• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 1/2019

    Ian Kershaw: ‘Globalisering heeft het gevoel van onveiligheid vergroot’

    Interview over nieuw boek 'De naoorlogse achtbaan'

    Door: Bas Kromhout

    ‘Ik wilde nu eens meer te weten komen over de tijd waarin ikzelf leef,’ zegt Ian Kershaw. Daarom schreef de befaamde Britse historicus een boek over de Europese geschiedenis van de laatste 70 jaar. In Een naoorlogse achtbaan stelt Kershaw dat het leven van Europeanen sinds 2001 wordt beheerst door onveiligheid. Maar hij ziet ook lichtpuntjes. ‘Nu de economische voorspoed terugkeert, zullen mensen de EU misschien weer accepteren.’

    Eerst een vraag over Duitsland, een land dat u als geen ander kent. Maakt u zich zorgen over de groeiende populariteit van de Alternative für Deutschland?
    ‘Ik denk niet dat de AfD meer dan 20 procent van het electoraat achter zich zal weten te krijgen. Daarmee is het geen verwaarloosbare, maar ook geen beslissende factor in de Duitse politiek. Wat verder weinig mensen is opgevallen, is dat de recente regionale verkiezingen grote overwinningen hebben opgeleverd voor de Groenen. Zij zijn erg pro-Europees. Mijn gevoel zegt dat er in Duitsland een sterke antinationalistische stroming is die meer gewicht in de schaal legt dan de nationalistische aanhang van de AfD. Wel zorgt het aangekondigde vertrek van Merkel voor nieuwe onrust in de Duitse en de Europese politiek. Zelf wil ze nog tot 2021 aanblijven, maar wanneer je eenmaal hebt gezegd dat je gaat opstappen, is het meestal niet meer aan jouzelf om het tijdstip te bepalen.’

    U bent niet de eerste die een boek schreef over Europa in de twintigste eeuw. Andere beroemde historici, zoals Eric Hobsbawm, Tony Judt en Mark Mazower, gingen u voor. Miste u iets in hun werken?
    ‘Elk van die boeken is op zijn eigen manier excellent; vooral Na de oorlog van Judt is bijzonder goed. Maar terwijl je onderzoek doet naar het zeer recente verleden, verandert de wereld in hoog tempo. Hobsbawms Een eeuw van uitersten eindigt bij de val van het communisme in 1989; Judt en Mazower stoppen aan het einde van het millennium. Daarna hebben we 9/11 gehad, de oorlogen in Afghanistan en Irak, de kredietcrisis – noem maar op. Ik vind dat in een moderne geschiedenis van Europa deze nieuwe ontwikkelingen aan de orde moeten komen. Daarom loopt mijn verhaal door tot 2017.’

    Mark Mazower typeerde in Duister continent de twintigste-eeuwse geschiedenis van Europa als een strijd tussen liberale democratie, fascisme en communisme. De democratie won, maar het was kantje boord en de toekomst is onzeker. Onderschrijft u zijn lezing?
    ‘Ik ben nog pessimistischer dan Mazower toen hij in 2000 zijn boek schreef. Destijds werden de liberale democratieën in Europa nog niet met zulke grote uitdagingen geconfronteerd als tegenwoordig.’

    De tekst loopt door onder de afbeelding.


    De nucleaire wapenwedloop begint in 1949, als de Sovjets hun eerste atoombom laten ontploffen.

    Ziet u in de opkomst van nationalistisch en populistisch rechts een terugkeer van het fascisme?
    ‘Er zitten fascisten en neofascisten in bijna alle populistische bewegingen, maar je kunt die dingen niet aan elkaar gelijkstellen. Een van de grote verschillen is het ontbreken van gewelddadige paramilitaire organisaties. In onze tijd komen de uitdagingen vanuit het democratische systeem zelf.’

    Uw boek heeft geen centraal thema. Waarom niet?
    ‘Natuurlijk zijn er thema’s aan te wijzen, maar de geschiedenis van de laatste zeventig jaar kun je niet onder één noemer vangen. Je kunt die periode niet simpelweg reduceren tot de Koude Oorlog of de Europese integratie. Ook een thema als globalisering, hoe belangrijk ook, dekt niet de hele lading. Wat mij tijdens mijn research opviel, was dat de Europese geschiedenis sinds de Tweede Wereldoorlog niet in een rechte lijn verloopt, maar via pieken, dalen en haarspeldbochten. Zo kwam ik op de metafoor van de achtbaan in de titel van mijn boek.’

    U voert personen ten tonele die een belangrijke rol hebben gespeeld in het naoorlogse Europa, zoals Michail Gorbatsjov en Helmut Kohl. Zijn zij bepalender geweest dan structurele ontwikkelingen? 
    ‘Het is een centrale vraag in al mijn publicaties of individuele personen de geschiedenis vormen of door de geschiedenis worden gevormd. Met deze kwestie in het achterhoofd heb ik bijvoorbeeld mijn biografie van Adolf Hitler geschreven. Er is geen wiskundig antwoord, maar in sommige gevallen is moeilijk vol te houden dat de geschiedenis op dezelfde manier zou zijn verlopen als een bepaalde persoon niet had bestaan of geen machtspositie had verworven. Neem Michail Gorbatsjov: ik heb gesproken met diverse specialisten, en zij zijn het erover eens dat zonder hem het communistische regime nog een tijdlang zou hebben voortgestrompeld. Een ander, misschien minder duidelijk voorbeeld is Helmut Kohl. Hij nam het voortouw bij de hereniging van Duitsland, terwijl anderen terughoudend waren. Ook van Margaret Thatcher kun je zeggen dat ze een sterk eigen stempel heeft gedrukt. Hetzelfde geldt voor andere personen in de twintigste eeuw, maar tegelijkertijd waren veel ontwikkelingen structureel bepaald. Normaal gesproken opereren mensen binnen de gegeven kaders. Slechts af en toe in de geschiedenis komt er iemand naar voren die buiten de kaders treedt of deze herdefinieert.’ 
     

     In vergelijking met de jaren vijftig is de onveiligheid nu minder eenduidig, amorfer

    Waarom begint uw verhaal niet in 1945, maar in 1950?
    ‘In het mijn eerste boek over de geschiedenis van Europa, De afdaling in de hel, dat aan dit boek voorafgaat, heb ik de vijf chaotische jaren na de Tweede Wereldoorlog meegenomen en eindig ik met de ontploffing van de eerste atoombom van de Sovjets op 29 augustus 1949. Deze gebeurtenis markeert het begin van de nucleaire wapenrace tussen Oost en West. Bovendien brak in 1950 de oorlog in Korea uit. Vanaf dat moment stonden de Europese landen in dienst van de twee nieuwe supermachten en begon de naoorlogse achtbaanrit.’

    U onderscheidt twee periodes van onveiligheid. De eerste duurde van 1950 tot midden jaren zestig en hing samen met de dreiging van een nucleaire oorlog. Hoe reëel was het gevaar?
    ‘Tijdens de Cuba-crisis van 1962 zag het er even heel reëel uit. Mensen waren echt bang, zo blijkt uit dagboeken. Ik herinner me dat zelf ook. Alleen, je kon niet zo gek veel aan de situatie doen. Er waren wel betogingen tegen kernwapens, maar de meeste mensen moesten simpelweg doorgaan met hun leven. Er was sprake van een zeker fatalisme.’

    Maar tegelijkertijd groeide de welvaart. Wat overheerste in die dagen: het optimisme of het pessimisme?
    ‘Bij de meeste mensen toch het optimisme. Europa had een verschrikkelijke tijd achter de rug, maar het ging weer vooruit en materieel kreeg bijna iedereen het beter. De grote meerderheid van de bevolking accepteerde het feit dat er een wereldconflict was waar zij geen invloed op had. Dus het fatalisme ging hand in hand met het besef dat het leven aangenamer werd. Ik zie die twee dingen niet als tegengesteld.’

    De tekst loopt door onder de afbeelding.


    De Duitse Bondkanselier Helmut Kohl (Links) en Sovjetleider Michaeil Gorbatsjov praten over de Duitse hereniging, juli 1990.

    Mient Jan Faber, de belangrijkste antikernwapenactivist in Nederland, zei een paar jaar geleden dat hij van mening was veranderd: kernwapens waren juist een garantie voor wereldvrede.
    ‘Ik begrijp zijn draai. Op een bizarre manier zorgde het relatieve evenwicht in de nucleaire bewapening van de twee supermachten voor een zekere stabiliteit. Die zijn we kwijtgeraakt toen de wereld in de jaren negentig opschoof richting een multipolair model. De antikernwapenbeweging pleitte voor eenzijdig ontwapenen, maar de meeste Europeanen – van rechts tot sociaal-democratisch – voelden daar niet voor. Multilaterale ontwapening: ja. Maar als de andere partij niet meedeed, voelde de meerderheid zich veiliger mét dan zonder kernraketten.’

    Wat is de tweede periode van onveiligheid?
    ‘Daar zitten we middenin. In vergelijking met de jaren vijftig is de onveiligheid nu minder eenduidig, amorfer. Eén element is de nasleep van 11 september 2001 en de oorlogen in Afghanistan, Irak en Libië. Een ander belangrijk moment was de kredietcrisis van 2008, die de onveiligheid van onze financiële instituties heeft blootgelegd. De opkomst van het populisme laat zien hoe kwetsbaar onze politieke instellingen en culturele normen zijn. Verder hebben veel Europeanen onzekere banen. Dit zijn allemaal aspecten van de globalisering, die na de val van de Muur een enorme vlucht heeft genomen. Denk ook aan de communicatierevolutie. Aan globalisering zitten veel positieve kanten, maar die heeft het gevoel van onveiligheid op verschillende gebieden vergroot.’

    U noemt de aanslagen van 9/11 een kantelmoment. Waarom?
    ‘Het was een symbolische aanval op de Verenigde Staten, maar werd beschouwd als een aanval op het Westen als geheel. Het algemene gevoel was dat er een antwoord moest komen. De militaire interventie in Afghanistan genoot ook in Europa brede steun; zelfs Duitsland stuurde soldaten. Het gevolg was een langdurige betrokkenheid bij het Midden-Oosten en een golf van terroristische aanslagen in Europese steden. Nog steeds is de strijd in Afghanistan niet voorbij. En daar is in 2003 de desastreuze oorlog in Irak bij gekomen. De invasie in dat land had plaats onder valse voorwendselen en heeft de geloofwaardigheid van het Westen en zijn democratische waarden ondermijnd. Geostrategisch opende de Irak-oorlog de deur voor Iran en Rusland om hun invloed in de regio uit te breiden.’
     

    Het triomfalisme van de jaren negentig is achteraf zeker te betreuren

    Laten we het over de Europese integratie hebben: wat klopt er van de kritiek dat deze zich zonder de instemming van de burgers heeft voltrokken?
    ‘Die was nooit bedoeld als een democratisch proces. De Europeanen is nooit in een referendum gevraagd of ze voor of tegen integratie waren. Aan de andere kant: er was ook nauwelijks protest. Opiniepeilingen in de diverse landen wezen uit dat er een breed draagvlak bestond. Mensen beschouwden Europese integratie als een goede manier om een herhaling van de twee wereldoorlogen te voorkomen. En toen ze er eenmaal materieel de vruchten van plukten, hadden ze helemaal geen behoefte aan iets anders. Ze accepteerden het. Het is een beetje anachronistisch om met terugwerkende kracht te klagen dat het proces niet democratisch is geweest.’

