Home Dossiers Israël en de Palestijnen Israël kon de Zesdaagse Oorlog niet verliezen

Israël kon de Zesdaagse Oorlog niet verliezen

  • Gepubliceerd op: 19 juni 2017
  • Laatste update 27 mei 2024
  • Auteur:
    Maurice Blessing
  • 12 minuten leestijd
Zesdaagse oorlog
Slachtoffers tijdens de Jom Kippoeroorlog tussen Israël en de Palestijnen
Dossier Israël en de Palestijnen Bekijk dossier

In 1967 had de Israëlische regering een oorlog nodig om de landsgrenzen te verleggen. Toen de Arabische buurlanden zich provocerend gedroegen was een casus belli snel gevonden. Zo brak de Zesdaagse Oorlog uit – een strijd die Israël niet kon verliezen.

Op maandagochtend 5 juni 1967 nam de 15-jarige Menachem Klein de bus naar school. De oorlog leek hem op dat moment nog niet meer dan een beangstigende mogelijkheid. Vanuit zijn ooghoeken registreerde hij de grauwe zandzakken die zorgvuldig lagen opgestapeld voor de deuren en ramen van de huizen in West-Jeruzalem. Hij wist dat de voorraadkasten van al die woningen tot de nok toe waren gevuld met noodrantsoenen. Maar dat was al twee weken het geval: vrijwel vanaf het moment dat de autoriteiten de algehele mobilisatie van de nationale strijdkrachten hadden aangekondigd. De spanning op straat leek de dagen ervoor zelfs iets te zijn weggeëbd; ook acute oorlogsdreiging went.

Meer lezen over Israël? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

De buschauffeur hield halt op de top van de heuvel waar zijn school was gelegen, en Menachem zag in het oosten – daar waar Jordanië lag – de hemel kort en helder oplichten. En nogmaals. En nogmaals. Elke lichtflits werd gevolgd door eenzelfde zware, gedempte dreun. Hij liep met de anderen haastig het schoolgebouw binnen, waar de lessen op het punt stonden aan te vangen. De oorlog die bekend zou komen te staan als ‘de Zesdaagse Oorlog’ – maar die in werkelijkheid in amper drie dagen zou worden beslist – was uitgebroken.

Eerder die ochtend, om kwart voor acht lokale tijd, hadden bijna 200 Israëlische gevechtsvliegtuigen het luchtruim gekozen en koers gezet naar het zuidelijke buurland Egypte. Het vormde de prelude tot een voor de regio ongekend massale luchtaanval: slechts twaalf gevechtsvliegtuigen zouden die ochtend in Israël achterblijven voor patrouilletaken. Zo’n massale luchtmachtactie kon eenvoudigweg niet onopgemerkt blijven – en toch was dat het geval geweest. Het Jordaanse radarstation in Adjloen had vrijwel onmiddellijk zowel het Egyptische ministerie van Defensie als de Egyptische legerleiding voor een ophanden zijnde verrassingsaanval gewaarschuwd. Maar het bericht was onderweg blijven hangen: een Egyptische korporaal had, naar later zou blijken, zijn ontvanger op het verkeerde kanaal afgesteld. 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Veldmaarschalk Abdel Hakim Amer maakt rechtsomkeert

Tot overmaat van ramp had de Egyptische legerleiding opdracht gegeven het luchtafweersysteem boven de Sinaï tijdelijk te inactiveren. De generaals vreesden dat het vliegtuig van de stafchef van het leger, veldmaarschalk Abdel Hakim Amer, die zijn troepen in de Sinaï die ochtend kwam inspecteren, anders door zijn eigen ontevreden officieren uit de lucht zou kunnen worden geschoten. Amer zou zijn bestemming nooit bereiken: kort voor aankomst moest hij halsoverkop rechtsomkeert maken. In het kielzog van de vluchtende legerleider werden alle luchtmachtbases in de Sinaï en langs het Suez-kanaal door Israëlische luchtmachtpiloten onder vuur genomen.

Rond het lunchuur was bijna de gehele Egyptische luchtmacht, zo’n 500 bommenwerpers en gevechtsvliegtuigen, tot rokende hoopjes schroot gereduceerd. Het wanhopige verzoek van president Gamal Abdel Nasser aan zijn Algerijnse collega om een deel van diens luchtmacht uit te lenen, moest al snel weer worden ingetrokken. De schade die de Israëliërs aan de Egyptische vliegvelden hadden toegebracht, was zo enorm dat de geleende toestellen met geen mogelijkheid zouden kunnen worden ingezet.

