Je loopt er makkelijk aan voorbij, zo bescheiden is het. Maar daar staat het dan, aan een beetje verwaaid stukje kust in de hoofdstad van het prachtige eiland Samoa: een afgeplatte piramide van vulkanische stenen, zo’n twee meter hoog. ‘Hier werd op 1 maart 1900 de Duitse vlag gehesen’, staat er in het Duits en Samoaans. Daaronder – alleen in het Duits: ‘opgericht in 1913’. Een jaar voor het begin van de Eerste Wereldoorlog, een jaar voor het einde van het Duitse koloniale avontuur in de Stille Oceaan. Een ingetogen monument voor een voetnoot in de geschiedenis. Een van de weinige overgebleven tastbare herinneringen aan de Duitse aanwezigheid hier. Alleen een paar opmerkelijke achternamen spoken nog rond, zo heet de nieuwe premier van het eilandenrijkje La’auli Schmidt.
Maar hoe zijn Duitsers eigenlijk op deze verre plek terechtgekomen? In de tweede helft van de negentiende eeuw ontdekken ondernemers uit Europa en de Verenigde Staten dat de Stille Oceaan niet alleen eenzaam is, maar ook potentieel winstgevend. De eilanden die daar liggen zijn vaak vulkanisch van oorsprong, dus vruchtbaar. De plaatselijke bevolking is te slecht bewapend en te weinig georganiseerd om tegenstand te bieden tegen westerse zakelijke plannen en dito wapens. Vooral de Samoa-eilanden, vulkanische korrels in een eindeloze blauwe soep, lonken. Het zijn relatief grote en heuvelachtige eilanden, wat betekent dat er genoeg water is.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Het klimaat is er bovendien nat en warm, perfect voor oogsten die zich niet aan seizoenen houden, maar aan de onstilbare honger van markten in Melbourne, Hamburg, Londen en New York. Dus zien de Samoanen in de tweede helft van de negentiende eeuw steeds meer ondernemende types van de boot komen: Amerikanen, Britten, Zweden, Noren, Duitsers. Mannen met zonnehoeden en rijbroeken, te grote ambities en te weinig scrupules. Ze planten cacao, kopra, rubber, ananas en kokos, alsof ze de archipel willen omtoveren tot één grote voorraadkast van het Westen.
Maar al die ambitie zorgt ook voor onenigheid. Vooral Britse en Duitse planters verdringen elkaar voor de beste vestigingsplekken en laadruimte in de spaarzame boten die deze lange reis maken. Ondertussen is er onder de Samoaanse bevolking ook onrust: er zijn drie facties die ieder de koning willen leveren, drie verhalen over wie het erfgoed werkelijk toekomt. Het resultaat is een vreemdsoortig schaakspel waarin Samoanen en westerlingen allerlei allianties sluiten die zo tijdelijk zijn als de vriendschappen in een vakantiebar.
De verre hoofdsteden grijpen in. Officieel om hun burgers in den vreemde te beschermen, maar ook omdat de sluimerende conflicten een kans zijn om eindelijk hun vlag permanent in de tropische grond te planten. Marineschepen verschijnen in 1898 aan de horizon: Brits, Amerikaans, Duits. Macht en ambitie met stoom aangedreven. En dan, net wanneer iedereen zich opmaakt voor de onvermijdelijke slag, doet de natuur waar ze goed in is: alles in één klap relativeren. Een zware cycloon beukt over de eilanden.

Eindelijk alleenheerser
De Amerikaanse en Duitse schepen worden als speelgoed tegen de rotsen geblazen, zeelui en soldaten komen om. Alleen een Brits oorlogsschip weet te ontkomen, dankzij hun gewoonte om altijd druk op de ketels te houden. Het zorgt voor schaamte en gezond verstand bij de drie machten, die besluiten hun Samoaanse kwestie verder aan de onderhandelingstafel op te lossen, alsof ze ergens recht op hebben.
Het resulterende verdrag geeft de westelijke Samoa-eilanden aan Duitsland en de oostelijke eilanden aan Amerika. De Britten mogen het relatief nabijgelegen Tonga en de Afrikaanse parel Zanzibar houden. Waarmee Duitsland na een lange ruzie eindelijk alleenheerser is op de eilanden.

