Home Meester van het universum

Meester van het universum

  • Gepubliceerd op: 19 december 2019
  • Laatste update 13 okt 2022
  • Auteur:
    Thijs Visser
Meester van het universum

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Historischnieuwsblad.nl? U bent al lid vanaf €3,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Amerikaanse generaals hadden in de jaren vijftig ambitieuze plannen. Ze wilden nucleaire bommenwerpers in een baan rond de aarde plaatsen, bemande ruimtejagers lanceren en zelfs een militaire maanbasis bouwen. Dat werd allemaal niets. Toch is het streven naar space superiority weer helemaal terug.

Met zijn karakteristieke bombast lanceerde de Amerikaanse president Donald Trump op 29 augustus 2019 zijn nieuwe Space Command. Tijdens de ceremonie op het gazon van het Witte Huis voorspelde Trump dat de oorlogen van de toekomst in de ruimte worden beslist. Zowel de economie als de krijgsmacht van de Verenigde Staten is immers grotendeels afhankelijk van satellieten voor navigatie, observatie en communicatie. Amerika moet zijn belangen volgens hem daarom ook buiten de atmosfeer verdedigen.

Generaal Jay Raymond, de kersverse commandant van Space Command, wees er in een zitting van de Senaat op dat de Amerikaanse defensie in de ruimte gevaar loopt. Terwijl de VS de handen vol hadden aan guerrillaoorlogen in Irak en Afghanistan, heeft met name China de laatste jaren fors geïnvesteerd in een sterke militaire ruimtemacht. Maar wat gaat Space Command hieraan doen? Als antwoord op deze nieuwe uitdagingen grijpt Raymond verassend genoeg terug op een idee dat bijna zo oud is als de ruimtevaart zelf: space superiority.

Ruimtejagers

 

Dit concept werd in 1958 geïntroduceerd door generaal Thomas D. White, destijds de belangrijkste generaal van de Amerikaanse luchtmacht. Voor White betekende space superiority dat de Verenigde Staten de Sovjet-Unie ongehinderd konden bespioneren en bombarderen vanuit de ruimte. Om dit voor elkaar te krijgen, kwam de luchtmacht met plannen die vandaag de dag ronduit absurd lijken. White wilde nucleaire bommenwerpers in een baan rond de aarde plaatsen, vloten bemande ruimtejagers lanceren en zelfs een militaire maanbasis bouwen.

 

Wie langdurig in de ruimte gaat wonen, kan terecht in dit opblaasbare gebouw. Tekening door NSA uit 1989.

 

Van deze voorstellen is weinig terechtgekomen. Nucleaire wapens in de ruimte zijn inmiddels zelfs verboden en geen enkel land is nog geïnteresseerd in bemande ruimtejagers. Waarom zou Raymond space superiority dan nu nieuw leven in willen blazen? Om dat te begrijpen is het nodig te kijken naar de manier waarop space superiority oorspronkelijk tot stand kwam.

 

Nucleaire bommenwerpers kunnen WOIII in een paar uur beslissen

 

 

Het begon met de lancering van de Spoetnik door de Russen op 4 oktober 1957. Deze eerste satelliet zorgde voor grote consternatie in de Verenigde Staten. Amerikanen waren bang dat de Russen de Amerikanen nu konden treffen met kernwapens die met raketten werden gelanceerd. Ook de ogenschijnlijk kalme reactie van president Dwight D. Eisenhower leidde tot veel kritiek.

Direct na de lancering kondigde de senator en latere president Lyndon B. Johnson een serie hoorzittingen aan. Hij wilde antwoord op de vraag hoe het mogelijk was dat de Verenigde Staten achterliepen op de Sovjet-Unie, een land dat altijd zo primitief had geleken in de ogen van veel Amerikanen. Johnson vond dat het tijd was voor een nieuw ‘Manhattan Project’ – het project dat tot de ontwikkeling van de atoombom had geleid – om de levensbedreigende achterstand op de Sovjets in te halen. De razendsnelle ontwikkeling van kernwapens, die in 1957 al honderden keren zo krachtig waren als in 1945, had volgens Johnson laten zien dat technologische innovatie inmiddels een zaak van leven of dood was. De Verenigde Staten konden het zich niet veroorloven om achter te lopen.

