Home Dossiers De Oudheid Cicero’s verzet tegen dictator Julius Caesar

Cicero’s verzet tegen dictator Julius Caesar

Met lede ogen moest de Romeinse senator Cicero aanzien hoe Julius Caesar zich tot een tiran ontpopte. En hoe alle republikeinse waarden verloren gingen. Daarom bedacht hij een opvallende vorm van protest.

Cicero’s verzet tegen dictator Julius Caesar
‘Hoelang wil je ons geduld misbruiken?’ Cicero (links) ontmaskert Lucius Catalina (rechts) als samenzweerder. Schilderij door Cesare Maccari, 1889.

Afke van der Toolen

Schrijver en journalist

Gepubliceerd op: 19 maart 2019

Update 28 september 2026

Colosseum
Dossier De Oudheid Bekijk dossier

Het leek wel vriendschap. Toen Julius Caesar zich had losgemaakt uit de armen van zijn geliefde Cleopatra en naar Italië terugkeerde, wachtte Marcus Tullius Cicero hem in Brundisium op. En Caesar deed al net zo aardig; die klom uit zijn wagen om hem hartelijk te begroeten. ‘Hij liep al kletsend een eind met hem op,’ rapporteerde de historicus Plutarchus.

Dit artikel krijg je van ons cadeau

Wil je ook toegang tot HN Actueel? Hiermee lees je dagelijks geschiedenisverhalen met een actuele aanleiding op onze website en ontvang je exclusieve nieuwsbrieven. Sluit hier een abonnement af en je hebt direct toegang.

Maar achter dat gemoedelijke tafereeltje school een grimmige werkelijkheid. Caesar was de verpersoonlijking van een nieuw, voor velen angstaanjagend verschijnsel: dat van dictator. Vlakbij lag zijn oorlogsvloot, die korte metten had gemaakt met zijn grootste rivaal, Pompeius, de laatste verdediger van de republiek.

Cicero, ooit consul en nog steeds senator, liep naast hem als een machteloze smekeling. Hij kon niet zeker zijn van zijn leven, want niet alleen was hij een fervent aanhanger van de oude waarden van de republiek, hij had ook in het legerkamp van Caesars vijanden verkeerd.

Daar liepen, kortom, twee absolute tegenpolen. Ideologische aartsvijanden. Nu waren ze dat in de grond altijd al geweest, maar nog nooit lag het zo scherp als op deze septemberdag in 47 v.Chr. Nooit eerder ging het om leven en dood.

Cicero (midden) verdedigt Quintus Ligarius (links) tegenover Caesar. Schilderij door Abel de Pujol, 1808.

Welnu, Cicero kon opgelucht ademhalen: Caesar trad hem als vriend tegemoet, alsof er helemaal niets was gebeurd. Toch zal het geen ontspannen wandelingetje voor hem zijn geweest. Want zijn leven was dan wel gespaard, maar hoe moest het nu met zijn politieke idealen?

Hachelijke vraag

Niet lang daarvoor had hij geschreven: ‘Veel wijze mannen hebben in Athene en Syracuse onder tirannen geleefd, terwijl ze hun vrijheid behielden.’ Als zij dat konden, moest het hem dan ook niet lukken? Maar hoe? Wat kon een rechtminnend politicus nog onder het juk van een sterke man? Dat was de hachelijke vraag waarmee Cicero de jaren daarop dagelijks zou moeten leven. En waarop hij telkens weer een ander antwoord vond.

Caesar was niet uit de lucht komen vallen. De republiek stond al langer onder druk. Er was een kleine elite die zich aan zelfverrijking wijdde – ‘visvijverbezitters’ in de volksmond, naar de mode om er kostbare privéviskwekerijen op na te houden. Daartegenover stond een veel grotere groep mensen zonder bezit. De groeiende sociale onrust die hieruit voortkwam voedde een populistische politiek, die de autoriteit van de senaat inmiddels al tijden ondergroef.

Plutarchus schreef later dat de republiek ‘ronddobberde als een schip zonder stuurman’. Dat leidde uiteindelijk tot de roep om een sterke man. ‘Weldenkende mannen konden ermee leven als de situatie voor hen op niets ergers uitliep dan monarchie. Velen durfden zelfs in het openbaar te zeggen dat niets anders dan monarchie de ziekten van de staat kon genezen.’

Krankzinnig, voor wie Romes verleden erop nasloeg. De republiek was nu juist opgetuigd om een einde te maken aan de alleenheerschappij van de koningen. Niet voor niets hadden de Romeinen eeuwen eerder bedacht dat de macht moest worden verdeeld over twee kortzittende consuls, met daartegenover een sterke senaat. Volgens Cicero was dit ‘het meest wijze en evenwichtige systeem, uitgedacht door onze voorouders’. En inderdaad had deze staatsinrichting de binnenlandse rust eeuwenlang gewaarborgd, en bleef de dictatuur buiten de deur.

Machtsbasis

Caesars bedoelingen waren al heel lang duidelijk, al had Cicero het eerst nog niet willen geloven. ‘Als ik naar zijn kapsel kijk, dat zo bijzonder is gecoiffeerd, en hem met één vinger aan zijn hoofd zie krabben, kan ik me niet voorstellen dat deze man ooit de grote misdaad zal verzinnen van het omverwerpen van de Romeinse constitutie.’

Zijn hele volwassen leven lang had Caesar gewijd aan het uitbouwen van zijn machtsbasis, zowel bij het volk als bij het leger. In het jaar 50 was het zover. Toen hij terugkeerde uit Gallië, waar hij jarenlang de baas had kunnen spelen, was hij niet meer van plan om de macht te delen. Hij rukte op naar Rome met het overduidelijke doel om de alleenheerschappij op te eisen.

Vanaf dat moment kon ook Cicero niet anders meer dan de waarheid erkennen. ‘Caesar heeft nooit ofte nimmer ook maar een schaduw van het goede gezien,’ schreef hij. ‘O, die laaghartige bandiet!’

Buste van Cicero.
Buste van Cicero.

Toch bleef hij eerst nog hoop houden. Wie weet viel het mee. Misschien zou Caesar zich ontpoppen als een redelijke, milde alleenheerser, met wie best te praten viel. Maar tegelijk groeide de twijfel. ‘Moet men in zijn vaderland blijven, als dat door een tiran wordt overheerst?’

Uiteindelijk voegde hij zich bij het leger van de zelfbenoemde verdediger van de republiek, generaal Pompeius. Niet dat hij erg geloofde in diens nobele bedoelingen, maar één ding wist hij zeker: Caesar was erger. Het was een keuze tussen een zekere en een potentiële dictatuur.

Maar nu was dan toch het ergste gebeurd. Caesar was de absolute overwinnaar. En hier liep Cicero dan, naast juist die man. Die bandiet. Die tiran. Degene die alles kapotmaakte waar Cicero hartstochtelijk in geloofde.

Als het om zijn leven ging, kon hij opgelucht ademhalen, dat wel. Het feit dat Caesar een ommetje met hem maakte, betekende genade, duidde op verzoening. Aan de ene kant verwachtte de grote man daar vast enige loyaliteit voor terug. Aan de andere kant opende het voor Cicero de weg om te redden wat er te redden viel. Hij weigerde namelijk zich neer te leggen bij het onvermijdelijke. Nog steeds wilde hij strijden voor de republiek. ‘Ik koester uiteraard geen hoop meer voor wat vernietigd is,’ schreef hij rond die tijd, ‘maar wel voor de restanten.’

Tovenaar met woorden

De vraag was: wat kon hij nog in deze nieuwe situatie? Had hij nog speelruimte? Wat was zijn wapen? Maakte hij een kans? Anders dan Caesar had Cicero geen militaire macht. Maar hij had wel de beschikking over een gevreesd wapen: hij was een tovenaar met woorden. Alom gold hij als de beste spreker in Rome. Hij was de politicus die verbaal jongleerde als geen ander, die geen blad voor de mond nam als het hem zo uitkwam, die snijdende humor paarde aan hooggestemde idealen, die juridisch jargon afwisselde met de meest platvloerse vormen van verbale karaktermoord, alsof het niets was.