De eerste gouverneur Wilhelm Solf is een slimme bestuurder. Hij moet wel, hij heeft geen leger of zelfs maar politiemannen tot zijn beschikking; Samoa is te afgelegen om soldaten heen te sturen. Dus is hij voor alles een diplomaat: Solf betrekt belangrijke Samoanen bij zijn koloniale overheid en verdiept zich in de complexe rituelen van het eiland. Dankzij hem is er ook geen twijfel meer wie de rechtmatige koning is, al valt die natuurlijk wel onder de macht van Berlijn. Opmerkelijk is dat hij niet eens een telegraafverbinding tot zijn beschikking heeft, dus moet hij alles zelf bedenken. ‘Ik beschouw het als mijn aangename plicht om Samoa te behouden voor wat het is, een klein paradijs,’ zo verwoordt hij zijn beroepsopvatting.
Koloniaal strooigoed
Samoa was niet de enige kolonie van Duitsland in de Stille Oceaan. Het grootste bezit was Duits-Nieuw-Guinea, een 250.000 km2 grote landstrook aan de noordkant van het huidige Papoea. Vanuit die kolonie bestuurde het land de nodige Micronesische en Melanesische eilanden, zoals de Bismarck-archipel, de Noordelijke Salomonseilanden, de Marshalleilanden, Carolinen en Palau, de Noordelijke Marianen en Nauru.
Duits-Samoa (bestaande uit de hoofdeilanden Upolu en Savai’i) was een aparte kolonie en werd rechtstreeks vanuit Berlijn aangestuurd. Vrijwel al deze gebieden raakte Duitsland al in de eerste weken van de Eerste Wereldoorlog kwijt, vaak zonder een schot te lossen. Alleen op Duits-Nieuw-Guinea is kort gevochten en vielen doden.
Dat lukt zo goed, dat er een periode van stabiliteit en groei aanbreekt. Vooral de Duitse planters profiteren daarvan, ze hebben de macht nu aan hun kant. Ze investeren in de uitbreiding en professionalisering van hun bezittingen. Zo komt er een fabriekje dat fruit kan inblikken om het naar Europa te sturen. Het betekent dat er veel meer werknemers nodig zijn, de plantages zijn arbeidsintensief. Er zijn lang niet genoeg Samoanen beschikbaar om het zware en slecht betaalde werk te doen. Dus boort de kersverse kolonisator een andere bron aan. Zo’n 9000 kilometer verderop ligt een enorm reservoir van arbeiders.
Geld genoeg
China is even arm als bevolkingsrijk. Omdat het te ingewikkeld is om zelf Chinezen te gaan halen, besteden de Duitsers hun zoektocht naar arbeid uit aan Britse en Aziatische ronselaars. Die kunnen 35 pond verdienen voor iedere Chinees die ze op Samoa afleveren, enkele duizenden euro’s in huidige koopkracht. Het geeft aan hoe hoog de nood bij de Duitsers is. De Chinese arbeiders krijgen een 3-jarig contract met voor de werkgever de optie van een jaar verlenging. Voor 10 mark per maand (ongeveer 80 euro in huidige koopkracht) moeten de Chinezen twaalf uur per dag werken, met een half uur pauze; de plantage regelt kost en inwoning. Vakanties zijn er niet, met uitzondering van Eerste Kerstdag, een feest dat de Chinezen niet vieren.
De discipline van de plantagehouders is draconisch: de Chinezen mogen gedurende hun hele verblijf niet van de plantages, tenzij ze een klus uitvoeren voor hun baas. Hun werkgevers mogen lijfstraffen uitdelen als een Chinees zich toch buiten de poort waagt. Ook luiheid, te veel geluid maken na donker, niet diep genoeg buigen voor de Europeanen of brutaliteit zijn allemaal redenen om het rietje erbij te pakken. Toch schepen veel Chinezen zich in. Tegen 1906 zijn er al ruim duizend op het eiland aanwezig. Bij aankomst worden ze via een soort loterij verdeeld over de plantages. De helft werkt voor de drie grootste plantages, de andere helft is verdeeld over kleinere bedrijven.

Door de goedkope arbeid genereert de kolonie zoveel geld, dat ze vanaf 1909 financieel zelfvoorzienend is, er hoeft geen geld uit Berlijn meer bij. Ook de plaatselijke belastingen brengen genoeg geld binnen om wegen aan te leggen en het zeer rudimentaire ziekenhuisje uit te breiden tot een plek waar je daadwerkelijk kan genezen. Ook beginnen de Duitsers gebouwen neer te zetten, waaronder een rechtbank en een meteorologisch station. Veel van het onroerend goed uit die jaren staat nog steeds, het zijn veelal houten panden met een calvinistische inborst, robuust en goed gebouwd voor het tropische klimaat. Neergezet voor de lange termijn, maar de tijd van de Duitsers was alweer op.
Harde confrontaties
Het is een pistoolschot aan de andere kant van de wereld dat het einde van het Samoaanse avontuur inluidt voor de Duitsers. Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt in 1914, zijn de planters en handvol ambtenaren ineens de vijanden van de Nieuw-Zeelanders. Dat land valt als semi-onafhankelijk dominion onder de Britse kroon.
Al op 29 augustus van dat jaar landt een groep Nieuw-Zeelandse soldaten op het eiland. Er valt geen schot, in Apia strijken ze eenvoudigweg de Duitse vlag en hijsen die van de nieuwe machthebbers. Een klein groepje ambtenaren in spierwit uniform en tropenhelm salueert het dundoek. Hun Duitse voorgangers gaan op de boot naar Nieuw-Zeeland en zullen daar de oorlog in gevangenschap doorbrengen.

