Donald Trump is dol op de negentiende eeuw. Van president McKinley tot president Monroe en van de corruptie van de Gilded Age tot het Manifest Destiny. Met zijn acties in Venezuela en dreigementen aan Groenland voegt hij daar nu onversneden imperialisme aan toe: het overnemen van landen om ze voor eigen gewin uit te buiten.
Trump staat in een lange traditie, want imperialisme is een oude Amerikaanse gewoonte. In de jaren 1840 wilden zuiderlingen al Cuba en delen van Mexico inlijven om hun slavenimperium uit te breiden. In 1848 verklaarde Trumps voorganger James Polk (1845-1849): ‘Ik ben zeker een voorstander van het kopen van Cuba & het een van de staten van de Unie te maken.’
Jefferson Davis, toen senator en later president van het afgescheiden Zuiden, vond dat de Golf van Mexico ‘een basis van water [was] dat toebehoorde aan de Verenigde Staten’. Polk had 100 miljoen dollar over voor de aankoop van Cuba. Toentertijd kwam er niets van terecht en stilde de burgeroorlog de Amerikaanse imperiale honger.
Amerika wilde van de Spanjaarden af
De periode van Amerikaans imperium bouwen, in koloniale stijl, kende zijn hoogtepunt na de Spaans-Amerikaanse Oorlog van 1898. Cuba was de aanleiding: de vrijheidsstrijders daar probeerden zich los te maken van het sukkelende Spaanse imperium. Amerikanen voelden zich solidair. Het was een tijd waarin het Amerikaanse voorbeeld van een levendige democratie als exportgoed nog opgeld deed. Bovendien was het jonge en ambitieuze Amerika nogal overmoedig. Het was tijd om in de eigen regio orde op zaken te stellen. Spanje was natuurlijk al lang in verval als wereldmacht, maar voor de nieuwe orde was het van belang dat het als Europese macht uit het Monroe-doctrinegebied werd verwijderd.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Toen in februari 1898 het Amerikaanse oorlogsschip Maine de lucht in vloog, waarschijnlijk door een ongeluk in de kruitkamer, was dat een mooie casus belli. President McKinley, Trumps grote voorbeeld, was allesbehalve een enthousiaste oorlogshitser. Hij aarzelde en zou veel gebeden hebben voor een andere uitkomst, maar moest uiteindelijk wel. Aangejaagd door de sensationele berichtgeving van de yellow press, het Fox News van die tijd, stortte Amerika zich in een oorlog.
Het liep uit op een fiasco voor Spanje. Voor de kust van de Filipijnen, een Spaanse kolonie in de Pacific, werd op 1 mei 1898 de slag van Manilla Bay uitgevochten. De Spaanse vloot werd daarbij vernietigd. In juni landden de Amerikaanse troepen op Cuba bij Guantanamo Bay. Een van de vrijwilligers was de onstuitbare Theodore Roosevelt, die van de inname van een heuveltje bij San Juan de marketing opportunity maakte die hem eerst gouverneur en later vicepresident en president zou maken.
Het einde van de oorlog kwam op 12 augustus 1898. Met de Vrede van Parijs kreeg de VS de verantwoordelijkheid over Cuba. Het eiland zou in 1902 onafhankelijkheid krijgen, maar altijd een soort semi-kolonie blijven, gerund door Amerikaanse financiële belangen.
Kolonialisme botst met Amerikaanse waarden
Het Amerikaanse imperium, dat in 1898 al was uitgebreid door de annexatie van Hawaii, kreeg er na de Spaans-Amerikaanse Oorlog Puerto Rico, Guam en de Filipijnen bij. De VS werd nu ‘eigenaar’ van die territoria. Voor de goede orde en de schone schijn – Amerika wilde niet op een ordinaire imperiale veroveraar lijken – betaalde de VS twintig miljoen dollar voor de Filipijnen. Zo was de VS ineens een belangrijke wereldmacht, zowel in de eigen achtertuin als in de Stille Oceaan.
De VS was een laatkomer in het koloniale spel. Het land kwam er snel achter dat de nakende twintigste eeuw minder vriendelijk zou omgaan met de eigenaars van kolonies en protectoraten.
Amerika wilde niet op een ordinaire imperiale veroveraar lijken
Belangrijker was dat het runnen van andere landen niet goed samenging met wat de Amerikanen als hun ideale export zagen: de gedachte dat het Amerikaanse idee van vrijheid en democratie universeel is en dat veel landen niet in staat zijn dat ideaal te verwezenlijken of Amerikaanse waarden te garanderen. Het zou een excuus worden voor talloze interventies, maar niet voor de zucht naar meer koloniën.
Amerika had betaald voor de Filipijnen, maar daarmee hield het niemand voor de gek. En de vraag bleef: wat moest je ermee? Kolonialisme botste immers met alles waar het land voor stond. Het zou Amerika niet goed bekomen – en de Filipijnen evenmin. Op de eilanden werd nog jaren gevochten, met onbetamelijke martelpraktijken en een voorproefje van een guerrillaoorlog. Het eindige pas toen de Filipijnen na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijk werden.
In de praktijk bleek Amerika als koloniale heerser geen haar beter dan de andere grote mogendheden. De Filipijnen waren bovendien een slechte investering, want economisch had het land niets te bieden, noch in grondstoffen, noch in afzetmarkt. Het was door de grote afstand ook lastig te verdedigen. Amerika zou er spijt van krijgen, zelfs Theodore Roosevelt kwam terug op zijn enthousiasme. Maar in eerst instantie bleek de imperiale impuls te sterk.
Amerika bleek geen haar beter dan andere grote mogendheden
Puerto Rico is nog altijd een kolonie
Puerto Rico, een eiland gelegen tussen de Dominicaanse Republiek en Sint-Maarten, is tot op de dag van vandaag een ‘unincorporated U.S. territory’. Er wonen ruim drie miljoen mensen die sinds 1917 de Amerikaanse nationaliteit hebben, maar niet alle rechten van Amerikanen – ze mogen niet stemmen in presidentsverkiezingen en hoeven geen federale inkomstenbelasting te betalen. Het Congres houdt toezicht op het eiland, ook al heeft het zelf geen vertegenwoordigers. Met 5,6 miljoen Puerto Ricanen in de VS zelf – meer dan er op het eiland wonen – gaat het om de grootste Hispanic-gemeenschap na de Mexicanen.

New York is het culturele centrum voor Puerto Ricanen, met Orlando in Florida als tweede stedelijk gebied. Er is sprake van een onafhankelijkheidsbeweging (in 1950 pleegden vrijheidsstrijders een aanslag op president Truman), en van een (kansloze) beweging die van Puerto Rico een staat willen maken. Een verandering van status zit er niet in, en als gezegd wordt dat Puerto Rico een kolonie is van de VS, dan is dat een correcte beschrijving. Het is een restant van de imperiale impuls aan het begin van de twintigste eeuw.
Guam is eenzelfde soort kolonie. Het eiland ligt in Micronesia, in het westen van de Stille Oceaan. Guam was en is een strategisch eiland voor de VS. Of beter gezegd, voor elk land dat de Pacific wil beheersen: uren na de aanval op Pearl Harbor bezetten de Japanners het eiland. Guam is tegenwoordig een basis voor Amerikaanse strijdkrachten. De 170.000 inwoners zijn Amerikaans staatsburger, zonder het recht om in federale verkiezingen te mogen stemmen.

Nu gedraagt Amerika zich opnieuw imperiaal in Zuid-Amerika en heeft Trump zijn oog op Groenland laten vallen. Met al Trumps verwijzingen naar de late negentiende en vroege twintigste eeuw, zou het juist een waarschuwing moeten zijn dat imperialisme de Amerikanen doorgaans slecht is bekomen. Het past niet bij het land.
