Home Dossiers Romeinen Cicero rouwde om zijn dochter: ‘Alle troost gaat ten onder in de pijn’

Cicero rouwde om zijn dochter: ‘Alle troost gaat ten onder in de pijn’

  • Gepubliceerd op: 10 jul 2025
  • Update 01 aug 2025
  • Auteur:
    Afke van der Toolen
Cicero aan zijn schrijftafel
Cover van
Dossier Romeinen Bekijk dossier

Zijn dochter Tullia was hem ‘dierbaarder dan zijn eigen leven’, schreef de Romeinse redenaar en politicus Marcus Tullius Cicero. Na haar dood in 45 v.Chr. bezweek hij bijna aan zijn verdriet. Toch vond hij een uitweg. 

Pal aan de westkust van Italië, op zo’n vijftig kilometer van Rome, stond het landhuis van een man die niemand wilde zien. Zijn vrouw niet, zijn vrienden niet, en zijn oude politieke collega’s al helemaal niet. Marcus Tullius Cicero leefde alleen met zijn verdriet.  

Meer historische context bij het nieuws? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang wekelijks historische duiding bij het nieuws, boekrecensies en aanbiedingen.

‘De eenzaamheid helpt een beetje,’ schreef hij aan zijn boezemvriend Atticus. Daarom bood hij weerstand aan alle oproepen uit Rome om terug te keren uit zijn isolement. En als zijn rouw niet als excuus werd aanvaard, meldde hij zich gewoon ziek. 

Een jaar eerder had Cicero nog betoogd dat het niet zinvol is om langdurig te blijven treuren om het verlies van een geliefd persoon: het was immers een voldongen feit dat alle mensen moeten sterven. Maar nu zijn eigen dochter Tullia dood was, die ‘hem dierbaarder was dan zijn eigen leven’, bleek een dergelijke stoïcijnse onthechting niet te werken.  

Cicero met Tullia
Cicero met Tullia, achttiende-eeuwse Italiaanse prent.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Begrijp het heden, begin bij het verleden: met HN Actueel leest u historische achtergronden bij het nieuws van vandaag. Nu de eerste maand voor maar 1,99.

Na haar overlijden had Cicero eerst een paar weken bij zijn vriend Atticus gelogeerd. Gek van verdriet had hij zich daar begraven in de boeken, om bij de oude Griekse wijsgeren te rade te gaan. ‘Ik las alles wat ooit door wie dan ook over het overwinnen van verdriet was geschreven,’ schreef hij. Maar wat hij zocht vond hij niet. ‘Alle troost gaat ten onder in de pijn.’ 

‘Ik geef het op. Het is voorbij’

Nu hij zich had teruggetrokken in de stilte en eenzaamheid van Astura, gooide hij het over een andere boeg. Hier greep hij zelf naar de pen, met als resultaat een boekje met de titel De Consolatione (‘Over de troost’). Daarin benadrukte hij dat niets hem tot dan toe stuk had kunnen krijgen. Niet de gevaarlijke politieke vijanden tegen wie hij zich teweer had moeten stellen, zelfs niet de verbanning uit Rome die hij had moeten doorstaan. Maar nu hij zijn geliefde dochter had verloren, was het ‘Fortuna’ alsnog gelukt: ‘Ik geef het op. Het is voorbij.’ 

Valse troost

In 1583 dook in Venetië een werk op dat meer dan duizend jaar eerder verloren was gegaan. Voor het eerst was weer het boek te lezen ‘waarmee Cicero zich had getroost na de dood van zijn dochter’, zoals de titelpagina het verwoordde. Het kreeg meteen een plaatsje in Cicero’s nog bestaande oeuvre. Immers, de stijl was goed ciceroniaans, de inhoud klopte met wat Cicero elders had geschreven over het onderwerp, en alle overgeleverde fragmenten stonden erin. Toch waren er ook twijfelaars, en die wonnen in later eeuwen langzaam maar zeker terrein. In 1999 gaf een tekstanalytisch computerprogramma hun gelijk. Tegenwoordig wordt aangenomen dat de Italiaanse humanist Carlo Sigonio de vervalser was, of anders iemand uit zijn omgeving. 

Ze was zijn oogappel 

Marcus Tullius Cicero (106-43 v.Chr.) is de geschiedenisboeken ingegaan als de grootste redenaar van zijn tijd. Begonnen als jurist, doorliep hij een steile politieke carrière. Hij streed tegen het populisme, legde corruptie bloot, verhinderde een staatsgreep, en verdedigde de oude idealen van de stervende Republiek tegen de opkomende autocratie. 

Maar ook was hij een man met een huiselijk leven. Cicero was midden twintig toen hij trouwde, en Tullia was zijn eerste kind. Zij werd zijn oogappel. In brieven aan familie en vrienden noemde hij haar steevast ‘Tulliola’, een troetelnaampje dat zoiets als ‘Tulliaatje’ betekende. 

Tullia
Tullia, zestiende-eeuwse gravure.

Cicero als enthousiaste papa – het is even wennen. Maar hij was dat toch echt. Neem het volgende tafereeltje: Cicero die zijn vriend Atticus zit te schrijven over wat praktische zaken, en dan ineens plaats inruimt voor een dringende boodschap van zijn toen ongeveer 8-jarige dochtertje: ‘Tulliola eist het cadeau op dat je haar had toegezegd, en heeft mij gedagvaard als borg. Maar ík zou liever niet degene zijn die deze schuld voldoet.’ Drie maanden later – Atticus blijft kennelijk nog steeds in gebreke – is Cicero er weer op uitgestuurd: ‘Tulliola laat weten een rechtsvordering tegen je in te stellen.’ 

Of het meisje nu werkelijk zulke juridische terminologie van hem had opgepikt, of dat hij haar kinderlijke eis eigenhandig zat op te leuken: je zíet hem bijna glimlachen terwijl hij deze woorden schrijft. Dit is nu even niet die grote, belangrijke man. Dit is een vader. 

Praktische kijk

Niet lang na Over de troost begon Cicero aan een boek dat in het verlengde daarvan ligt: Gesprekken in Tusculum. Ook hierin buigt hij zich over thema’s als pijn en verdriet, maar nu meer als filosoof dan als rouwende vader. Hij vertelt hierin hoe verschillende Griekse filosofische scholen over zulke onderwerpen dachten, maar laat ook zien dat hij een eigen, vaak praktischer kijk had. De epicureeërs zagen pijn bijvoorbeeld als het allerergste kwaad, terwijl de stoïcijnen het wegredeneerden tot iets dat niet bestond. Absurd, vond Cicero: er zijn ergere dingen dan pijn, maar het bestaat wel degelijk, het doet immers zéér. ‘Het vraagstuk is niet zozeer of pijn al dan niet een kwaad is, maar hoe wij ons mentaal sterk genoeg kunnen maken om pijn te verdragen.’ 

Gesprekken in Tusculum
Vijftiende-eeuwse uitgave van Gesprekken in Tusculum.

Het cliché wil dat dochters in oude tijden minder gewenst waren dan zoons, omdat ze geen geld inbrachten maar wel van een bruidsschat moesten worden voorzien. Dat mag waar zijn geweest voor minder bedeelde gezinnen, maar in de maatschappelijke bovenlaag van de Romeinse republiek was de economische last van dochters minder een probleem. Daar kon een meisje als Tullia zorgeloos door haar vader op handen worden gedragen. 

Maar kleine meisjes worden groot, en toen Tullia de puberteit bereikte, gingen andere belangen meespelen. Cicero was ambitieus. In de politieke kringen waarin hij zich bewoog was het smeden van allianties van onschatbaar belang, en onderlinge huwelijksbanden speelden daarbij een grote rol. Vaders beloofden elkaar hun zoons en dochters als die nog heel jong waren – en zo kon het gebeuren dat Tullia rond haar zestiende trouwde met een veelbelovende jongeman met goede connecties, en het ouderlijk huis verliet. 

Geestverwant

Toch bleef er nauw contact bestaan tussen vader en dochter. Tullia vergezelde haar vader op een inspectiereis langs zijn verschillende landgoederen, er waren logeerpartijen, en in zijn brieven heette zij nog steeds ‘Tulliola’. Cicero had inmiddels ook een zoon, maar Tullia bleef zijn lieveling. De vader-dochteridylle werd in 58 v.Chr. abrupt onderbroken. Cicero’s politieke vijanden slaagden erin hem hardhandig weg te werken. Zijn huis in hartje Rome werd platgelegd, zijn bezittingen verbeurd verklaard, en hijzelf vertrok als balling naar Griekenland. 

Vrouwen in gesprek. Fresco uit Pompeï
Vrouwen in gesprek. Fresco uit Pompeï, eerste eeuw na Christus.

