• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 11/2016

    Kultuurkamer: kunst in WO2

    Kultuur met een K

    Door: Bas Kromhout

    Tijdens de bezetting mochten Nederlandse kunstenaars hun vak alleen uitoefenen als ze lid waren van de Kultuurkamer. Ze meldden zich dan ook massaal aan. Dat Joodse collega’s werden buitengesloten, namen ze op de koop toe.

    ‘Anders dan de liberalistische staatsorde is de wordende staatsorde niet negatief, maar positief: kunst is regeringszaak.’ Zo stelde in 1941 de secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK), Tobie Goedewaagen. Zijn beleid was tegengesteld aan dat van de vooroorlogse regering, vond hij. Met zijn opmerking verwees hij naar de uitspraak van de liberaal Rudolf Thorbecke, die in 1863 had gezegd dat kunst ‘geene regeringszaak’ was. Zo’n houding van laissez-fair contrasteerde sterk met Goedewaagens opvattingen. Hij wilde een nationaal-socialistische ‘cultuurstaat’ scheppen, die makers van ‘gezonde’ kunst in de watten legde.

    Nu had de Nederlandse regering zich vóór de Duitse bezetting niet helemaal afzijdig gehouden. In 1918 was een Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW) opgericht en waren er bescheiden subsidieregelingen gekomen. Maar op de totale rijksbegroting stelde het kunstbudget weinig voor. In de jaren dertig zette de regering er bovendien flink het mes in.
        
    Het waren de nationaal-socialisten die na de capitulatie het Nederlandse cultuurbeleid op de schop namen. De ministers waren met het staatshoofd naar Londen uitgeweken en de hoogste leiding op de Haagse departementen lag bij de secretarissen-generaal. In augustus arresteerde de Duitse bezetter de secretaris-generaal van OKW, Gerrit van Poelje, omdat hij zijn ambtenaren vrij wilde geven op Koninginnedag.



    Secretaris-generaal Goedewagen

    Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart gebruikte de gelegenheid om de afdeling Kunsten over te hevelen naar een nieuw departement, dat verantwoordelijk werd voor zowel politieke propaganda (‘volksvoorlichting’) als het kunstbeleid. Voor de functie van secretaris-generaal viel de keuze op Goedewaagen. Hij was een academisch geschoolde filosoof, dichter, kunstliefhebber en – minstens zo belangrijk – overtuigd lid van de NSB.

    Goedewaagen bezocht in december 1940 het Propagandaministerie in Berlijn om de kunst af te kijken. Hij was niet onverdeeld positief over wat hij daar zag. Voor minister Josef Goebbels stonden de kunsten volledig in dienst van de nazipropaganda. Kwaliteit was van ondergeschikt belang. Goedewaagen daarentegen geloofde in de beschavende kracht van goede kunst.

    De Nieuwe Mens zou niet alleen van zuiver arisch bloed zijn, maar ook op een hoog cultureel peil staan. Het bevorderen van de Nederlandse kunst had voor Goedewaagen een hogere prioriteit dan rechttoe, rechtaan propaganda bedrijven. Hij meende ook dat het Nederlandse volk hier niet ontvankelijk voor was. In de naam van zijn nieuwe departement kwam – in tegensteling tot het Duitse ministerie – het woord ‘propaganda’ niet voor.
     

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen