Home Dossiers Nederlandse politiek PSP bleef altijd een getuigenispartij

PSP bleef altijd een getuigenispartij

  • Gepubliceerd op: 11 april 2024
  • Laatste update 07 mei 2024
  • Auteur:
    Ewout Klei
  • 11 minuten leestijd
PSP bleef altijd een getuigenispartij
Cover van
Dossier Nederlandse politiek Bekijk dossier

De PSP was vanaf de oprichting in 1957 een vergaarbak van groepen, van republikeinen tot trotskisten. Dat leidde tot veel onderling gesteggel. Bij de oprichting had de activistische partij de tijdgeest mee, maar tot een stevige positie in de Tweede Kamer kwam het nooit.

Mensen vroegen weleens aan Fred van der Spek wat hij in al die jaren als parlementariër had bereikt. ‘En weet u wat ik dan zeg?,’ zei de oud-politicus van de Pacifistisch-Socialistische Partij tegen journalist Coen Verbraak van Vrij Nederland, op een toon alsof hij een mop vertelde. ‘Niks! Ik heb niks bereikt.’ Van der Spek schaterde, zonder een spoor van vrolijkheid. ‘Maar ik heb er met de PSP wél voor gezorgd dat er een periode een echt en herkenbaar alternatief werd gepresenteerd.’

‘Niks! Ik heb niks bereikt,’ schaterde Van der Spek

Fred van der Spek (1923-2017) was jarenlang een van de gezichten van de linkse PSP. Deze partij legde eerst nadruk op het pacifisme, maar op den duur verschoof de focus naar het socialisme en omarmde de PSP de politiek-maatschappelijke agenda van New Left. De Derde Wereld, het milieu, vrouwen- en homorechten werden stokpaardjes. De partij streed hier niet alleen in het parlement voor, maar ook op straat, samen met actiegroepen.

Meer historische verhalen lezen? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

PSP’ers lagen vaak met elkaar in de clinch. De partij was een allegaartje van groepen met zeer uiteenlopende ideeën: van linkse christenen, socialisten, republikeinen, anarchisten, trotskisten en antikolonialisten tot feministen. Ze hadden niet alleen verschillende programmapunten, maar stonden ook verschillende politieke strategieën voor. Ze waren het er bijvoorbeeld niet over eens of samenwerking met buitenparlementaire groepen gewenst was. Ook bestond er onenigheid over de relatie met de PvdA: was ook hier samenwerking nodig om een linkse meerderheid te bereiken? Of lag de kracht van de PSP juist in het isolement?  

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

PSP haalde twee Kamerzetels

De PSP kwam voort uit de vredesbeweging de Derde Weg, die meende dat pacifisme het antwoord was op de Koude Oorlog. Vanuit de Derde Weg werd in 1955 het zogenoemde Daklozenberaad opgericht, dat zocht naar een politiek huis voor pacifisten. Veel van hen voelden zich niet meer thuis bij de PvdA, omdat die de koloniale oorlog in Indonesië en de NAVO steunde. En de CPN was voor hen geen alternatief, want die was pro-Moskou en antidemocratisch.

Van der Spek en enkele andere daklozen hadden zich begin jaren vijftig voor een tijdje verbonden aan de Socialistische Unie, maar deze partij leidde een zieltogend bestaan en zou nooit een Kamerzetel bemachtigen. Nadat een gesprek met de PvdA op niets was uitgelopen, besloten de daklozen een eigen partij op te richten, die in januari 1957 het licht zag.

De PSP deed in 1959 mee aan de verkiezingen met de leus ‘Socialisme zonder atoombom’. De partij behaalde meteen twee zetels, waarvan er een werd bezet door de christelijke pacifist Henk Lankhorst. Het pacifistische standpunt dat hij verkondigde was op het hoogtepunt van de Koude Oorlog niet bepaald populair. In 1959 werd zijn bijdrage aan het debat over de Defensiebegroting maar liefst 26 keer verstoord door interrupties. En minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns verhaspelde zijn naam treiterend tot ‘Lamstraal’.

Absoluut pacifisme

Het beginselprogramma was vaag en utopisch. De partij was voor ‘geestelijke vernieuwing’. Politiek moest niet op macht worden gebaseerd, maar ‘op liefde en recht’. Ook pleitte de PSP voor sociale en economische vernieuwing, die moest uitmonden in ‘de economische gelijkheid van allen en in de volledige medezeggenschap van alle werkers in de ondernemingen’ en die ervoor zou zorgen ‘dat de klassen werkelijk verdwijnen’.

Het pacifisme was aanvankelijk absoluut. De partij verwierp alle geweld ‘principieel en practisch’, ook het geweld van revolutionaire bevrijdingsbewegingen. Maar dat laatste bleek controversieel. Een groeiende groep PSP-leden wilde onderscheid maken tussen ‘bevrijdend’ en ‘onderdrukkend’ geweld. De onderdrukten in landen als Algerije, Cuba en Zuid-Afrika hadden het recht om zich te verweren, vonden ze.