Vijf jaar daarvoor was hij nog consul, nu was hij een politieke paria. ‘Ach, ik ben helemaal verloren! Wat ben ik er vreselijk aan toe!’ schreef hij kort na vertrek. Maar ook: ‘Hoe moet het verder met Tulliola?’ Hij maakte zich zorgen over haar bruidsschat, die hij nu niet kon afbetalen: ‘Hoe alles ook gaat, het huwelijk en de goede naam van dat arme meisje moeten absoluut voorop staan.’ 

Los van de praktische zorgen miste hij haar deerlijk. Tullia was inmiddels rond de twintig. Geen klein meisje voor wie hij in een lollige bui ‘rechtsvorderingen’ overbracht, maar een jonge vrouw. Tijdens zijn ballingschap beschreef hij haar als liefhebbend en bescheiden, traditioneel hooggewaardeerde ‘vrouwelijke’ kwaliteiten, maar ook als scherpzinnig. Meer nog: ‘Ze is mijn evenbeeld in uiterlijk, in manier van praten, en in denken.’ Cicero was zijn dochter als geestverwant gaan zien. 

‘Ze is mijn evenbeeld in uiterlijk, in manier van praten en in denken’ 

Thuis in Rome deed Tullia het nodige om haar vader te helpen. Haar man had een invloedrijk familielid, bij wie ze samen Cicero’s zaak bepleitten. En ook met haar moeder lobbyde ze voor Cicero’s terugkeer. Vrouwen hadden weliswaar maatschappelijk een begrensde rol, maar dat belette dit soort activiteiten niet: binnen de hogere sociale kringen waartoe zij behoorden konden ze zich vrij bewegen. Over en weer op visite bij de vrouwelijke verwanten van invloedrijke mannen, en waar mogelijk ook die mannen zelf aanspreken – zo kon je als Romeinse dame een diplomatiek spel op de achtergrond spelen.   

Uiteindelijk stemde de senaat in met Cicero’s terugkeer. Na anderhalf jaar afwezigheid zette hij voet aan vaderlandse grond in Brundisium, in de hak van de ‘laars’. Eén persoon had de lange reis gemaakt om hem daar op te wachten: Tullia. 

De jaren die hun samen restten waren loodzwaar. Tullia werd weduwe; Cicero moest machteloos toezien hoe het op republikeinse waarden gestoelde Rome in handen kwam van een militair driemanschap. Tullia’s tweede huwelijk eindigde in een scheiding; Cicero ontvluchtte Rome vanwege een burgeroorlog tussen generaals Julius Caesar en Gnaeus Pompeius. Tullia sloot tegen haar vaders advies in een volgend, ongelukkig huwelijk met een Caesar-aanhanger; Cicero sloot zich met frisse tegenzin aan bij Pompeius, omdat hij in Caesar nu eenmaal het grotere kwaad zag. 

Caesar steekt de Rubicon over
Caesar steekt de Rubicon over. Schilderij door Adolphe Yvon, 1875.

Politiek waren vader en dochter het niet altijd eens, in deze gevaarlijke periode, maar tot een breuk leidde dat niet. Ze discussieerden erover, dat wel. Bij Cicero groeide zelfs een nieuw respect voor zijn dochter. ‘Haar moed is fantastisch,’ schreef hij aan Atticus. Opmerkelijk genoeg gebruikte hij hier het woord ‘virtus’, destijds een van de grote mannelijke deugden. Met uitroeptekens benadrukte hij hoe goed zij zich hield in een tijd waarin de wereld op z’n kop stond, en hij besloot: ‘Er is liefde, er is de grootste sympathie.’ 

In 48 v.Chr. won Caesar de burgeroorlog, en werd alleenheerser over het Romeinse rijk. Cicero, die altijd had gelééfd van het publieke debat, die zich in het politieke hart van Rome als een vis in het water had gevoeld, was nu politiek uitgerangeerd. Vervolgens liep ook nog zijn huwelijk van dertig jaar stuk. Hij hertrouwde uiteindelijk wel, maar die relatie stelde niet veel voor. 