Controle over het luchtruim

 

De Amerikaanse luchtmacht moest het militaire antwoord ontwikkelen op de Spoetnik. Maar de generaals zaten met een lastig probleem: hoe bedenk je een strategie voor een plek waar nog nooit iemand is geweest? Tot dat moment werd alleen in sciencefiction gefantaseerd over oorlogvoering in de ruimte, maar om serieus genomen te worden distantieerden de generaals zich daar juist van.

De luchtmacht keek liever terug naar haar eigen ervaringen in de Eerste Wereldoorlog, toen er voor het eerst in de lucht werd gevochten. Tijdens de openingsweken van de Eerste Wereldoorlog werden vliegtuigen alleen nog voor verkenning ingezet. De grootmachten hadden zich niet voorbereid op een oorlog in de lucht. Piloten schoten hooguit met revolvers op elkaar.

Maar al snel bleek dat de verkenningsvliegtuigen de strijd op de grond konden beslissen. Vanuit de lucht zagen de piloten precies waar de vijandelijke kanonnen en troepenconcentraties zich bevonden. Na een paar weken begon daarom al een wapenwedloop om betere jachtvliegtuigen te bouwen, die de verkenners neer moesten schieten. Controle over het luchtruim, of air superiority, werd een voorwaarde voor de overwinning op de grond.

 

Een conflict met China wordt mogelijk buiten de atmosfeer beslist

 

 

Toch stond de militaire luchtvaart in deze fase nog in de kinderschoenen. Vliegtuigen zouden hun ware potentieel pas tijdens de volgende oorlog bereiken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleken bommenwerpers in staat om de oorlog te beslissen. Met de nucleaire bombardementen van Hiroshima en Nagasaki werd Japan, zonder dat er een invasie voor nodig was, tot overgave gedwongen.

Bommenwerpers met nucleaire wapens waren zo vernietigend dat een leger en een vloot volgens de luchtmacht in de toekomst niet meer nodig waren. De Derde Wereldoorlog zou in een paar uur worden beslist met een overweldigende aanval van nucleaire bommenwerpers, die iedere vijand in een paar uur konden wegvagen. Air superiority was niet langer een tactisch voordeel op het slagveld, maar een existentiële noodzakelijkheid.

 

Permanent onder schot

 

Oorlogvoering in de ruimte zou zich op dezelfde manier ontwikkelen, zo dachten de luchtmachtgeneraals. Ruimteschepen boden tenslotte dezelfde voordelen als vliegtuigen: ze konden de vijand van boven observeren en bombarderen. Net als de eerste vliegtuigen zouden satellieten aanvankelijk alleen worden gebruikt voor spionage. En net als de verkenners van de Eerste Wereldoorlog zouden deze spionagesatellieten al snel onmisbaar worden.

Spionagesatellieten golden als de enige veilige manier om de Sovjet-Unie in de gaten te houden en doelen voor de nucleaire bommenwerpers te vinden. De luchtmacht ontwierp daarom in 1958 een bemande ruimtejager om Amerikaanse satellieten te beschermen en die van de Sovjets te vernietigen. Uiteindelijk moest de ontwikkeling van de Amerikaanse ruimtemacht uitmonden in nucleaire ruimtebommenwerpers. Dan waren er geen kwetsbare vliegtuigen meer nodig die uren onderweg waren, maar kon de vijand via ruimtebommenwerpers permanent onder schot worden gehouden vanuit de ruimte. Elk land, waar dan ook op aarde, zou binnen een uur kunnen worden vernietigd.