    Was het verlies van overzeese koloniën een belangrijke motivatie voor de Europese landen om hun markten samen te voegen?
    ‘Nee, dat is een te eenvoudige interpretatie. In de jaren vijftig, toen de eerste stappen naar Europese eenwording werden gezet, was de voormalige koloniale grootmacht Groot-Brittannië nog lang niet van plan om mee te doen. Frankrijk wel, maar dat had te maken met de wens om de oude vijandschap met Duitsland op te lossen. Ook Nederland beschouwde de interne Europese markt niet simpelweg als vervanging voor Indonesië. De intra-Europese handel was altijd al groter in omvang dan de handel met de koloniën. Hoewel dekolonisatie en Europese integratie gelijktijdige processen waren, bestaat er geen causaal verband.’

    Was het een verkeerde beslissing om na 1989 de Europese Unie uit te breiden naar Midden- en Oost-Europa?
    ‘Ik snap waarom die beslissing is genomen, want het zit in de geschiedenis van de EU om landen op te nemen die zijn ontsnapt aan ondemocratische regimes, zoals eerder Griekenland, Portugal en Spanje. Maar de uitbreiding kwam te vroeg. De nieuwe lidstaten voldeden op geen enkele wijze aan de criteria in termen van economische stabiliteit, democratie en rechtsstaat. Daardoor werd de structuur van de Unie ondermijnd.’

     

    Heeft Poetin gelijk dat hij de uitbreiding beschouwt als bedreigend voor Rusland?
    ‘Uiteraard ben ik het niet met hem eens, maar vanuit zijn perspectief snap ik zijn zorgen. Hij ziet dat een organisatie die zegt te streven naar een steeds hechter verband zich in de loop van de tijd uitbreidt met landen die Rusland altijd tot zijn eigen invloedssfeer heeft gerekend. Hij ziet tegelijkertijd de NAVO hetzelfde doen. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom hij die ontwikkelingen opvat als een gevaar voor zijn manier van regeren.’

    Is het Westen te gretig geweest met het binnenhalen van de buit?
    ‘Het triomfalisme van de jaren negentig is achteraf zeker te betreuren. Vooral de expansie van de NAVO in het oosten berokkende schade aan het Russische prestige. De belangrijkste motivatie was bescherming bieden aan de Baltische staten. Begrijpelijk, maar niet direct noodzakelijk. Ik kan me niet voorstellen dat de Russen werkelijk die landen opnieuw willen annexeren, want dat zou hun een hoop problemen opleveren. In de Baltische landen begon tenslotte de oppositie tegen de Sovjet-Unie.’

    Is de EU een trein die alleen nog maar kan doorstomen richting méér eenheid, of anders zal verongelukken?
    ‘De Unie kan niet voorwaarts, maar ook niet achterwaarts. Ik zie op dit moment geen ruimte voor ingrijpende hervormingen. Maar de draden zijn in de loop van de tijd zo sterk verknoopt geraakt dat het weefsel zich ook niet gemakkelijk meer laat ontrafelen. De EU zal dus voort moeten gaan op de nogal onspectaculaire weg die zij al een lange tijd volgt, en blijven doormodderen.’

    Maar is dat een optie wanneer niemand tevreden is met de status-quo?
    ‘Europeanen hebben de integratie altijd het meest gewaardeerd vanwege de economische voorspoed die zij bracht. Nu die voorspoed langzaam terugkeert, is er een kans dat mensen de EU weer zullen accepteren, ook al zijn ze er niet dol op.’

     
    Ian Kershaw

    Ian Kershaw (1943) werd wereldberoemd met zijn boeken over het Derde Rijk. Hij leerde het vak bij de Duitse historicus Martin Broszat en werd in 1989 hoogleraar moderne geschiedenis in Sheffield. In 1998-2000 verscheen zijn baanbrekende tweedelige biografie van Adolf Hitler. Hij liet overtuigend zien dat de Holocaust voortkwam uit een mix van structurele factoren in de Duitse samenleving en Hitlers individuele rol als Führer.

    De afgelopen jaren werkte Kershaw aan een integrale geschiedenis van Europa in de twintigste eeuw en daarna, die opnieuw twee delen beslaat. In De afdaling in de hel uit 2015 behandelt hij de eerste vijftig jaar, Een naoorlogse achtbaan gaat over de periode na 1950.