• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 9/2008

    Herr Bondsrepubliek

    Willy Brandt (1913-1992)

    Door: Antoine Verbij/ Berlijn

    Als burgemeester van Berlijn en bondskanselier ijverde Willy Brandt voor een ‘hereniging in vrijheid’ van het gedeelde Duitsland. Zijn Ostpolitiek bracht hem de Nobelprijs, zijn knieval bij het gettomonument in Warschau maakte wereldwijd indruk. Als geen ander belichaamt Brandt de ontwikkeling van de Bondsrepubliek.

    Duitsland, augustus 1948. Op het Beierse eilandje Herrenchiemsee legde een aantal staatsrechtgeleerden de basis voor de grondwet van de Bondsrepubliek, die in mei van het daaropvolgende jaar in werking zou treden. In diezelfde periode nam het leven van Willy Brandt in Berlijn een nieuwe wending. Zijn eerste vrouw, de moeder van zijn dochter Ninja, stemde eindelijk in met een echtscheiding. Daardoor kon hij in het huwelijk treden met Rut Hansen, die hem gedurende de glansjaren van zijn loopbaan terzijde zou staan. 

    Minstens net zo belangrijk was dat hij weer het Duitse staatsburgerschap kreeg. In 1933 was Brandt voor Hitler naar Oslo gevlucht, waarop de nazi’s hem de Duitse nationaliteit ontnamen. In 1945 keerde hij, met een Noorse pas en gestoken in een Noors uniform, terug naar zijn vaderland. Hij kwam naar Berlijn als journalist en diplomaat.

    Brandt was als Herbert Frahm, buitenechtelijke zoon van Martha Frahm, opgegroeid in een arm sociaal-democratisch milieu in Lübeck. Hij werd al vroeg lid van de SPD, maar stapte uit onvrede over de lankmoedige houding van die partij tegenover de nazi’s over naar de linkse splintergroepering SAP (Sozialistische Arbeiterpartei). Voor die partij organiseerde hij het verzet, eerst vanuit Oslo, korte tijd ook undercover in Berlijn, en later – nadat Noorwegen door Hitler was bezet – vanuit de Zweedse hoofdstad Stockholm. Als schuilnaam koos hij ‘Willy Brandt’ – een ‘allemansnaam’, vond hij. Onder die naam werd hij na de oorlog weer lid van de SPD en burger van de Bondsrepubliek.

    Het is een geschiedenis die hem nog lang zou achtervolgen. Zijn tegenstanders in de vele verkiezingscampagnes die hij zou voeren probeerden hem iedere keer weer te belasteren met epitheta als ‘buitenechtelijk kind’, ‘communist’, ‘buitenlander’ en ‘landverrader’. Zulke aanvallen lieten de snel gekwetste Brandt nooit onberoerd, temeer daar hij zich tot in het diepst van zijn ziel een ‘Duitse patriot’ voelde, die van meet af aan het idee van één Duitse natie voor ogen had.
     

    Russische tanks

    Maar in 1949 stonden de signalen voor zo’n Duitse natie op onveilig. Duitsland was door de geallieerde bezetters opgesplitst in vier zones: een Engelse, een Amerikaanse, een Franse en een Russische. Ook Berlijn, dat midden in de Sovjetzone lag, was gevierendeeld. Toen in 1948 in de westerse zones van Duitsland én Berlijn de D-mark werd ingevoerd, sloten de Russen de stad van de buitenwereld af. West-Berlijn kon alleen nog maar via een luchtbrug worden bevoorraad. Elf maanden lang vlogen Britse, Franse en vooral Amerikaanse vliegtuigen voedsel en kolen naar de stad. Zo begon de geschiedenis van Berlijn als ‘frontstad’ in de Koude Oorlog.

    In datzelfde jaar veranderde de diplomaat Brandt in de volksvertegenwoordiger Brandt. Hij nam plaats in de banken van de SPD in de Bondsdag, het kersverse parlement in Bonn. Brandt voelde zich echter meer volksvertegenwoordiger van Berlijn dan van de SPD. De splitsing van Berlijn in een westelijk en een oostelijk deel ging hem aan het hart. Maar in zijn oordeel was hij helder: met de ‘totalitaire willekeur’ van het ‘communistische eenheidsfront’ dat zich in Oost-Berlijn ontwikkelde, wilde hij niets van doen hebben.

    In zijn eerste grote toespraken in Berlijn gaf Brandt meteen al blijk van zijn uitzonderlijke redenaarstalent. Net als zijn chef en mentor SPD-burgemeester Ernst Reuter wist hij de West-Berlijnse bevolking, die zwaar leed onder de Sovjetblokkade, tot moed en volharding aan te sporen. Toen Reuter in 1953 overleed, begon Brandt aan een onstuitbare opmars in de Berlijnse SPD, uitmondend in zijn verkiezing tot burgemeester in 1957.

    Maar al eerder bond Brandt vanuit Berlijn de strijd aan met de partijcentrale in Hannover en de Bondsdagfractie in Bonn. Het belangrijkste verschil van inzicht betrof de weg naar de hereniging van de beide Duitslanden. De partijtop voerde oppositie tegen CDU-bondskanselier Konrad Adenauer, die de Bondsrepubliek stevig wilde verankeren in de westerse bondgenootschappen. De SPD-leiding wilde liever een neutraal herenigd Duitsland. Maar vanuit de frontstad Berlijn zag Brandt dat met de Russen over een vrij en democratisch Duitsland niet te onderhandelen viel. Zeker niet nadat Russische tanks in juni 1953 in Oost-Berlijn een einde maakten aan een grote volksopstand.

    Voor Brandt was er maar één doel: ‘hereniging in vrijheid.’ En dat viel volgens de overtuigde anticommunist alleen te bereiken door de betrekkingen tussen de gewone burgers te stimuleren. Brandts politiek was er van meet af aan op gericht om op bestuurlijk niveau regelingen te treffen die een zo normaal mogelijk verkeer tussen de beide Duitslanden mogelijk maakten. Alleen op die manier kon het ‘interne Duitse gesprek op gang blijven dat uiteindelijk de grenzen zal doen vervagen’, zoals Brandt het in 1956 formuleerde. Deze ‘politiek van de kleine stappen’ zou altijd de kern blijven van zijn ‘oostpolitiek’.
     

    Lastercampagne

    In deze jaren kwam een aspect van Brandts persoonlijkheid aan het licht dat al even typerend voor hem zou blijken als zijn oostpolitiek. Doordeweeks hokten de leden van regering en parlement samen in de kleine provinciestad Bonn, om in de weekends braaf naar hun woonsteden terug te keren. In de wandelgangen, restaurants, cafés en tijdelijke onderkomens heerste een broeierige atmosfeer, waarin niet alleen politiek, maar ook erotiek een rol speelde. De aantrekkelijke en wereldse Brandt was daar niet ongevoelig voor. En aangezien hij, zoals hij ooit zei, ‘geen pilaarheilige’ was, gaf hij meer dan eens aan de verlokkingen toe.

    Zijn geliefde in Bonn was de ravissante Susanne Sievers, middelpunt van een populaire politieke salon. Er bleek meer in het spel dan een erotisch avontuur, gezien de hartstochtelijke brieven die Brandt aan haar schreef, door politieke vijanden later in een lastercampagne in de openbaarheid gebracht.

    Maar dat was niet het enige. Sievers leverde inlichtingen aan de geheime dienst van de DDR, en over de geheime dienst van de DDR praatte ze weer met de geheime dienst van de Bondsrepubliek. Voor dat laatste verdween ze twee jaar achter de tralies van de Oost-Duitse staatsveiligheidsdienst. Toen ze vrijkwam, meldde ze zich weer vrolijk in Bonn, hervatte haar verhouding met Brandt en leverde met verdubbelde ijver berichten aan de Oost-Duitse spionagedienst. Brandt maakte een einde aan de relatie toen hij burgemeester van Berlijn werd. Sievers heeft het hem nooit vergeven en mogelijk daarom zijn liefdesbrieven aan zijn vijanden doorgespeeld.

    Het burgemeesterschap van West-Berlijn was in de hitte van de Koude Oorlog een precaire positie. De stad bleef, anders dan de Bondsrepubliek, tot de val van het Oostblok onder de speciale supervisie van de westerse geallieerden. Die bijzondere status bood Brandt de gelegenheid om als zijn eigen minister van Buitenlandse Zaken op te treden. Hij voerde op eigen houtje onderhandelingen met de grootmachten en verwierf daarmee meteen al internationale faam.

    Die faam vestigde hij definitief in augustus 1961, toen hij zijn eerste verkiezingscampagne voor het bondskanselierschap afbrak om in Berlijn zijn diepe verontwaardiging over de bouw van de Muur te uiten, de West-Berlijners voor te gaan in emotionele massademonstraties en woedende protestbrieven te sturen naar de in zijn ogen veel te passieve westerse politiek leiders.

    Na krachtig aandringen bij Amerika’s president John F. Kennedy stuurde deze uiteindelijk 1500 man extra troepen naar Berlijn, die als bevrijders werden binnengehaald. In juni 1963 kwam Kennedy zelf en hield voor het oog van de wereldpers zijn beroemde rede die eindigde met de woorden: ‘Ich bin ein Berliner.’ Vierhonderdduizend West-Berlijners juichten Kennedy en Brandt hartstochtelijk toe. De commentaren waren eensluidend: hier stonden twee politici naast elkaar met een nieuw, eigentijds charisma: de twee mediagenieke persoonlijkheden belichaamden een moderne, vitale politiek die uitzicht bood op vrede en voorspoed.
     

    Jongerenrevolte

    Brandts populariteit in de Bondsrepubliek bleef in eerste instantie achter bij die in Berlijn. In Berlijn bezorgde hij de SPD bij verkiezingen keer op keer de absolute meerderheid, maar de Bondsdagverkiezingen van 1961 verloor hij overtuigend, evenals die van 1965. De coalitieregering van christen-democraten en liberalen, geleid door Ludwig ‘Wirtschaftswunder’ Erhard, bleef in het zadel, maar kwam een jaar later door economische tegenwind ten val. In de daaropvolgende grote coalitie van christen- en sociaal-democraten onder Kurt Georg Kiesinger werd Brandt minister van Buitenlandse Zaken. Met vrouw en kinderen en zijn staf, geleid door persoonlijk strateeg Egon Bahr, verhuisde Brandt voorgoed van Berlijn naar Bonn.

    De regering-Kiesinger voerde een groot aantal hervormingen door die de conservatieve regeringen-Adenauer en -Erhard telkens weer voor zich uit hadden geschoven. Met name op juridisch gebied werd schoon schip gemaakt, door wetten af te schaffen die nog uit de nazitijd en daarvóór stamden, zoals het verbod op echtbreuk en homoseksualiteit. Maar voor de jongste generatie Duitsers ging die modernisering lang niet ver genoeg.

    De internationale jongerenrevolte bereikte Duitsland en ook huize Brandt. Zonen Peter en Lars, door moeder Rut liberaal en door vader Willy níét opgevoed, deinden op de golven mee en kwamen regelmatig in botsing met de politie en hun vader. Het was welkome stof voor de haatcampagnes tegen Brandt van zijn vijanden in de politiek en media.

    Brandt antwoordde daarop door in redevoeringen en interviews openlijk over de conflicten met zijn rebellerende zonen te spreken. Hij pleitte ervoor de politieke eisen van de jongeren serieus te nemen, maar tegelijk wees hij hun gebruik van geweld scherp af. Toen hij bij een SPD-congres door een demonstrerende links-radicaal werd geslagen, eiste hij van zijn trotskistische zoon Peter per brief een verklaring en een verontschuldiging, die hij prompt kreeg en trots aan zijn partijgenoten liet zien.

    Van alle politici in die tijd was Brandt de enige die onder de opstandige jongeren respect genoot, niet in de laatste plaats dankzij zijn antifascistische verleden. Omgekeerd honoreerde Brandt de politieke motieven van de jongeren door in 1969 zijn eerste regeringsverklaring als bondskanselier het beroemde motto ‘Meer democratie wagen’ mee te geven, waarmee hij een hervormingsgezinde politiek aankondigde.

    Meteen in het eerste jaar van zijn kanselierschap zette Brandt vaart achter zijn oostpolitiek. Zijn belangrijkste onderhandelaar Egon Bahr doopte die ‘Verandering door toenadering’, maar wat Brandt in de Verdragen van Moskou en Warschau (1970) bereikte, leek eerder op revolutie dan verandering. Voor het eerst erkende de Bondsrepubliek officieel het bestaan van de deling en verklaarde ze de grens tussen Duitsland en Polen onaantastbaar. Vooral dat laatste ging met veel tegenstand gepaard van degenen die na de oorlog waren verdreven uit de Duitse provincies die deel van Polen waren geworden.
     

    Zo onaantastbaar als Brandts positie was in het buitenland, zo kwetsbaar was die in het binnenland.

    Van zijn kant greep Brandt de ondertekening van het verdrag in Warschau op 7 december 1970 aan voor een indrukwekkend gebaar van deemoed tegenover de miljoenen slachtoffers die nazi-Duitsland in Polen had gemaakt. Nadat hij bij het monument voor de opstand in het Warschause getto zijn krans had geschikt en het lint had rechtgetrokken, deed hij een paar passen achteruit en viel op zijn knieën.

    Dat spontane gebaar (Brandt zei achteraf tegen Bahr: ‘Ik had ineens het gevoel: stilstaan is niet genoeg’) maakte wereldwijd diepe indruk. Onder andere in Stockholm, waar men hem het jaar daarop de Nobelprijs voor de vrede toekende. En ook in Polen, waar men bij het gettomonument een plaquette aanbracht die aan de knieval herinnert.
     

    Spionnenechtpaar

    Zo onaantastbaar als Brandts positie was in het buitenland, zo kwetsbaar was die in het binnenland. Hij regeerde met een minieme meerderheid in het parlement, en toen een paar partijgenoten naar de oppositie overliepen, diende die meteen een motie van wantrouwen in. Tot ieders verbijstering haalde de motie het niet. Twee christen-democraten stemden tegen. Ze waren, zoals jaren later is komen vast te staan, elk voor 50.000 D-mark omgekocht door de geheime dienst van de DDR.

    Dat was dezelfde dienst die Brandt in zijn tweede regeerperiode de kop zou kosten. Dit keer niet tot vreugde, maar tot bittere spijt van DDR-meesterspion Markus Wolf. Wolf had het spionnenechtpaar Günter en Christel Guillaume in de Bondsrepubliek geparachuteerd. Met verbazing bekeek hij de steile carrière die Günter Guillaume in de SPD maakte. Die drong door tot in de persoonlijke staf van Brandt, was altijd aan zijn zijde en begeleidde de familie Brandt zelfs op vakantie. In het voorjaar van 1974 kwam de zaak aan het licht. De verbijstering was groot. Even hield de natie de adem in.



    Het werd Brandts diepste crisis, vooral ook omdat in het kielzog van Guillaumes ontmaskering allerlei affaires met vrouwen in de openbaarheid kwamen. Brandt was zijn leven lang al gevoelig gebleken voor depressies. Bijna elk najaar dook hij wel een week in bed en sloot hij zich voor iedereen af. Het aantal keren dat hij overwoog af te treden, als burgemeester, als minister, als bondskanselier, is niet te tellen. Dit keer dacht hij zelfs serieus aan zelfmoord. Zijn naaste werknemers wisten hem er ternauwernood van te weerhouden.

    Brandt trad af en liet zijn partijgenoot, rivaal en tegenpool Helmut Schmidt de problemen van de jaren zeventig oplossen: oliecrisis, inflatie, werkloosheid en het terrorisme van de Rote Armee Fraktion. Terend op zijn internationale reputatie bewoog Brandt zich voortaan voornamelijk op het wereldtoneel. Hij verkeerde met de groten der aarde, deelde her en der adviezen uit en nam zitting in internationale organen.

    Binnenlands speelde hij een bezwerende rol toen de SPD verscheurd raakte over de kernwapenwedloop. Terwijl bondskanselier Schmidt de NAVO verdedigde, bouwde Brandt als partijvoorzitter bruggen naar de vredesbeweging. Schmidts regering struikelde over de kwestie, het pacifisme kreeg vaste voet in de partij, met name bij de jonge Genossen die Brandts ‘kleinkinderen’ werden genoemd: Gerhard Schröder en Oskar Lafontaine.

    Het deed Brandt deugd dat Schmidts opvolger, de christen-democratische bondskanselier Helmut Kohl, zijn oostpolitiek in de kern voortzette. Ook Kohl vermeed grote confrontaties met het Oostblok en zette in op onderhandelingen en langzame toenadering. Brandt en Kohl hadden op dat vlak hetzelfde instinct, hetgeen ze regelmatig in vriendschappelijke gesprekken onder het genot van meer dan één fles wijn bezegelden.

    Maar ze waren niet zelf degenen die de kroon op hun oostpolitiek zetten. Dat waren de vluchtende en demonstrerende DDR-burgers, die de leiders van hun volksrepubliek zozeer verwarden dat op 9 november 1989 pardoes de Muur viel.

    Het moet met een intens gevoel van tevredenheid zijn geweest dat Brandt daags erna aan de voet van de Brandenburger Tor in Berlijn een journalist toevertrouwde dat ‘nu aaneengroeit wat aaneen hoort’, een zinsnede die tot de gevleugelde woorden van de Duitse geschiedenis is gaan behoren. Een uiting van eenzelfde tevredenheid was de reis die hij in maart 1990 door de DDR ondernam.

    Hij liet dezelfde treinwagon aanrukken waarin hij twintig jaar eerder naar Erfurt was gereisd om met DDR-president Willy Stoph te onderhandelen. Toen riepen de mensen overal: ‘Willy, Willy!’, en lieten er geen twijfel over bestaan dat ze Brandt bedoelden. Hij overnachtte in dezelfde hotelkamer van waaruit hij destijds de DDR-burgers had toegezwaaid. Opnieuw werd hij met warmte ontvangen. Zijn levenstaak was afgerond. Toen hij tweeënhalf jaar later overleed, kwam er een eind aan een vervuld leven.


    Kader 1. Razzia in Laren
    ‘Willy was verrukkelijk,’ herinnert Elisabeth Fischer-Spanjer zich. ‘Hij zag er fantastisch uit met zijn donkere achterovergekamde haar.’ Op 27 februari 1934 vond in jeugdherberg De Toorts in Laren een bijeenkomst plaats van jongeren uit linkse, veelal trotskistische splinterpartijen uit Europa en Amerika. De 19-jarige Fischer-Spanjer trad er op als tolk. De 21-jarige Willy Brandt, gekleed in schillerhemd en een pullover van velours, vertegenwoordigde er de Duitse Sozialistische Arbeiterpartei (SAP).

    Kort nadat iedereen zich had voorgesteld en de verkiezing van een voorzitter zou beginnen, viel de politie de jeugdherberg binnen en arresteerde alle aanwezigen. Op aanwijzing van burgemeester jonkheer Van Nispen tot Sevenaer werden de vier Duitse SAP’ers in Laren gevangengezet en later aan de grens aan de Duitse politie overgeleverd. Zij kwamen in het beruchte Columbia-huis in Berlijn terecht, het foltercentrum van de Gestapo. Een van hen zou later in Sachsenhausen de dood vinden.

    Onder hen was níét Willy Brandt. Hoewel hij met een Duitse pas Nederland was binnengekomen, was hij zo verstandig de Nederlandse politie slechts zijn Noorse verblijfsvergunning te tonen, die eruitzag als een pas. Omdat hij druk Noors praatte met enkele kameraden, zag de politie hem niet voor een Duitser aan. Hij werd met de andere internationale gasten in Amsterdam vastgezet en verhoord.

    Nederland behoedde destijds strikt zijn neutraliteit en duldde daarom geen internationale politieke bijeenkomsten op zijn grondgebied. De Amsterdamse politie besloot de links-radicale jongeren, onder wie Willy Brandt, stiekem over de grens naar België te smokkelen. Daar zetten ze hun conferentie in Brussel voort. Brandts SAP zou zich uiteindelijk van het trotskistische avontuur distantiëren.



    Meer informatie
    Boeken
    Het leven van Willy Brandt is vereeuwigd in een hele reeks biografieën. De uitvoerigste en degelijkste is die door Peter Merseburger: Willy Brandt, 1913-1992. Visionär und Realist (2003). Er zijn ook tal van deelstudies verschenen, zoals over zijn Noorse jaren, zijn Berlijnse jaren en de affaire-Guillaume.
    Brandts tweede vrouw Rut Brandt schreef een lezenswaardig boek met herinneringen: Freundesland (1992). Ook zoon Lars Brandt schreef herinneringen aan zijn vader op, in Andenken (2006). De vrouw met wie Brandt het laatste decennium van zijn leven deelde, historica Brigitte Seebacher, schreef een biografie: Willy Brandt (2004).

    Film
    In de tweedelige televisiefilm Im Schatten der Macht geeft regisseur Oliver Storz zijn versie van de Guillaume-affaire, die Brandt in 1974 tot aftreden bewoog. Het is vooral een spannende film, waarin – heel saillant – acteur Matthias Brandt, jongste zoon van Willy Brandt, de rol van Günter Guillaume speelt. De film werd in okober 2003 voor het eerst uitgezonden door de publieke omroep ARD en wordt met enige regelmaat herhaald.

    Websites
    Op de website van het Deutsche Historisches Museum (www.dhm.de/lemo/) is een goede chronologie van Brandts leven te vinden, met tal van doorklikmogelijkheden. Ook zijn er redevoeringen van Brandt te horen.
    De website van de Bundeskanzler Willy Brandt Stiftung (www.bwbs.de) bevat een interactieve biografie, die echter nogal ingewikkeld is en zich moeilijk laat bedienen.
    In 2004, dertig jaar na de Guillaume-affaire, stelde het weekblad Stern een dossier samen met artikelen over de kwestie en over andere, vooral persoonlijke aspecten van Brandts leven. Dat dossier is nog altijd te raadplegen op internet (www.stern.de).