Kort na het middaguur boog één van de Israëlische luchteskaders af in noordoostelijke richting. De uiterst bescheiden Jordaanse luchtmacht – 21 Britse Hawker Hunters, twee helikopters en zes transportvliegtuigen – werd in twee krachtige aanvalsgolven vernietigd.

Op dat moment had Menachem Klein al besloten naar huis te gaan. Hij zou het hele stuk moeten lopen: het openbaar vervoer in West-Jeruzalem was inmiddels geheel tot stilstand gekomen. Onderweg zag hij een brandende bus en iemand riep hem toe de King George-straat te mijden: Jordaanse snipers namen er voetgangers onder vuur. Hij bereikte ongeschonden het kantoor van zijn moeder. Ze was verbaasd hem te zien binnenwandelen, maar ze berispte hem niet. 

Israël is heer en meester in de lucht

Het was inmiddels ruim na tweeën toen de oppermachtige Israëlische luchtmacht het Syrische en het Iraakse luchtruim binnendrong. De Syriërs zagen op de allereerste gevechtsdag het overgrote deel van hun luchtmacht in rook opgaan, terwijl de Irakezen twintig toestellen kwijtraakten én vliegtuigen niet langer van eigen bodem konden laten opstijgen. Het moet niet veel later zijn geweest dat Menachem met zijn moeder, een Auschwitz-overlevende, bij hun appartement aankwam.

Toen de jongen zijn slaapkamerdeur opende, zag hij dat zijn bed met granaatsplinters en verdwaalde kogels was bezaaid. Ze besloten beschutting te zoeken in de gemeenschappelijke schuilkelder onder het appartementencomplex. Niemand van de aanwezigheden had enig vermoeden dat Israël op dat moment al heer en meester was over het luchtruim van het Arabische Midden-Oosten. 

‘Door de luchtaanvallen veranderde de Mitla-pas in een knekelhuis’ 

De eerste avond en tweede dag van de oorlog stonden in het teken van de snelle Israëlische opmars in de Egyptische Gaza-strook en de Sinaï, waarbij de onbedreigde Israëlische piloten de in paniek terugtrekkende Egyptenaren met napalm bestookten. De Egyptische generaal Mohamed al-Gamasy keek verbijsterd toe: ‘Ze trokken zich op uiterst ongelukkige wijze terug,’ noteerde hij later, ‘onder continue luchtaanvallen, die de Mitla-pas veranderden in één groot knekelhuis bezaaid met lichamen, brandend materieel en ontploffende munitie.’

Vroeg in de ochtend van de derde dag viel Jordaans Oost-Jeruzalem voor de Israëlische belegeraars, nadat de dag tevoren al grote delen van de Westoever op de Jordaniërs waren veroverd. De Jordaanse tegenstand was gebroken. Een dag later, op 8 juni, gaven ook Egypte en Syrië de strijd op. Maar het Israëlische leger veroverde eerst nog de Golan-hoogvlakte op Syrië alvorens het op 10 juni eindelijk de wapens wenste neer te leggen. 

Was Arabische agressie de casus belli?

Menachem en zijn moeder hadden hun schuilplaats toen allang verlaten. Vrijwel meteen nadat ze via de transistorradio hadden vernomen van de val van Oost-Jeruzalem, waren ze opgewonden en gespannen de straat op gegaan. Dit was een historisch moment, wisten ze, in de geschiedenis van het Joodse volk. Menachem zou nog een week moeten wachten voordat hij samen met 250.000 al even nieuwsgierige landgenoten voor het eerst van zijn leven de zwaarbewaakte Klaagmuur in Oost-Jeruzalem kon bezoeken.

Waarom was Israël zijn Arabische buurlanden eigenlijk te lijf gegaan? Het Westen hield decennialang vol dat de Arabische staten de nederlaag aan zichzelf te wijten hadden, omdat ze opzettelijk een oorlog hadden uitgelokt met de bedoeling de gehate ‘zionistische entiteit’ definitief van de kaart te vegen. Die visie, die nog altijd wordt uitgedragen door Israëlische overheidsinstanties, wordt door de meeste professionele historici al lang niet meer serieus genomen.

