• Afrekenen
  • Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 2/2004

    Helmut Kohl in ‘Bürger fragen – Politiker antworten’

    ‘De hele natie voelde zich geschoffeerd’

    Door: Martijn Blekendaal

    De uitzending Bürger fragen – Politiker antworten veroorzaakte op 22 februari 1979 een rel op de Duitse televisie. Nederlanders onderwierpen CDU-leider Helmut Kohl aan een kruisverhoor en de Duitsers waren woedend. Voor de Nederlanders was het onverteerbaar dat Kohl links-radicalen het leven onmogelijk probeerde te maken, maar vergevingsgezindheid tegenover oude nazi’s predikte, constateerde Volkskrant-correspondent Jan Luijten. ‘Mensen vroegen me: hoe kun je nog langer in die fascistische politiestaat blijven wonen?’ 

    Eind februari 1979 raakte het Nederlandse volk bijna zonder het te weten verwikkeld in een rel met West-Duitsland. Aanleiding was een televisie-uitzending waarin Nederlanders CDU-leider Helmut Kohl aan een kruisverhoor onderwierpen over de Tweede Wereldoorlog en de omgang met linkse terroristen. ‘Kohl und die Chaoten,’ kopte Bild am Sonntag kort daarna. 

    Jan Luijten (62) werkte op dat moment als correspondent voor de Volkskrant in Duitsland. De opschudding die het programma veroorzaakte, verbaasde hem niet. De heftigheid van de reacties wel. Luijten: ‘Binnen vierentwintig uur vijfhonderd boze telefoontjes. Later gevolgd door nog eens duizenden reacties. Zelfs een krant als de Frankfurter Allgemeine keerde zich in ongekend emotionele bewoordingen tegen de Nederlandse vragenstellers: “De wijze waarop verschillende vragen in een hoogste staat van opwinding met verwrongen gelaatstrekken werden uitgestoten is moeilijk nader te beschrijven. Maar van enkele van de handelende personen kan alleen maar gezegd worden dat zij van haat vervuld waren.” Overal trof je diezelfde verontwaardiging aan. Ik geloof dat de Bildzeitung het Duitse volk zelfs opriep om voortaan geen Hollandse kaas meer te eten.’

    Of Nederland daarvan wakker lag, valt te betwijfelen. Aan de meeste Nederlanders ging de opschudding geheel voorbij. De uitzending was weliswaar in Den Haag opgenomen, maar alleen in Duitsland uitgezonden. In Nederland begreep men alle heisa niet; Jan Luijten vormt wat dat betreft een uitzondering. Sinds 1970 woonde hij met vrouw en kinderen in de West-Duitse hoofdstad Bonn. Op 14 maart 1979 berichtte hij het vaderland: ‘Het was de afgelopen weken geen onverdeeld genoegen om als Nederlander in West-Duitsland te wonen. Zelden zijn de West-Duitsers zo boos geweest op de Nederlanders als na de Duitse televisie-uitzending Bürger fragen – Politiker antworten.’  
     

    Boe-geroep

    Het idee voor Bürger fragen – Politiker antworten kwam van Reinhard Appel, de presentator van het goedbekeken Journalisten fragen – Politiker antworten, een vergelijkbaar programma op het tweede Duitse net. Met de eerste verkiezingen voor het Europees Parlement in het vooruitzicht was Appel op het idee gekomen om Europese politici door Europese burgers te laten interviewen. Bondskanselier Helmuth Schmidt zou het Franse volk te woord staan, Joop den Uyl het Duitse, en Kohl het Nederlandse. De Volksuniversiteit werd gevraagd publiek te leveren en op 22 februari 1979 was het zover. De uitzendingen met Schmidt en Den Uyl waren prima verlopen. ‘Maar als ik het me goed herinner, is er na Kohl nooit meer een Bürger fragen – Politiker antworten op televisie geweest.’

    Als televisie-uitzending, vindt Luijten, was het vraaggesprek met Kohl enorm geslaagd. ‘Het was een heel levendige, spannende discussie. Het onderwerp Europa kwam nauwelijks aan bod. In plaats daarvan riep het Nederlandse publiek Kohl ter verantwoording over de situatie in West-Duitsland, waarop Kohl in woede ontstak. “Ik zit hier niet in een kruisverhoor!” Vervolgens klonk er boe-geroep van de tribunes, en uiteindelijk werden ook de Nederlandse vragenstellers steeds kwader. Kohl was een heel conservatieve man, die slecht met kritiek kon omgaan. Dat zag je duidelijk. Op kritische vragen reageerde hij geïrriteerd, onheus of hij ontweek antwoorden. Hij wist zich er geen raad mee. Je zag hem onmiddellijk verstarren, en daardoor raakte de zaal weer geërgerd, en ontstond er een soort kettingreactie. Het liep behoorlijk uit de hand.’

    Na afloop kreeg Reinhard Appel de zwarte Piet toegespeeld. Wat voor mensen had hij daar in ‘s hemelsnaam bij elkaar gebracht, vroegen de Duitsers zich af. ‘Een pijnlijke vraag natuurlijk, want hij had het selecteren van publiek uitbesteed.’ Niettemin oordeelde Appel dat de geselecteerde vragenstellers een juiste weerspiegeling vormden van de Nederlandse samenleving. En volgens Luijten zou dat best wel eens kunnen kloppen. ‘Naar mijn idee ging het er niet om of er linkse of rechtse mensen in het publiek zaten. Het ging om een botsing van twee culturen, de Duitse met de Nederlandse.’ 

