variegata is een zeldzame erfelijke stofwisselingsziekte die ontstaat door een defect in het enzym protoporfyrinogeen-oxidase. Dit leidt tot een ophoping van porfyrinen in het lichaam, wat tot huid-, buik- en zenuwklachten kan leiden, zoals blaren en diarree, maar ook tot epileptische aanvallen en hallucinaties. De aanvallen kunnen worden uitgelokt door externe factoren zoals medicijnen, alcohol, vasten, stress of infecties. De aandoening is autosomaal dominant erfelijk, wat betekent dat een fout gen al voldoende is om klachten te veroorzaken. Porfyrie komt wereldwijd voor, maar veel vaker in Zuid-Afrika door een founder mutation uit de zeventiende eeuw.
Reis vol ontberingen
De acht weesmeisjes waren afkomstig uit het Gereformeerd Burgerweeshuis aan de Rotterdamse Goudsewagenstraat. In een officiële brief van 23 december 1687 werd benadrukt dat het achttal werd beschouwd als toekomstige bruiden voor eerlijke, bekwame en ijverige mannen die werkzaam waren in de landbouw in de Kaap. De Heren Zeventien verwachtte dat de jonge vrouwen voeling hadden met een agrarische levensstijl.
De vader van Ariaantje Jacobsz was overleden toen ze vijf maanden oud was. Haar moeder stierf toen ze acht was. Als 14-jarige kwam ze in het Gereformeerd Burgerweeshuis terecht, waar ze net als haar lotgenoten werd klaargestoomd om zelf in haar levensonderhoud te voorzien. Wezen waren een groeiend probleem in Rotterdam, deels vanwege de snelle bevolkingsgroei en deels vanwege de hachelijke VOC-reizen die zorgden voor een toenemend aantal verlaten en verweesde kinderen. Tussen 1600 en 1670 groeide de bevolking van Rotterdam van 13.000 naar 45.000 inwoners. In diezelfde periode verdrievoudigde het aantal voogdijregistraties bij de Rotterdamse weeskamer van 100 naar 300 per jaar.

De kinderen moesten werken voor de kost, op de graanmarkt en op de kades. Ze werden zelfs ingezet voor het versieren van doodskisten en het afwerken van lijken. Ook verrichtten ze naai- en breiklusjes voor de Rotterdamse burgers. Ariaantje was achttien toen ze samen met haar halfzus Willemyntje op de China stapte, klaar voor de tocht die 137 dagen zou duren.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Op het schip bevonden zich ook wat reguliere passagiers en 28 hugenotenvluchtelingen, de meesten afkomstig uit de Franse Provence. De tocht was een kwestie van overleven. Acht hugenoten overleden, onder wie vijf vrouwen. Het totale aantal doden aan boord, inclusief het VOC-personeel, liep uiteindelijk op tot twintig. ‘De nieuwkomers waren verzwakt, hadden koorts en waren ondervoed als gevolg van de ontberingen die zij gedurende de maanden op zee hadden moeten doorstaan,’ schrijft de Amerikaanse historicus Patricia Romero.
24 porseleinen borden
Op 4 augustus 1688 legde het schip aan in Kaapstad. In een brief aan de gouverneur stond: ‘Tot het huwelijk van deze jonge vrouwen is het uw plicht om hen te voorzien van het nodige levensonderhoud en huisvesting, de discipline te handhaven die u passend acht, en hun geschikt handwerk of eerlijk werk te verschaffen, zodat hun bezigheden en gedrag hun eigen vooruitgang bevorderen.’

Lang duurde deze overgangsperiode niet. Binnen twee maanden waren zes meisjes, onder wie Ariaantje, al getrouwd. Willemyntje trad op 24 december in het huwelijk, en in mei 1689 waren alle meisjes aan een man gekoppeld. De eerste baby’s dienden zich weldra aan. Veel historici hebben opgemerkt dat Nederlandse en Franse vrouwen in Kaapstad zeer vruchtbaar waren, met gemiddeld ongeveer een kind per twee jaar. Sommige vrouwen baarden elf of twaalf nakomelingen.