Hij was zelfs zo goed van de tongriem gesneden dat hij er een eerdere machtsgreep mee had voorkomen. Want Caesar was niet de eerste die een couppoging deed, Lucius Sergius Catalina was hem zestien jaar voor. Cicero, op dat moment consul, kwam er bijtijds achter, en besloot Catalina in de senaat te ontmaskeren. Al vanaf de eerste woorden beukte hij er keihard in. ‘Hoelang nog, Catalina, wil je ons geduld misbruiken? Hoelang zal je krankzinnigheid ons nog voor de gek houden? In hoeverre zul jij je met je teugelloze brutaliteit nog opschepperig gedragen?’ Waarna hij de nu nog steeds beroemde uitroep slaakte: ‘O tempora, o mores!’ Wat een tijden, wat een zeden!

Tegen Cicero’s verbale machtsvertoon in de senaat bleek Catalina’s samenzwering niet bestand. En toch, toen hij na die wandeling met Caesar in de senaat terugkeerde, was het woord niet het wapen dat hij trok. Wég was de grote redenaar, opgelost in het niets. In plaats daarvan gebruikte Cicero nu een heel ander wapen. Hij nam plaats in de inmiddels tandeloze senaat, en… zweeg.

‘Men mag weliswaar niet zeggen wat men denkt, maar zwijgen mag men wel,’ schreef hij in die tijd. Een zwijgende Cicero! Dat zal heel wat tongen zal hebben losgemaakt. En iedereen zal onmiddellijk hebben gesnapt wat hij ermee wilde zeggen – in die zin was de stille Cicero niet eens zoveel minder welsprekend dan de Cicero die wel zijn mond opendeed.

Te mooi om waar te zijn

Cicero’s stilte duurde lang. Pas een jaar na de wandeling in Brundisium was zijn stemgeluid weer in de senaat te beluisteren. Hij had een gaatje in Caesars harde opstelling bespeurd, en daar sprong hij in.

Collega-senatoren hadden Caesar verzocht om zijn grootste vijand, Marcus Claudius Marcellus, genade te verlenen. De dictator weigerde eerst, maar zwichtte ineens toch. Iedereen blij en dankbaar. Ook Cicero, die een glimp ontwaarde van weer meer zeggenschap voor de senaat. Zijn eerste woorden luidden: ‘Aan het langdurig stilzwijgen, heren senatoren, dat ik in acht heb genomen – niet uit vrees, maar zowel uit treurnis als uit terughoudendheid – heeft deze dag een eind gemaakt. En tegelijk is dit een begin: de eerste dag waarop ik weer volgens mijn oude gewoonte openlijk uiting geef aan mijn gedachten en gevoelens. Want aan zoveel mildheid, aan zulk een ongewone, ongekende clementie, aan zo’n matiging – en dat bij het bezit van de allerhoogste macht -, ja, aan een zo ongelooflijke, welhaast bovenmenselijke wijsheid kan ik geenszins stilzwijgend voorbijgaan.’

Dit klinkt allemaal bijna te mooi om waar te zijn. Echt ‘uiting aan zijn ware gedachten en gevoelens’ gaf Cicero dan ook niet. Hier stond een geslepen politicus die van alles wist te zeggen zonder dat hij het letterlijk zei. Al die mooie woorden dienden maar één doel: een poging Caesars plotselinge toegeeflijkheid wat verder op te rekken.

Legendarische staatsman. Standbeeld van Julius Caesar in Rome. Op de achtergrond de Santi Luca e Martina.
Legendarische staatsman. Standbeeld van Julius Caesar in Rome. Op de achtergrond de Santi Luca e Martina.

‘Het is aan u, Gaius Caesar, aan u alleen, om alles wat door het oorlogsgeweld onvermijdelijk omvergeworpen is en platligt weer op te bouwen. De rechtsorde en de financiën moeten hersteld worden, en de decadentie aan banden gelegd.’ Hij voegde er nog een warmmakertje aan toe: niet Caesars oorlogstriomfen zouden hem eeuwige roem schenken, maar het herstel van de teloorgegane republiek.