Tegelijkertijd moest hij toezien dat zijn dochter Tullia ook ongelukkig was. Haar derde huwelijk was een mislukking, en er waren periodes dat ze apart leefde van haar man, en haar toevlucht zocht tot haar vader. Dit zouden de laatste jaren van haar leven worden. Jaren vol onrust en verlies – maar vader en dochter hadden in ieder geval elkaar. Uiteindelijk trok Tullia zelfs bij Cicero in. Ze was zwanger, en in januari 45 v.Chr. baarde ze een zoontje. Eerst leek Tullia de bevalling goed te hebben doorstaan, maar een paar weken later stierf ze alsnog, volkomen onverwacht. 

Bevrijdende huilbuien 

Voor Cicero was dit de ultieme klap, en hij werd overweldigd door een ondraaglijk verdriet. Er waren mensen die dat overdreven vonden. Een kennis schreef hem dat het verlies van een kind toch niet zoveel meer uitmaakte, na alles wat hij al kwijt was geraakt. Anderen lieten weten dat zijn rouw nu echt wel lang genoeg had geduurd. Cicero kon niets met dat soort frases, het maakte hem alleen maar boos. ‘Niet rouwen? Hoe is dat mogelijk!’ raasde hij. 

‘Niet rouwen? Hoe is dat mogelijk!’ 

En zo kwam het dat hij zich nestelde in zijn afgelegen landhuis in Astura, waar hij zich voor alles en iedereen afsloot. In zijn eentje ging hij op zoek naar een ‘geneesmiddel voor deze aandoening’, zoals hij het later zou noemen. 

Hij schreef, veel en intensief. Weliswaar onderbroken door onbedaarlijke huilbuien, maar ‘het is in elk geval afleiding,’ vertelde hij zijn vriend Atticus. Natuurlijk niet genoeg, voegde hij eraan toe, maar het werkte bevrijdend. Cicero kende het advies van de oude Griekse stoïcijnen, om zoiets niet te doen zolang de emoties overheersten. Want dan kwam er toch niets zinnigs uit. Maar wat moest hij dan? ‘Soms denk ik juist dat het verkeerd zou zijn om het níet te doen.’ 

Vertaling alle brieven

Marcus Tullius Cicero correspondeerde met veel leden van de Romeinse elite. Bijna duizend brieven zijn bewaard gebleven. Een vertaling daarvan, Ik en Rome. Alle brieven, verschijnt in oktober bij uitgeverij Van Oorschot, 1444 p., € 99,-. 

Het resultaat van deze arbeid, Over de troost, was het eerste boek over dit onderwerp in de Romeinse literatuur. Het verwierf bekendheid; andere ‘troostauteurs’ als Seneca borduurden erop voort. Maar een paar eeuwen later zou het verloren gaan, op enkele door anderen overgeleverde fragmenten na. Zoals deze: ‘Niet geboren te worden en tegen de rotsen van het leven te worden gesmeten, dat is duidelijk het beste.’ 

Cicero krijgt bericht van de dood van zijn dochter
Cicero krijgt bericht van de dood van zijn dochter, zestiende-eeuwse miniatuur.

Hoe groot zijn verdriet nog was, blijkt ook uit een opmerkelijk plan waarover hij in dit boek schreef. Cicero, man van de rede toch, haalde het in zijn hoofd om een heiligdom voor zijn dochter te bouwen. ‘Dit zal ik doen: ik zal jou, de allerbeste en allerverstandigste van allemaal, met de goedkeuring van de onsterfelijke goden in hun gezelschap plaatsen.’ Echt dood mocht Tullia nog steeds niet zijn. Ze moest voor haar rouwende vader voortleven als een eeuwige godin. Cicero bleef nog een tijdlang met dit idee spelen. Hij dacht na over geschikte locaties, en nam zelfs iemand in de arm om bouwtekeningen te maken. Maar uiteindelijk liet hij het plan varen. 

Waarschijnlijk was het ook niet meer nodig. Het maken van Over de troost had inderdaad bevrijdend gewerkt. Zoals hij aan vriend Atticus schreef: ‘Ik heb iets gedaan wat niemand voor mij heeft gedaan: ik heb mezelf getroost door te schrijven.’ 

Meer weten:

  • Terentia, Tullia and Publilia (2007) door Susan Treggiari schetst een beeld van de vrouwen in Cicero’s familie. 
  • Troost bij rouw (2023) door Pseudo-Cicero, vertaald door Jan Bloemendal, is een zestiende-eeuwse reconstructie van De Consolatione 
  • Gesprekken in Tusculum (1980) door Marcus Tullius Cicero, vertaald door Cornelis Verhoeven, is de opvolger van De Consolatione. 

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 7/8 - 2025

Loginmenu afsluiten