Binnen twee maanden waren zes meisjes getrouwd
Ariaantje trouwde met Gerrit Jansz van Deventer. Ze kregen negen kinderen, van wie Elsjie al vroeg stierf. De medische zorg was belabberd. De kolonisten waren afhankelijk van een handvol chirurgijnen die in Kaapstad praktiseerden. ‘Complicaties bij de bevalling waren onder meer stuitligging, bloedingen en kraamvrouwenkoorts,’ schrijft Patricia Romero. ‘Degenen die de koorts en de schade aan hun lichaam overleefden, hadden tijd nodig om te herstellen, maar in de meeste gevallen waren vrouwen al snel weer op de been – sommigen zelfs op de dag van de bevalling. Een probaat middel tegen de pijn was een slok brandewijn.’
Ariaantje was relatief sterk. Ze overleefde ook de pokkenepidemie van 1713, die de bevolking van de Kaap decimeerde. Haar gezin woonde op de boerderij Zoetendal in Stellenbosch, aan de rand van de koloniale nederzetting. De waarde van de inboedel werd geschat op duizend gulden – ter vergelijking: een geschoolde arbeider kreeg in die tijd 1 gulden per dag uitbetaald. De Van Deventers bezaten 25 ossen, een wagen, een ploeg en een schoffel. Ook hadden ze 24 porseleinen borden en diverse schalen, een rek voor hun theeservies en wat basismeubilair. Ariaantje was 55 toen ze in mei 1728 stierf. Haar man was een maand eerder op 61-jarige leeftijd overleden.

Haar halfzus Willemyntje kreeg zes kinderen uit twee huwelijken. Haar eerste echtgenoot Detlief Biebow kwam uit het Duitse Mecklenburg. Hij had als korporaal in het VOC-leger gediend en werd later geregistreerd als ‘vrije chirurg’. Hij stierf in 1695, kort na de geboorte van hun vierde kind. Het gezin woonde in een huis van klei, dat in een slechte staat verkeerde, in de wijk die later als Bo-Kaap bekend zou worden. Het was geen vetpot. Hun bezittingen bestonden uit een oud paard, vier ijzeren pannen en twee koperen ketels, wat tinnen voorwerpen, een oud geweer, kapot keukengerei, een verweerde kist en een tafel. Maar de twintig theekopjes en schotels duidden op de hoop dat ze verder zouden komen op de sociale ladder.
Na de dood van haar echtgenoot ging Willemyntje, alleenstaand moeder met vier kinderen van nog geen vijf jaar oud, voortvarend te werk. Binnen een maand hertrouwde ze met Jacob Pleunis, een Duitse timmerman. Qua welvaart was het een flinke stap vooruit. Na haar overlijden in 1727 werd de inventaris opgemaakt. Een enorme rode ebbenhouten linnenkast bevatte een uitgebreide verzameling chintz, zijde, wol en linnen dameskleding, inclusief talrijke handschoenen, 45 mutsen, meer dan honderd zakdoeken, tien waaiers, wat gouden sieraden en vijf kiepersolparaplu’s.
Meisjes opgeleid tot dienstmeid
In de zeventiende eeuw werden Rotterdamse weeskinderen meestal opgevangen in het Burgerweeshuis, waar zij een sober leven leidden. Ze droegen uniforme kleding, zodat hun status herkenbaar was. De sterk calvinistische opvoeding draaide om discipline, arbeid en religieuze vorming. Er werd dagelijks gebeden en kerkbezoek was verplicht. De meisjes kregen minder formeel onderwijs dan de jongens. Het accent lag op handwerken, spinnen, breien en huishoudelijke taken. Dit was zowel nuttig voor het weeshuis als ter voorbereiding op hun rol in de samenleving. Het doel was om ‘deugdzame’ vrouwen van hen te maken, die later konden werken als dienstmeid of in eenvoudige ambachten.