Uit historische documenten, interviews met betrokkenen en ooggetuigenverslagen is inmiddels overduidelijk geworden dat alle partijen doordrongen waren van het feit dat een oorlog tussen de Joodse staat en zijn Arabische buren slecht één enkele winnaar kon opleveren: Israël. Het Israëlische leger stak toen al qua materieel en organisatie met kop en schouders boven de verzamelde legers van zijn Arabische vijanden uit, en het had bovendien een Amerikaanse garantie op militaire steun in geval van oorlog. 

Hoe kon het dan toch zover komen? Een deel van het antwoord is te vinden in de omstandigheid dat veel Joodse Israëliërs van mening waren dat de ‘Onafhankelijkheidsoorlog’ van 1948 nooit echt was afgerond. De Joodse staat had zich in de eerste Joods-Arabische oorlog, mede dankzij een ontluisterend gebrek aan planning en samenwerking aan Arabische zijde, tot absolute winnaar mogen kronen. Menhad het in 1947 door de VN toegewezen gebied kunnen uitbreiden van 55 procent tot maar liefst 78 procent van het grondgebied van het voormalige Britse mandaatgebied Palestina.

En als de Britten toen niet ingegrepen hadden, zouden niet alleen de Egyptische Sinaï en Gaza-strook aan de triomferende Joodse staat zijn toegevallen, maar mogelijk ook Oost-Jeruzalem en de westelijke Jordaan-oever – en wie weet zelfs de Golan-hoogvlakte. Nu waren die strategisch en ideologisch zwaarwegende gebieden in handen van de vijandig gezinde buurlanden Egypte, Jordanië en Syrië gebleven of gekomen. 

Ontevreden over de Israëlische landsgrenzen

Met name in hogere legerkringen heerste ontevredenheid en ongerustheid over de bestaande Israëlische landsgrenzen. Met een breedte van plaatselijk slechts 12 kilometer tussen de Jordaanse grens en de Middellandse Zee, miste het land volgens onder meer stafchef Yitzhak Rabin ‘strategische diepte’. Een nieuwe oorlog en een nieuw vredesverdrag zouden dat euvel kunnen verhelpen. De invloed van deze ‘haviken’, gevoegd bij de verzekering van Amerika dat het Israël in een oorlog met zijn Arabische buurstaten zou bijstaan, gaf uiteindelijk de doorslag in de beslissende kabinetsvergadering van 4 juni. De nieuw gevormde regering van nationale eenheid onder de lang weifelende premier Levi Ehskol hakte de knoop door: Israël zou de volgende dag een nieuwe Joods-Arabische oorlog initiëren. 

Een nieuwe oorlog en een nieuw vredesverdrag zouden strategisch voordeel opleveren

 Het is daarbij belangrijk te erkennen dat de Israëliërs wel degelijk reden hadden zich in hun voortbestaan bedreigd te voelen. Dat had weer alles te maken met het feit dat hun Arabische buren eveneens weigerden zich neer te leggen bij de status-quo van 1949. Waar de Israëliërs het nog altijd over een Onafhankelijkheidsoorlog hebben, wordt de eerste Arabisch-Joodse oorlog onder Arabieren doorgaans aangeduid met de al even bondige en veelzeggende term ‘de Catastrofe’ (al-nakba).

De onverwachte en vernederende nederlaag van de Arabische staten in 1948 – waarvan de meeste pas net onafhankelijk waren – had de politieke orde in de regio flink opgeschud. Het belangrijkste gevolg was een giftig wantrouwen van de Arabische burgers ten aanzien van de eigen politieke elite, in combinatie met een diep gefrustreerde officiersklasse – met een hele trits militaire staatsgrepen in de regio als eindresultaat. 

‘Pan-Arabische’ solidariteit onder Gamal Abdul Nasser

De onbetwiste leider van de naoorlogse Arabische politiek-militaire orde was de charismatische Egyptische president Gamal Abdul Nasser. In 1952 had hij als kolonel achter de schermen leidinggegeven aan de coup van de Jonge Officieren, die de prowesterse, gehate koning Faroek het land uit hadden gejaagd. Vier jaar later trad hij naar voren als tweede president van de nieuwe Republiek Egypte. Hij stelde de Egyptenaren, en met hen alle Arabieren, een glorieuze en welvarende toekomst, vrij van vreemde inmenging, in het vooruitzicht. Om dat te kunnen bereiken dienden alle Arabische naties zich onder zijn leiderschap te verenigen tegen hun vermeende gemeenschappelijke vijand: de westerse imperialisten en hun lokale marionettenstaat, het Joodse Israël. 