Van al die plannen is uiteindelijk weinig terechtgekomen. De manier waarop de luchtmacht zich de strijd in de ruimte voorstelde, bleek al snel hopeloos ouderwets. De generaals die de ruimtevaartstrategie bedachten leunden te veel op hun eigen ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze stelden zich de strijd in de ruimte voor als een kosmische versie van de luchtgevechten waaraan ze zelf hadden meegedaan. Alleen met astronauten in plaats van piloten.

Maar oorlogvoering in de ruimte werkt anders dan in de lucht. Ruimteschepen zijn bijvoorbeeld gebonden aan specifieke banen rond de aarde. Ze kunnen niet vrij manoeuvreren, zoals vliegtuigen dat binnen de atmosfeer wel kunnen. Ook bleken onbemande satellieten een stuk praktischer dan bemande ruimteschepen. Verder maakten ballistische raketten met kernkoppen nucleair bewapende ruimtebommenwerpers overbodig. Die raketten konden ook elk doel op aarde vernietigen, maar werden vanaf de grond gelanceerd. Hierdoor waren ze een stuk veiliger en eenvoudiger dan ruimtebommenwerpers.

Maar nog belangrijker: de politieke elites van de Verenigde Staten én van de Sovjet-Unie zaten helemaal niet te wachten op een peperdure wapenwedloop in de ruimte. De supermachten zagen de space race liever als een vreedzame prestigestrijd. Na zijn aantreden in 1961 wilde president John F. Kennedy het Amerikaanse ruimtevaartprogramma liever gebruiken om de wereld te overtuigen van de superioriteit van het kapitalisme en de goede wil van de Verenigde Staten. Ruimtebommenwerpers zouden andere landen alleen maar tegen hen in het harnas jagen.

 

President Lyndon B. Johnson (rechts) bij de ondertekening van een verdrag tegen wapengebruik in de ruimte, 27 januari 1967.

 

De supermachten sloten daarom in 1967 een verdrag dat kernwapens in de ruimte verbood en voorschreef over hoe landen met elkaar om moesten gaan in de ruimte. Spionagesatellieten werden in dit verdrag juist gedoogd, omdat ze nuttig bleken om te verifiëren of alle afspraken wel werden nageleefd. Space superiority was daarna geen prioriteit meer voor de Amerikaanse luchtmacht.

Tactisch voordeel

 

Toch is het helemaal niet zo gek dat generaal Raymond, na zestig jaar, opnieuw naar space superiority streeft. De vergelijking met de eerste vliegtuigen blijkt tegenwoordig heel relevant. Moderne satellieten bieden, net als de verkenningsvliegtuigen tijdens de Eerste Wereldoorlog, een cruciaal tactisch voordeel op het slagveld. Satellieten zorgen dat bommen hun doelen raken, helpen legers door woestijnen te navigeren en maken het mogelijk om drones aan de andere kant van de wereld te besturen. Het zou goed kunnen dat een conflict met China inderdaad buiten de atmosfeer wordt beslist.

 

Russisch affiche tegen een ruimteoorlog.

 

Daarom hebben de Verenigde Staten, Rusland en China wapens ontwikkeld om satellieten uit te schakelen. Ze beschikken bijvoorbeeld over raketten die vanaf schepen of vliegtuigen worden gelanceerd om satellieten op te blazen. Een nadeel is wel dat als satellieten massaal worden opgeblazen er miljarden stukken ruimteafval ontstaan. In de praktijk kan dit betekenen dat de ruimte onbruikbaar wordt.

 

 

Als satellieten worden opgeblazen, ontstaan miljarden stukken ruimteafval

 

 

Daarom wordt in het geheim steeds meer geïnvesteerd in onbemande ruimteschepen die vijandelijke satellieten kunnen uitschakelen zonder ruimteafval te creëren. Een ruimteschip zou een vijandelijke satelliet bijvoorbeeld naar een lagere baan kunnen slepen, waar de satelliet uiteindelijk zal opbranden. Er wordt ook gewerkt aan lasers die de instrumenten van satellieten kapot kunnen branden en er is zelfs geopperd om een ruimteschip te bouwen dat met een soort verf de lenzen van spionagesatellieten kan verblinden.

