Home Ondernemer Paul Fentener van Vlissingen: ‘Ik moest iets studeren waarmee ik altijd mijn boterham kon verdienen’

Ondernemer Paul Fentener van Vlissingen: ‘Ik moest iets studeren waarmee ik altijd mijn boterham kon verdienen’

  • Gepubliceerd op: 4 juli 2002
  • Laatste update 02 mei 2023
  • Auteur:
    Shirley Haasnoot
  • 14 minuten leestijd
Ondernemer Paul Fentener van Vlissingen: ‘Ik moest iets studeren waarmee ik altijd mijn boterham kon verdienen’

Noblesse oblige, vond vader Van Vlissingen. `Ben jij het niet aan je voorouders verplicht om in ieder geval een paar jaar te werken bij het familiebedrijf?’ Zijn zoon Paul, uit de negende generatie ondernemers binnen de familie, zwichtte en ging werken voor de Steenkolen Handelsvereniging. `Ik raakte zo geïntrigeerd door het bedrijf dat ik er nooit meer ben weggegaan.’

Eigenlijk wilde Paul Fentener van Vlissingen (1941) het bedrijfsleven helemaal niet in. `Toen ik twaalf was wilde ik visser worden. Haringen vangen, dat leek me wel wat. Misschien kwam dat uit de oorlog, was het door de honger ingegeven. Ik heb er ook over gedacht om piano te spelen. Of om schrijver te worden. Uiteindelijk wilde ik filosofie studeren. Maar de uitspraak van mijn vader gaf de doorslag. Hij zei: “Filosofie is prachtig, maar je moet iets studeren waarmee je altijd je boterham kunt verdienen.”

Daarom begon Van Vlissingen in 1959 aan zijn kandidaatsexamen economie in Groningen. `Het was in die tijd vrij zeldzaam om te studeren, en economie studeerde al bijna helemaal niemand. Tussen de hoogleraren en de studenten bestond een grote afstand. En bij het corps werden wij allemaal kaalgeschoren. Zo kaal als een knikker.’ Van Vlissingen herinnert het zich als een geweldige studententijd. `In Groningen gingen de studenten alleen naar huis met Kerstmis, Pasen en in de grote vakantie. Ik herinner me dat mijn vader, nadat ik thuis een paar maanden niet gesignaleerd was, een lokale kolenboer vroeg om te kijken hoe het met zijn zoon ging. Dus stond er opeens een vreemde meneer in mijn studentenkamer, die zei: “Uw vader heeft me gestuurd om te kijken of u nog in leven bent.”’

Nadat hij in vier jaar zijn kandidaats had gehaald, vertrok Van Vlissingen naar Californië, om twee jaar bij oliebedrijf Amoco een interne opleiding te volgen. `Ik had haast om met bedrijfseconomie mijn boterham te kunnen verdienen, zodat ik eindelijk aan mijn filosofiestudie kon beginnen. Dus in de macro-economische theorie was ik niet zo geïnteresserd. Die heb ik aan mijn studiegenoot Wim Duisenberg overgelaten.’ Na twee jaar vroeg Amoco Van Vlissingen om jongste manager in India te worden. `Toen heb ik de stommiteit begaan – een van de vele in mijn leven – om dat thuis te melden. Ik werd onmiddellijk ontboden bij het vaderlijk gezag. Mijn vader en zijn rechterhand bij de SHV, professor Barend Pruijt, vonden het geen goed idee.’ Noblesse oblige, vond Jan van Vlissingen. `Hij vroeg: “Ben jij het niet aan je voorouders verplicht om in ieder geval een paar jaar te werken bij het familiebedrijf?”’

Zo begon Paul bij de Steenkolen Handels Vereniging (SHV), de familievennootschap van de Fentener van Vlissingens. `Ik had natuurlijk moeten zeggen dat ik nu echt filosofie ging studeren. Maar de SHV was net bezig met onderhandelingen met Caltex, een grote internationale oliemaatschappij, en na mijn korte tijd in Amerika kon men mijn expertise goed gebruiken. Uiteindelijk raakte ik zo geïntrigeerd door het bedrijf dat ik er nooit meer ben weggegaan.’