Politiek moest worden gebaseerd ‘op liefde en recht’

Na een verhitte discussie kwam het congres in oktober 1961 tot een wollig compromis. In de nieuwe beginselverklaring van 1962 streefde de PSP naar een ‘minimalisering van het geweld in de wereld’. De PSP stond neutraal tegenover bevrijdingsbewegingen die geweld gebruikten.

PSP-activisten werkten via actiegroepen wel samen met alle mogelijke bevrijdingsbewegingen: van het Angola Komité en het Komitee Zuidelijk Afika (KZA) tot het Comité Vietnam. Ook stonden ze in nauw contact met het Nederlands Palestina Komitee, de eerste Nederlandse actiegroep die zich hard maakte voor het lot van de Palestijnen.

Van links naar rechts Lankhorst, Van der Spek en Van der Lek (met kruis) in protest tegen de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam. Bron: Wikimedia/ Spaarnestad Photo, Jac. de Nijs.
Van links naar rechts Lankhorst, Van der Spek en Van der Lek (met kruis) in protest tegen de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam. Bron: Wikimedia/ Spaarnestad Photo, Jac. de Nijs.

Winst was crimineel

De PSP had de tijdgeest mee en haalde bij de Statenverkiezingen van 1966 5 procent van de stemmen, wat goed zou zijn voor zeven Kamerzetels. Maar bij de Tweede Kamerverkiezingen een jaar later bleef de partij op vier zetels hangen. D’66 was de grote winnaar en dankzij de pressiegroep Nieuw Links had de PvdA de sympathie van veel progressieve jongeren teruggewonnen.

Voor de PSP brak er een moeilijke periode aan met veel ruzies. In 1965 waren ex-CPN’ers tot de partij toegetreden. Deze groep rond oud-Kamerlid Henk Gortzak was klein, maar had veel politieke ervaring. Ze wilde dat de PSP meer invloed zou uitoefenen en niet langer een getuigenispartij bleef.

In 1967 kwam Van der Spek voor de partij in de Tweede Kamer. Onder hem verschoof het accent van pacifisme naar radicaal socialisme. Van der Spek wilde het strafbaar stellen om producten voor winst te verkopen. Dat gold niet alleen voor grote bedrijven, maar ook voor de ijscoman op het Binnenhof.

In 1969 nam de PSP deel aan een landelijk overleg met D’66, de PvdA en de Politieke Partij Radikalen (PPR), die in 1968 was opgericht door progressieve christenen. Uit dit overleg kwam het Progressief Akkoord (PAK) voort, dat streefde naar landelijke en lokale samenwerking bij verkiezingen. Maar tegen het PAK was veel verzet, onder andere door Van der Spek. In oktober 1969 kwam het tot een compromis: het landelijke PAK-overleg werd afgebroken, maar lokaal en provinciaal mocht de PSP onder voorwaarden wel samenwerken.

‘Flauwe actie’

Een groep linkse jongeren zag het PAK ook niet zitten en pleitte voor samenwerking met buitenparlementaire groepen. In mei 1971 organiseerden ze zich in de pressiegroep Proletaries Links, die veel revolutionaire trotskisten in haar gelederen telde. De groep eiste dat ze een officiële richting binnen de PSP zou worden. Het partijbestuur wilde dat niet en de PL-leden werden geschorst. Daarop besloten de meesten de PSP de rug toe te keren en verder te gaan als revolutionaire voorhoedepartij. Onder de naam Socialistiese Arbeiderspartij deden ze in de jaren tachtig tevergeefs pogingen om in de Tweede Kamer te komen.

Door het vertrek van Proletaries Links kregen de gematigde krachten in de PSP tijdelijk de wind in de zeilen. De zogenoemde ‘Oosterhesselen-groep’ pleitte ervoor om de landelijke samenwerking met de andere progressieve partijen te hervatten. Maar Van der Spek bleef tegenwerken. Hij was voor een onafhankelijke koers. De PSP moest volgens hem het kabinet-Den Uyl fel bestrijden, omdat dit kabinet ondanks deelname van de PPR niet links genoeg was.

Op het congres van november 1974 trokken de Oosterhesselaren aan het kortste eind en zegden hun lidmaatschap op. In een ‘spontane vreugdeopwelling’ zette Van der Spek vervolgens ‘De Internationale’ in, omdat het socialisme gered zou zijn. In 1987 noemde Van der Spek, inmiddels ook PSP’er af, deze actie een ‘beetje flauw en niet zo verstandig misschien’.   

Klein links

In 1971 verloor de partij twee van haar vier zetels, ondanks een geruchtmakende verkiezingsposter waarop Saskia Holleman naakt in een weiland naast een koe stond. In 1977 ging nog een zetel verloren, omdat veel PSP-kiezers wilden dat Den Uyl zijn karwei zou afmaken. Wel kreeg de partij in de tweede helft van de jaren zeventig steeds meer leden. In vijf jaar tijd verdubbelde het ledenaantal van 4333 leden in 1976 naar 9631 in 1981.