Duitse planters kunnen voor het grootste gedeelte aan het werk blijven, zolang ze zich maar koest houden. Ze mogen hun bezittingen houden, maar vallen wel onder Nieuw-Zeelands toezicht en belastingdienst. Daardoor blijft de economie van het eiland redelijk goed draaien. Wat niet helpt, is dat de nieuwe machthebbers beginnen om de contractarbeiders terug te sturen. Zelfs Chinese mannen die met een Samoaanse zijn getrouwd en kinderen hebben, worden niet gespaard; als Duitse erfenis worden deze arbeiders als ongewenst gezien. Het leidt tot protesten van het Chinese consulaat in de hoofdstad Apia, maar het mag niets helpen.
Ook het einde van de oorlog in 1918 betekent niet dat de Duitsers kunnen terugkeren. De Nieuw-Zeelanders zullen Samoa tot begin jaren zestig beheren. Hun gebrek aan diplomatie en vaak hardhandige manier om het eiland te besturen wekken bij de plaatselijke bevolking de nodige wrevel; een bestaande organisatie die onafhankelijkheid nastreeft, groeit snel. Het komt in een halve eeuw Nieuw-Zeelands bestuur daarna herhaaldelijk tot confrontaties, waarbij ongewapende Samoanen soms worden neergeschoten door Nieuw-Zeelandse soldaten.
De paar Duitsers die zijn blijven hangen op het eiland, worden ondertussen opgenomen in de plaatselijke bevolking. Mensen als Friedrich Stünzer, die ook in de decennia daarna cacao blijft verbouwen op het eiland en in 1961 sterft. Of Gustav Klinkmüller, die als ambtenaar naar het eiland kwam, maar bij uitzondering na 1914 mocht blijven, omdat hij ook advocaat was. Hij staat als jurist nog een Samoaanse onafhankelijkheidsstrijder bij voor de rechter. Nazaten van de Duitsers wonen tot de dag van vandaag op het eiland en in Nieuw-Zeeland.
Positief over kolonialisme
Hoe kijken ze op Samoa terug op het kolonialisme? Het zeer bescheiden Nationaal Museum van de eilandnatie vertelt vooral het verhaal van de Chinese arbeiders en concentreert zich verder op de periode waarin Nieuw-Zeeland de baas was. Een oud Duits bestuursgebouw is in 2022 zonder pardon afgebroken, het is nu een parkeerplaats. Toch zijn Samoanen over het algemeen opmerkelijk positief over het kolonialisme.
‘Ik wou dat de Duitsers langer waren gebleven, ik denk dat het de ontwikkeling van Samoa goed had gedaan. Wie weet hoe het eiland er dan nu voor zou staan,’ zegt Tuila’epa Sailele Malielegaoi, ruim twintig jaar lang premier van het land. Er is voor hem geen enkele reden voor de Duitsers om zich te schamen. ‘Kolonialisme was toen gewoon en het heeft veel landen erg geholpen om zich beter en sneller te ontwikkelen. Ik zou nu geen kolonie meer willen zijn, maar de historische realiteit is dat de Duitsers ons vooruit hebben gebracht.’
Ook de huidige vicepremier van het land wil niets weten van westers schuldgevoel. Toelupe Poumulinuku Onesemo ziet vooral wat is achtergebleven. ‘Ziekenhuizen, wegen, kerken: de Duitsers hebben veel gebouwd. Wat mij betreft heeft ons dat de basis gegeven om ons verder te ontwikkelen.’

Meer weten
- A Footnote to History: Eight Years of Trouble in Samoa (1892/2024) door Robert Louis Stevenson over politieke onrust op het eiland.
- Unter Kaisers Flagge (1985) door Joachim Schultz-Naumann over Duitse bezittingen in de Stille Oceaan en China.
- De schijn van de stilte. Reizen door de Stille Zuidzee (1993) door Herbert Paulzen.