Helaas, hij had net zo goed kunnen blijven zwijgen. Zijn lange, doorwrochte redevoering was aan dovemansoren gericht. Caesar was helemaal niet van plan de republiek te herstellen en peinsde er niet over om ook maar enige macht aan de senaat af te staan.

Integendeel, in de tijd die volgde namen zijn zelfverheerlijking en machtswellust juist steeds duidelijker vormen aan. Zozeer dat zelfs Cicero, die was blijven hopen waar anderen het allang hadden opgegeven, inzag dat van deze dictator niets goeds te verwachten was. En toen Casear ook nog een standbeeld van zichzelf liet oprichten, pal naast dat van de oude koningen, wist ook hij dat er echt niets meer te redden viel. De republiek niet, en ook de restanten ervan niet.

Hij stak hierna nog wel enkele grote, beroemde redevoeringen af in de senaat. Toespraken vol omwegen, want anders spreken kon nu echt niet meer. Weliswaar waren zijn omfloerste woorden soms zo scherp dat Caesar van kleur verschoot, maar aan de loop van de geschiedenis konden ze niets meer veranderen. Caesar werd in 44 v.Chr. vermoord, maar de teerling was allang geworpen. Rome was de weg naar een nieuw royalistisch tijdperk op gegaan, en werd nooit meer een democratisch functionerende republiek.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 4 - 2019

Nieuwste berichten

Columnist Philip Dröge
Columnist Philip Dröge
Column

De eindeloze negentiende eeuw

Als historici ergens eindeloos over kunnen kibbelen, dan is het wel over de vraag wanneer een eeuw precies begint of eindigt. Beroemdheden als Richard Evans, Margaret MacMillan en zelfs onze eigen Maarten van Rossem kunnen met bewonderenswaardige ernst betogen waarom bijvoorbeeld de eenentwintigste eeuw nog niet werkelijk is begonnen – of waarom het ding al...

Lees meer
Franse keizer Napoleon III beschermde de paus tegen zijn Italiaanse vrienden
Franse keizer Napoleon III beschermde de paus tegen zijn Italiaanse vrienden
Artikel

Franse keizer Napoleon III beschermde de paus tegen zijn Italiaanse vrienden

Paus Leo XIV bezoekt dit weekend Frankrijk, een land waarmee het Vaticaan van oudsher een ‘speciale relatie’ heeft. De Franse keizer Napoleon III beschermde van 1848-1870 de toenmalige paus tegen Italiaanse nationalisten die de Kerkelijke Staat wilden inlijven. Die nationalisten waren ondertussen zijn vrienden. Een openluchtmis op de Champs-Élysées, een ‘jongerenwake’ in het Stade de...

Lees meer
De oudst bekende afbeelding van een kanon in een Nederlands manuscript, circa 1400-1430
De oudst bekende afbeelding van een kanon in een Nederlands manuscript, circa 1400-1430
Interview

De ‘tanks van de Middeleeuwen’ werden ingehaald door nieuwe wapens

Tijdens een militaire oefening schakelden Oekraïense drones deze zomer met gemak Amerikaanse pantserdivisies uit. Ook aan het Oekraïense front geven de onbemande vliegtuigjes gewone soldaten een fighting chance tegen Russische tanks. Conservator Casper van Dijk van het Nationaal Militair Museum ziet parallellen met de opkomst van vuurwapens. ‘Edellieden met dure harnassen, de tanks van de...

Lees meer
Het Joegoslaviëtribunaal heeft de historische waarheid niet achterhaald
Het Joegoslaviëtribunaal heeft de historische waarheid niet achterhaald
Onderzoek

Het Joegoslaviëtribunaal heeft de historische waarheid niet achterhaald

Enkel de waarheid zou als winnaar uit de strijd mogen komen. Met die ambitie begon het Joegoslaviëtribunaal (ICTV) in 1993 aan zijn taak. Maar het is er niet in geslaagd de historische waarheid over de Joegoslaviëoorlogen eenduidig te schetsen. Dat concludeert historicus en journalist Petar Finci in zijn proefschrift, dat hij op 23 september verdedigde...

Lees meer
Loginmenu afsluiten