Rekensommetje
Al meer dan tweehonderd jaar geleden handelde een zekere Pieter Fentener van Vlissingen in steenkolen en binnenlands gedistilleerd. En nog eens honderd jaar eerder voer een andere voorvader, Cornelis van Vlissingen, naar `de West’ en Suriname met olie, cement en levensmiddelen. Paul Fentener van Vlissingen behoort tot de negende generatie ondernemers binnen zijn familie. Momenteel zit hij samen met zijn broers Frits (1932) en John (1939) in de raad van commissarissen van het familiebedrijf SHV.

De SHV ontstond in 1896, toen acht deels aan elkaar verwante families uit het Duitse Rheinische-Westfälisches Kohlen Syndikat (RWKS) een monopoliepositie op de Nederlandse kolenmarkt kregen. De families verenigden zich hierop onder het directeurschap van Pauls overgrootvader Frederik Hendrik (1849-1918) in de Steenkolen Handelsvereeniging. Het bedrijf werd groot gemaakt door diens zoon Frederik Hendrik Fentener van Vlissingen (1882-1962), die daarnaast actief was in talloze andere bedrijven. Zo was `dr. F.H.’, zoals hij door anderen vaak werd genoemd, medeoprichter van Fokker, KLM, de Hoogovens en de AKU, voorloper van het huidige chemiebedrijf Akzo Nobel.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog had Pauls grootvader al zoveel gezag in Nederland dat hij door de overheid werd benoemd als secretaris van het Rijkskolenbureau, dat binnen het neutrale Nederland de kolendistributie verzorgde. `De regering bepaalde dat mijn grootvader de kolenverdeler van Nederland zou worden. Aan het einde van de oorlog kwam er een regeringscommissie om te onderzoeken of mijn grootvader zichzelf niet had bevoordeeld. Men heeft gezegd: hoed af, hij heeft dat keurig gedaan.’

Na de Eerste Wereldoorlog vroegen de Engelse en Franse overwinnaars F.H. Fentener van Vlissingen om advies over het Verdrag van Versailles. `In de kelder van de vennootschap hebben wij nog een stuk papier met een conceptverdrag. Daarop zie je in de marge in mijn grootvaders handschrift de opmerking dat Duitsland nooit in staat zou zijn om aan de herstelbetalingen te voldoen. Met een rekensommetje erbij. Nou, dat is natuurlijk ook uitgekomen.’

De familienaam was niet alleen in politieke kringen een begrip. Toen de Nederlandse overheid in 1936 de Gouden Standaard losliet en de banken een week gesloten waren, betaalde de SHV de Rotterdamse havenarbeiders door met papiertjes, waarop stond: `SHV, dit is goed voor een gulden.’ `Dat werd in Rotterdam gewoon in de winkels geaccepteerd als betaalmiddel.’

Terwijl de spanningen in Europa met de opkomst van nazi-Duitsland toenamen, ontwikkelde F.H. Fentener van Vlissingen zich in verschillende diplomatieke functies tot een internationaal gezaghebbend figuur. Als voorzitter van de Nederlands-Duitse Kamer van Koophandel tussen 1931 en 1939 werd hij zelfs twee keer door Adolf Hitler ontvangen. Van Vlissingen: `De Duitsers waren uit de Volkenbond getreden en tot angst van de hele wereld begon het nationaal-socialisme op te komen. Mijn grootvader was ook voorzitter van de internationale Kamer van Koophandel in Parijs en werd in die functie benaderd door een aantal westerse mogendheden – Amerika vooral, maar ook Engeland. Zij vroegen hem of hij met die Duitsers niet een soort overleg kon creëren. Mijn grootvader sprak vloeiend Duits en kende ook veel Duitsers. Hij stak daar toen veel tijd in. Maar hij is er natuurlijk niet in geslaagd om een ramp te voorkomen.’ Met vooruitziende blik bracht F.H. van Vlissingen wel een groot deel van het bedrijfskapitaal in veiligheid. `In 1938 werden de aandelen voor een belangrijk deel overgebracht naar Amerika, dus tijdens de oorlog hebben ze die buiten de greep van de Duitse bezetter gehouden.’