Zijde werd destijds alleen gedragen door zeer rijke burgers en leden van de VOC-elite. De stof was zo waardevol dat de wetgeving van 1755 het gebruik ervan voor dameskledij reguleerde: het was voorbehouden aan vrouwen van VOC-werknemers die een positie van junior koopman of hoger bekleedden. De vijf kiepersolparaplu’s waren van oosterse oorsprong en een symbool van sociale status voor het hoogste echelon van de Kaapse samenleving. De jurken van Willemyntje ‘moeten in de achttiende eeuw zowel duur als opvallend zijn geweest’, schrijft onderzoeker Liza-Mari Oberholzer. ‘Nog afgezien van de zeven zijden jurken is de kleding die in haar inventaris werd opgenomen bijzonder overdadig voor de relatief vroege fase van de vestiging aan de Kaap, want de snelle economische groei waar laat in de achttiende eeuw sprake van was, moest nog beginnen.’
De kamers van het huis van Willemyntje en haar man waren versierd met porselein, schilderijen, spiegels en andere luxe. ‘Als weesmeisje aan de Kaap gekomen, slaagde ze erin om de sociale ladder van de kleine gemeenschap te beklimmen tot het punt dat ze een rijke burgervrouw werd, compleet met symbolen van haar sociale en economische status,’ schrijft Oberholzer.
Willemyntje werd een rijke burgervrouw
Met Pleunis kreeg Willemyntje nog een zoon. Maar op emotioneel vlak liet het huwelijk veel te wensen over. In 1710 nam Willemyntje zelfs de in de Kaapse samenleving zeer ongebruikelijke stap om een echtscheiding aan te vragen. Pleunis, die door Adam Tas in diens dagboeken wordt omschreven als ‘hollebollig’, zou haar slecht behandelen. Het verzoek werd afgewezen, en bij haar dood stond Willemyntje nog steeds geregistreerd als de vrouw van Jacob Pleunis.
Een nieuwe identiteit
In de loop der eeuwen hebben de acht Rotterdamse meisjes in nationalistische Afrikaner kringen een haast mythische status gekregen: zij zijn de echte stammoeders van het Afrikaner volk. Voor het gemak worden de slaven en de inheemse vrouwen die kinderen van de kolonisten baarden hier buiten beschouwing gelaten.
En dan rest er nog de kwestie geboorte van Afrikaner nationalisme. Dat zit zo. De in 1690 geboren zoon van Willemyntje en haar eerste echtgenoot Detlief Biebow heette Hendrik. En het was Hendrik die in 1707 een aanvaring had met de autoriteiten in Stellenbosch, waarschijnlijk vanwege openbare dronkenschap. Bij zijn arrestatie riep de 16-jarige jongen: ‘Ek is ’n Afrikaan!’ Afrikaner nationalisten hebben dit altijd beschouwd als de eerste verklaring van een onafhankelijke identiteit.
De inwoners waren niet langer Hollanders of Fransen of Duitsers, maar Afrikaners, schrijft onderzoeker Liza-Mari Oberholzer. Dat betekende ‘een afscheid van de Europese herkomst en het eigenaarschap van een nieuwe identiteit, geworteld in Afrika. Dit is het moment waarop Fransen, Nederlanders en Duitsers die zich in Afrika bevonden zichzelf naar dit continent hebben vernoemd.’
Meer weten:
- The Orphan of Good Hope (2020) door Roxane Dhand is een roman over een Amsterdamse weesmeisje dat in 1683 in de Kaap arriveert.
- Pieternella van die Kaap (2000) door Dalene Matthee, over een bruine hoofdpersoon en de Nederlandse koloniale macht.
- Rogues, Rebels and Runaways (1999) door Nigel Penn bevat verhalen over minder bekende figuren van de achttiende-eeuwse Kaap.