In tegenstelling tot de bemande ruimtejagers van de jaren vijftig zijn al deze ideeën afgestemd op de unieke mogelijkheden en onmogelijkheden van de ruimte. Hoe een oorlog in de ruimte er precies gaat uitzien, blijft heel moeilijk te voorspellen. Maar volgens generaal Raymond is wel duidelijk dat de ruimte gevaarlijker is dan ooit. De missie van Space Command is daarom om Amerikaanse satellieten in de ruimte te beschermen en die van de vijand te vernietigen. Voor Raymond is het doel van space superiority alleen niet om nucleaire bombardementen vanuit de ruimte uit te voeren, maar om de strijd binnen de atmosfeer te ondersteunen. Hij weet immers dat de Verenigde Staten, zonder controle over de ruimte, niet meer kunnen winnen op de grond.

Thijs Visser is ruimtevaarthistoricus.

Kader 1: Spoetnik komt Eisenhower goed uit

Ondanks de heftige reactie van veel Amerikanen was president Dwight D. Eisenhower stiekem wel opgetogen over de lancering van de Spoetnik in 1957. Hij had een jaar eerder in het diepste geheim al opdracht gegeven om spionagesatellieten te ontwikkelen. Eisenhower had zich alleen zorgen gemaakt over de reactie van de Sovjets op een overvliegende Amerikaanse satelliet. De Spoetnik had een heel mooi precedent geschapen. De satelliet vloog met zoveel bombarie over de Verenigde Staten heen dat de Sovjets moeilijk konden klagen als de Amerikanen hetzelfde bij hen deden. Het enige verschil was dat de Amerikaanse satellieten ook nog duizenden foto’s maakten.

Kader 2: Mannetjes op de maan?

Sommige generaals vreesden dat de Sovjet-Unie de maan wilde koloniseren. De Amerikaanse landmacht stelde daarom in 1958 een maanbasis met tien soldaten voor, die bewapend zouden worden met nucleaire raketwerpers. President Dwight D. Eisenhower zag hier niets in, maar toen John F. Kennedy in 1961 aantrad, besloot de luchtmacht nog een keer een militaire maanbasis voor te stellen. Maar Kennedy liet een maanlanding liever over aan de NASA, die in 1969 Neil Amstrong op de maan kreeg.

Het idee voor een maanbasis stierf een stille dood, tot een paar jaar geleden. Inmiddels wordt in de Verenigde Staten opnieuw nagedacht over een militaire maanbasis, die als pompstation voor militaire satellieten moet gaan dienen. Deze keer zou de basis alleen bedoeld zijn om de Chinezen af te troeven.

Kader 3: Kosmisch raketschild

In de jaren tachtig lanceerde toenmalige president Ronald Reagan het Strategic Defense Initiative (SDI), om een raketschild in de ruimte te bouwen. Satellieten met lasers en projectielen moesten de nucleaire raketten van de Sovjets in de ruimte vernietigen, voordat ze de Verenigde Staten konden raken. Veel Amerikanen waren sceptisch over de plannen en vergleken ze spottend met de Star Wars-films die in die tijd uitkwamen. Het einde van de Koude Oorlog maakte een raketschild uiteindelijk overbodig en het programma verdween in de jaren negentig.

Toch leeft veel van de technologie die voor het SDI werd ontwikkeld voort. Hoewel Space Command vandaag de dag niet bezig is met een kosmisch raketschild, kunnen veel van de ideeën uit het SDI namelijk ook worden gebruikt tegen vijandelijke satellieten.

Meer weten

US Presidents and the Militarization of Space, 1946–1967 (2012) door Sean N. Kalic.

War in Heaven: The Arms Race in Outer Space (2007) door Helen Caldicott & Craig Eisendrath.

The Heavens and the Earth. A Political History of the Space Age (1985) door Walter A. McDougall.

 

 

 

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 1 - 2020