In Engeland was Frits’ jongste zoon Jan, Pauls vader, begin jaren dertig zijn toekomstige vrouw Pamela Marston tegengekomen op een feestje. `Mijn moeder was een zeer intelligente vrouw, uit een familie van landeigenaren en juristen. Ze studeerde wiskunde in Cambridge. Van mijn ouders was zij, denk ik, de intelligentste. Maar in de cultuur van die tijd was het natuurlijk ondenkbaar dat ze dat kon laten zien. Ze gaf haar studie op toen mijn vader met haar trouwde.’ Na het huwelijk, in 1932, werden al snel drie kinderen geboren: Frits (1933), Mary Ann (1936) en John (1939). Na omzwervingen in Europa streek het gezin neer in Utrecht, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

Supermarktketens

De Tweede Wereldoorlog betekende een ramp voor het kolenbedrijf, dat voor het overgrote deel afhankelijk was van Duitsland. Grootvader Frits keurde de Duitse inval, die hij een `schanddaad’ noemde, scherp af. Toch probeerde hij aanvankelijk met de Duitsers samen te werken, en wel door met elf andere topfiguren uit het bedrijfsleven een Nationaal Comité voor Economische Samenwerking op te richten. De Duitsers zagen echter niets in zo’n Nederlands machtsblok en het comité werd na enkele maanden opgeheven.

De laatste oorlogsjaren hadden grootvader Frits en zijn zoon Jan onderduikers in huis en was de SHV actief in het verzet. Paul van Vlissingen: `Het bedrijf financierde acties en stakingen zoals de Spoorwegstaking in 1944, maar leverde ook arbeidsplaatsen aan mensen uit het verzet die een dekmantel moesten hebben. Er waren aan het einde van de oorlog natuurlijk niet veel kolen meer te verkopen.’

Jan van Vlissingen ging al in 1941 in het Utrechtse verzet. `Mijn vader heeft zeer onder de oorlog geleden,’ vertelt zijn zoon. `De meeste van zijn medestrijders zijn gefusilleerd. Zelf is hij twee keer opgepakt. De laatste keer werd hij ter dood veroordeeld, maar het was kort voor de bevrijding en het vonnis is niet uitgevoerd. In de jaren zestig is hij ernstig ziek geworden, daar is hij nooit meer bovenop gekomen.’

Paul, geboren in 1941, heeft zelf weinig herinneringen aan de oorlog. `Ik was de benjamin. Voor mijn ouders, en ook voor mijn oudste broer en mijn zusje, was het een naargeestige, aangrijpende tijd. Voor mij als dreumes absoluut niet. Ik zag de oorlog als de manier waarop volwassenen met elkaar omgingen. Ik registreerde wel veel – ik herinner me het geluid van de V1’s en V2’s. En de honger herinner ik me; daarmee kon ik niet goed overweg.’ Nog steeds heeft Van Vlissingen altijd een paar pakken kaarsen in de kelder. `Misschien is het een afwijking, maar kaarsen bederven niet en ze geven licht en warmte.’

Over de oorlogstijd heeft Jan van Vlissingen nooit willen praten. Niet met zijn kinderen, maar ook niet met historicus Loe de Jong. `Historici als De Jong leven in het verleden. Hun passie is natuurlijk om daarin een samenhang te ontdekken. Maar mijn vader was alleen geboeid door de toekomst, en daar praatte hij altijd over, zelfs met ons. Je kon hem niet aan de praat krijgen over de oprichting van de KLM, waarbij hij betrokken was, maar wel over de internationale marktpositie van dat bedrijf in de komende jaren. Als ondernemer kun je nooit te lang bij het verleden stilstaan.’

