De overgang van Romeinse tijd naar Middeleeuwen was, in wat we nu de provincie Antwerpen noemen, een heel geleidelijk proces. Het begon met een verzwakking van de Romeinse macht in de derde eeuw, die samenging met een afname van de bevolking. En de veranderingen duurden tot in de achtste eeuw, toen de kerstening van het gebied duidelijk zichtbaar werd doordat er bijvoorbeeld kerkjes werden gebouwd. Dat laat archeoloog Rica Annaert zien in haar proefschrift over deze overgangstijd in de Vlaamse Schelde-regio, waarop ze onlangs promoveerde aan de Universiteit Leiden.
In de late Romeinse tijd kwamen nieuwkomers van boven de Rijn het gebied binnen en in het verleden dachten historici dat die immigratie had geleid tot grote conflicten. Maar Annaert toont aan dat er zonder botsingen een nieuwe, Frankische mengcultuur ontstond, met Romeinse, Keltische en Germaanse elementen. Dat is onder meer te zien aan veranderende grafgiften die doden indertijd meekregen. De vreedzame immigratie sluit aan bij een breder patroon dat kenners de afgelopen hebben ontwaard, waarin de immigratie van Germanen grotendeels zonder problemen verliep.
Ook economisch ontwikkelde het gebied zich anders dan in het verleden gedacht. De zesde eeuw, die traditioneel geldt als het begin van de donkere Middeleeuwen en een tijd van economische neergang, was juist een periode van bloei.