De beroemde verkiezingsposter van de PSP.
De beroemde verkiezingsposter van de PSP. Saskia Holleman werd gefotografeerd door Hendrik Jan Koldeweij.

De PSP werd ontdekt door linkse jongeren, feministen, homoseksuelen, krakers en mensen die tegen kernwapens en kernenergie waren. De partij stond sympathiek tegenover sociale bewegingen als Wij Vrouwen Eisen, Milieudefensie en het Anti Kalkar Komité. Dat zouden hefbomen voor maatschappelijke verandering zijn. De PSP dichtte zichzelf een ‘bundelende’ taak toe. In 1981 en 1982 haalde de partij drie zetels.

In 1977 had de partij nog één zetel over

Vanaf de jaren tachtig schreef de Nederlandse pers over ‘klein links’. Die term sloeg op de partijen links van de PvdA, die steeds meer op elkaar begonnen te lijken. De PPR trok na 1977 niet langer landelijk op met de PvdA, de CPN had begin jaren tachtig haar stalinistische veren afgeschud en omarmde een feministische agenda. Van der Spek, die in 1978 fractievoorzitter was geworden in de Tweede Kamer, was nog steeds een fervent tegenstander van samenwerking. De PSP mocht geen water bij de wijn doen.

Rampzalige verkiezingen voor de PSP

Maar binnen de partij kwam er steeds meer kritiek op die lijn, onder meer van Andrée van Es, die sinds 1981 in de Kamer zat. De strijd tussen de voorstanders van samenwerking en de ‘spekkianen’ duurde enkele jaren. De laatsten leken in juni 1985 het pleit te winnen, toen het partijcongres met 50,8 procent van de stemmen een gezamenlijke PPR-PSP-CPN-lijst torpedeerde. Maar geheel onverwachts keerden de kansen, toen het congres eind 1985 Van Es aanwees als lijsttrekker. Van der Spek en enkele honderden partijleden zegden daarop hun partijlidmaatschap op. Ze vormden de Partij voor Socialisme en Ontwapening, die binnen enkele maanden door onderlinge ruzies ten onder ging.

Fred van der Spek (links, met bril) meldt zich op het oprichtingscongres van de PSO aan als lid. Bron: Wikimedia/Nationaal Archief, Rob Bogaerts.

De Tweede Kamerverkiezingen waren voor de PSP en klein links in het algemeen een ramp. De PSP zakte terug naar één zetel, net als in 1977. De CPN verdween uit de Kamer, net als de links-christelijke Evangelische Volkspartij (EVP), die sinds 1982 met een zetel in het parlement zat. Alleen de PPR wist haar twee zetels te behouden.

Maar met het vertrek van Van der Spek was het belangrijkste obstakel voor een linkse fusie weggenomen. Bovendien hadden de sociale bewegingen waarop de PSP wilde steunen inmiddels aan kracht verloren en dreigde electorale marginalisatie. PSP, PPR, CPN en EVP namen in 1989 gezamenlijk deel aan de verkiezingen, onder de naam ‘Groen Links’. In 1991 fuseerden de vier partijen. Het principiële pacifisme en het orthodoxe socialisme van de PSP zijn niet zichtbaar in GroenLinks. Wel de agenda van New Left op het gebied van milieu en emancipatie.

Een deel van de linkerflank van de PSP werd lid van de SP. Dat gold bijvoorbeeld voor de voorman van Proletaries Links Erik Meijer, Frank Köhler en Anja Meulenbelt. Daarna werd Meulenbelt actief voor BIJ1, een politieke partij die in veel opzichten lijkt op de PSP. Ook BIJ1 richt zich sterk op buitenparlementaire acties, heeft een voortrekkersrol gespeeld bij emanciperende bewegingen, zoals de Black Lives Matter-beweging en de beweging voor transrechten, bepleit een radicaal antikapitalisme, en last but not least: de partijleden maken veel ruzie met elkaar.

En hoe verging het Van der Spek? Hij werd in 1992 lid van PSP’92, een partij van principiële ex-PSP’ers, die GroenLinks te gematigd vonden. Deze partij zou nooit in een gemeenteraad worden verkozen, laat staan in de Tweede Kamer. De oud-politicus realiseerde zich dat zijn PSP-gedachtegoed met hem zou sterven. ‘Als u de balans moet opmaken, wat is dan uw eindconclusie?,’ vroeg Coen Verbraak hem in 2003. ‘Mister PSP’ dacht lang na en antwoordde toen met een glimlach: ‘Dat je gelijk kunt hebben, zonder het te krijgen.’ 

Meer weten

  • Ontwapenend. Geschiedenis van 25 jaar PSP (1982) door Paul Denekamp (red.) is een gedegen, maar kort overzicht van de PSP-historie.
  • Onstuimig maar geduldig (1987) door Paul Denekamp (red.) vertelt de verhalen van prominente en minder prominente PSP-leden.
  • Van de straat naar de staat? GroenLinks 1990-2010 (2010) door Paul Lucardie en Gerrit Voerman (red.) bespreekt het fusieproces tussen PSP, PPR, CPN en EVP.