Nasser doet alsof hij met de ‘Zionistische vijand’ kan afrekenen 

Natuurlijk wist Nasser dat het Egyptische leger zijn machtige noorderbuur militair niet aankon. Hij had zelf in het najaar van 1948 de kracht van het Israëlische leger aan den lijve ondervonden, toen hij met zijn eenheid zonder adequate uitrusting, wapens en munitie naar Palestina was gestuurd en zich al snel omsingeld zag door veel beter bewapende, getrainde en georganiseerde Joodse soldaten.

Sindsdien hadden Frankrijk en de VS Israël van de meest geavanceerde militaire bewapening voorzien. Terwijl Nasser zich gedwongen had gezien zich tot de Sovjet-Unie te wenden voor bewapening van beduidend mindere kwaliteit. 

Israëls militaire suprematie

Bovendien konden Nassers meest ervaren eenheden – bijna een derde van zijn totale aantal manschappen – niet worden ingezet: zij waren in Jemen in een uitzichtloos militair conflict verzeild geraakt. Nasser lijkt dan ook het slachtoffer te zijn geworden van zijn eigen roekeloosheid, charisma en retoriek. Hij had zo lang gehamerd op de gewenste ‘pan-Arabische’ solidariteit, op de ‘noodzaak’ Israël aan te pakken, dat hij zich wel vierkant achter ‘broederstaat’ Syrië moest opstellen toen dat land in het voorjaar van 1967 op een diplomatieke ramkoers met zijn Joodse buren kwam te liggen.

Aanleiding vormde een actie van Palestijnse guerrillastrijders die vanuit Syrië in Noord-Israël waren geïnfiltreerd. Israël reageerde daarop met het benadrukken van zijn militaire suprematie: Israëlische gevechtsvliegtuigen drongen het Syrische luchtruim binnen en schoten in een confrontatie zes gloednieuwe Syrische MIG-21’s uit de lucht. Twee MIGs stortten neer midden in een woonwijk van de hoofdstad Damascus. 

Daarop kwam Moskou, dat zijn kaarten had gezet op de ‘progressieve’ regimes in Syrië, Egypte en Irak, in beweging. Om nooit geheel opgehelderde redenen koos het Kremlin ervoor Egypte van valse inlichtingen te voorzien. Het Israëlische leger zou zich volgens de Russen aan de grens met Syrië hebben samengetrokken en zich klaarmaken om naar Damascus op te trekken. Er was niets van waar, en Nasser moet dit hebben geweten.

Toch droeg hij op 16 mei het Egyptische leger op het Suez-kanaal over te steken en zich vlak bij de Israëlische grens in te graven. Hoogstwaarschijnlijk hoopte hij de publicitaire vruchten te plukken van een zogenaamd onder Egyptische druk afgeblazen Israëlische invasie van Syrië. 

Afrekenen met de ‘zionistische vijand’?

Het was een roekeloze, ondoordachte zet, die typerend was voor de politieke stijl van Nasser. De gevolgen waren enorm. Het Egyptische leger zat nu zonder enige voorbereiding of doordacht aanvalsplan midden in de woestijn vastgepind, op een plek waar de Israëliërs elke beweging in het kamp van de vijand konden registreren. Tegelijkertijd was bij het Arabische publiek de indruk gewekt dat nu eindelijk met ‘de zionistische vijand’ zou worden afgerekend. De publieke druk vanuit de Arabische wereld op Nasser, messias van de Arabische solidariteit, nam toe. Mogelijk om tijd te winnen eiste hij dat de VN hun aan de grens tussen Israël en Egypte gelegerde vredestroepen zouden wegnemen.

Secretaris-generaal U Thant willigde dat verzoek in. Waarom is niet helemaal duidelijk, maar op 31 mei 1967 vertrok de laatste VN-soldaat uit de Sinaï. De kemphanen stonden nu rechtstreeks tegenover elkaar. Eerder die maand had Egypte de Straat van Tiran afgesloten en daarmee indirect de toegang van de Israëlische havenstad Eilat aan de Rode Zee. Dat gaf de Israëlische generaals hun gewenste casus belli. Een nieuwe oorlog was onafwendbaar.

Meer weten

  • Six Days of War. June 1967 and the Making of the Modern Middle East (2003) klassieker van Michael Oren.
  • 1967: Israel, the War, and the Year that Transformed the Middle East (2008) van de Israëlische historicus Tom Segev.
  • De Arabieren. Een geschiedenis (2011) van Eugene Rogan biedt een bredere context.