Kort na de bevrijding in 1945 droeg Frits van Fentener van Vlissingen het directeurschap van de SHV over aan zijn zoon Jan. Onder diens leiding veranderde de SHV van een kolenbedrijf in een brede onderneming met supermarktketens, een koffiebranderij, bouwbedrijven, een computerservicebedrijf, olie- en gasboringen en raffinage, en een grootaandeelhouderschap van Martinair. Toen Jan zo’n vijftien jaar later ziek werd, nam Barend Pruijt, verbonden aan de Nederlandse Economische Hogeschool, de leiding van het bedrijf over. Totdat begin jaren zeventig Pauls oudste broer Frits directievoorzitter werd, stond voor het eerst in de geschiedenis van de SHV geen Fentener van Vlissingen aan het roer. Maar er veranderde meer. Het bedrijf, dat altijd zeer gesloten was geweest, ging zich in de jaren zestig en zeventig voorzichtig openstellen voor de buitenwereld. Zo publiceerde de familievennootschap onder leiding van Pruijt voor het eerst een openbaar jaarverslag.

Doorkijkblouse

De Koude Oorlog en de dreiging van het communisme gingen niet onopgemerkt aan de familie voorbij. `Je had toch het gevoel dat er tien minuten naar het oosten een grote, boze beer zat.’ Toen de Russische partijleider Leonid Brezjnev in 1968 met zijn Brezjnev-doctrine liet weten dat de Oostbloklanden geen eigen communistische koers mochten varen, en vervolgens met harde hand de Praagse Lente neersloeg, verplaatste de SHV begin jaren zeventig zijn holding naar de Nederlandse Antillen. `Net als in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog besloten we een deel van het vermogen naar een ander halfrond te brengen.’ Het waren niet alleen de Russen waarvoor de SHV-top bang was, maar men vreesde ook de opkomst van het socialisme in Europa. `Voor het eerst dreigden Frankrijk en Italië een communistische regering te krijgen. En de linkerkant van Labour in Engeland was ook niet mis. Als het tot een monsterverbond zou komen tussen Brezjnev en de socialistische structuren in Europa, konden wij het bedrijf buiten Europa behouden.’

Socialisme en arbeidersbestuur kwamen in de jaren zeventig dichtbij, toen de ondernemingsraad van de SHV op het hoofdkantoor in Utrecht vergaderde over de bedrijfshervormingen die de industriebond NVV onder leiding van voorzitter Arie Groeneveld in grote bedrijven wilde invoeren. Groeneveld bepleitte het `Joegoslavische model’, waarin de arbeiders zelfbestuur zouden krijgen, en probeerde binnen de SHV stakingen uit te lokken. Van Vlissingen: `Op een woensdagavond kwamen de leden van de ondernemingsraad bij elkaar. Ik kan de spanning nog voelen. Ik heb vooraf met ze gepraat en gezegd: “Ofwel je kiest voor het bedrijf en zegt dat de maatschappelijke veranderingen op een andere manier worden doorgevoerd, ofwel je kiest voor politieke strijdbaarheid maar tegen het bedrijf.” De werknemers besloten geen acties te voeren.’

Intussen sprak Fentener van Vlissingen achter gesloten deuren met premier Den Uyl. `Die paar gesprekken herinner ik me als bijzonder boeiend. Ik was het volkomen oneens met wat hij zei, maar hij deed het uit menselijke bevlogenheid.’ Toch brachten de jaren zeventig wel degelijk veranderingen bij de SHV, toen de eerste hotpants en minirokken op kantoor verschenen. `Mij werd eens gevraagd of ik niet iets kon doen aan een vrouw die een doorkijkblouse droeg. Maar ik vond dat ze dat onderling maar moesten regelen. Ik zei: “Mij stoort het niet, ik zou het erger vinden als ze zich niet waste.”’

In 1977, voorafgaand aan de formatie van het kabinet-CDA/VVD, werd Paul van Vlissingen door de liberalen gepolst voor een ministerspost. `Ik was niet eens lid van een politieke partij. En ik vroeg me af of ik geschikt zou zijn voor de politiek. Ik ben toen gaan praten met Jan van den Brink, de KVP-minister van Economische Zaken. Ik zal nooit vergeten dat hij zei: “Dit gesprek kan kort zijn. Je bent totaal ongeschikt.” Dat was een heel verstandig advies. Ik had het zeker overwogen als de vraag om helderheid, die nu zo leeft bij een groot deel van het Nederlandse volk, toen had bestaan. Maar destijds voltrok alles zich nog in kleine kamertjes met samenzweerderige hoekjes.’

Makro-branden

Nadat de kolenhandel binnen de SHV na de Tweede Wereldoorlog had plaatsgemaakt voor uiteenlopende bedrijfsactiviteiten, besloot de directie begin jaren tachtig om zich weer te beperken tot de zaken die het bedrijf in het verleden groot hadden gemaakt: grondstoffen (olie, gas, kolen en schroot) en levensmiddelen binnen de Makro-keten, die de Van Vlissingens in 1968 hadden opgezet. In 1984 kreeg Paul de leiding van het bedrijf, toen zijn broer Frits zich na ruim tien jaar terugtrok als directievoorzitter van de SHV.

Politiek was al niets voor hem, dacht hij, maar een diep wantrouwen ontstond bij Van Vlissingen pas na de Makro-branden, die een jaar na zijn aantreden begonnen. In september 1985 stichtte terreurgroep RARA brand in de Makro in Amsterdam, vanwege de aanwezigheid van Makro-vestigingen in Zuid-Afrika. Het pand brandde volledig uit. In december 1986 en januari 1987 gingen ook de Makro’s in Duiven en Nuth in vlammen op. RARA liet weten dat binnen enkele weken meer aanslagen zouden volgen. Daarop trok de SHV zich terug uit Zuid-Afrika.

Van Vlissingen: `Het was een van de moeilijkste beslissingen die we ooit hebben genomen. Terwijl RARA eiste dat we vertrokken, riep onze zwarte ondernemingsraad: “Ga niet weg!” en gaf het ANC een verklaring af waarin het zei dat het absoluut niet achter de aanslagen stond. Iedereen wist dat we ons op onze eigen manier verzetten tegen de apartheid. We gaven zwarte managers voorrang bij promoties. Tegen de Zuid-Afrikaanse wet in heb ik de apartheid bij de toiletten afgeschaft. Mensen binnen het bedrijf die voor het ANC werkten en gearresteerd werden, betaalden we door. Daar kregen we dus ook gedonder door met het apartheidsregime.’

Van Vlissingen vindt het onbegrijpelijk dat er voor de grootste terroristische aanslag in Nederland van na de oorlog nooit iemand is veroordeeld. `Het kabinet-Lubbers zat maar te babbelen. Maar toen ik de minister van Binnenlandse Zaken vroeg om preventief een politieauto bij de Makro-vestigingen neer te zetten, kon ik die niet krijgen, want daar was geen personeel voor.’ Van Vlissingen zegt nooit meer aan de aanslagen te denken. `Op dit moment zit weer dertig procent van de aandelen in Zuid-Afrika, het grootste blok in het bedrijf.’

Met Pauls vertrek als directievoorzitter in 1998 brak een tweede periode aan zonder een Fentener van Vlissingen aan de top. Volgend jaar echter treedt Annemiek (1961), dochter van Pauls oudste broer Frits, toe tot de raad van commissarissen. `In de familie was het de gewoonte om vrouwen buiten het bedrijf te houden. Toen mijn grootvader overleed, liet hij zijn dochters dan ook geen aandelen SHV na; dat zou een onuitgesproken uitnodiging aan de schoonzoon zijn geweest om bij het bedrijf te komen werken. Mijn broers en ik hebben dat voor onze kinderen veranderd.’ Dat zijn twee dochters niet in het bedrijf werken, vindt Fentener van Vlissingen niet jammer. `Er zijn veel plekken om je geluk te vinden; het bedrijf is er daar maar één van.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.