    ‘In Nederland waren wij eraan gewend geraakt dat politici ook maar gewone mensen zijn. En dat je die ook als gewone mensen kon benaderen. In Duitsland stonden politici op een voetstuk. Men keek tegen hen op en behandelde ze met een zekere hoffelijkheid. Bovendien werden politici al snel vereenzelvigd met de staat. Dat merkte je ook in de reacties. Het was niet zozeer Kohl die onhoffelijk was behandeld alswel de Duitse staat. De hele natie voelde zich geschoffeerd.’

    Tegelijkertijd bleek dat de Nederlanders en de Duitsers elkaar maar slecht kenden. Luijten: ‘Over het algemeen kun je zeggen dat de doorsnee-Duitser niet goed op hoogte was van wat zich in het buitenland afspeelde. Overigens betwijfel ik of dat tegenwoordig anders is. De Duitse media waren erg gericht op binnenlandse kwesties; iets wat, denk ik, eigen is aan alle grote landen. Er was wel berichtgeving uit het buitenland, maar dan ging het over opmerkelijke incidenten. Duitsers hadden daardoor geen idee hoe de Nederlandse samenleving in elkaar zat. Wij zijn in Duitsland toch heel lang – en misschien nog steeds wel – afgeschilderd als een heel aardig volkje. Dat beeld werd door de televisie-uitzending danig verstoord. We lieten Kohl niet uitspreken, gingen tekeer en vielen hem aan met kritische vragen. Nou, dat vonden de Duitsers allesbehalve tolerant.’ 
     

    Berufsverbote

    Omgekeerd klopte het beeld dat Nederlanders van Duitsland hadden ook niet. In Nederland is het besef maar langzaam gegroeid dat er na 1949 een ander, democratischer Duitsland was ontstaan. De rigoureuze manier waarop Duitsland de bestrijding van linkse terroristen van de RAF ter hand nam, was voor een deel van de Nederlanders het bewijs dat fascisme bij de oosterburen nog altijd op de loer lag.
    De antiterreurwetgeving ging, vindt Luijten, soms ook wel erg ver. ‘Helmut Schmidt, de toenmalige bondskanselier, zei in 1977 dat hij bij de bestrijding van het terrorisme tot aan de grenzen van de rechtsstaat zou gaan. Maar met sommige maatregelen leek hij die grenzen te overschrijden. Zo werden er op het hoogtepunt van de terreurgolf in de “Duitse herfst” van 1977 ad hoc allerlei wetten door de Bondsdag gejaagd wetten die soms met terugwerkende kracht werden toegepast.’

    Een ander voorbeeld is het radicalenbesluit van 1972, bedoeld om zowel linkse als rechtse radicalen uit overheidsdienst te weren. In de praktijk werden deze Berufsverbote nogal selectief toegepast. Alleen vermeende links-radicalen konden plotseling niet meer postbode of treinmachinist worden. ‘Ik heb verschillende mensen die door de maatregel waren getroffen geïnterviewd. Een juriste, bijvoorbeeld, die was afgewezen voor een aanstelling als rechter. Niet omdat ze zelf communiste was, maar omdat ze lid was geweest van een vereniging van rechtenstudenten met een aantal communisten in haar gelederen. Het feit dat ze met die mensen had samengewerkt was genoeg om haar sollicitatie af te wijzen.
    Een andere maatregel uit die tijd is een verbod op boeken die geweld zouden propageren. Ik herinner me nog dat de fractieleider van ik geloof de CSU  tijdens een debat in het parlement een boek van Heinrich Böll wilde verbieden. Heinrich Böll! Die had in 1972 de Nobelprijs gewonnen! Zulke voorvallen hoorden helemaal bij de rare collectieve hysterie die in de nasleep van de Duitse herfst in Bonn heerste. Buitenlandse kranten schreven er graag over. Ik heb er zelf ook veel over geschreven. Na die uitzending met Kohl en alle ophef ben ik me gaan realiseren dat er uit al die losse berichten bij de lezers kennelijk een scheef beeld van Duitsland was ontstaan.

    Zo scheef zelfs dat ik Duitsland moest verdedigen op de momenten dat ik in Nederland was. Mensen vroegen me: hoe kun je nog langer in die fascistische politiestaat blijven wonen? En dan probeerde ik duidelijk te maken dat het zo erg nog niet was. Want dat Nederlandse beeld klopte natuurlijk van geen kant. Wat mensen zich niet realiseerden, was dat die veiligheidsmaatregelen incidenten waren en zich bijvoorbeeld slechts concentreerden op een beperkt aantal plaatsen, zoals de regeringswijk in Bonn. Vijf kilometer verder, buiten het regeringscentrum, was er veel minder te zien, en in andere steden merkte je al helemaal niets van die vermeende “politiestaat”. Maar daarover schreef je als correspondent natuurlijk niet. Journalistiek gaat over man bijt hond, nooit over hond bijt man.’ 
      

    Moffen

    Maar zelfs als zijn stukken meer ‘hond bijt man’ waren geweest, dan nog zou het Nederlandse beeld van Duitsland niet kloppen. Want, zegt Luijten, begin 1979 stond de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog een genuanceerd beeld nog altijd in de weg. ‘Wantrouwen bepaalt relatie Nederland-West-Duitsland,’ concludeerde hij in een beschouwend artikel over de rel. Juist doordat Nederland en Duitsland tijdens de jaren zeventig een verschillende maatschappelijke ontwikkeling doormaakten, nam dat wederzijdse wantrouwen weer toe. Zo was het voor Nederlanders onverteerbaar dat Kohl links-radicalen het leven onmogelijk probeerde te maken, maar vergevingsgezindheid tegenover oude nazi’s predikte. 

    ‘Kohl,’ aldus Luijten, ‘sprak van de Gnade der Spätegeburt. Waarmee hij bedoelde: ik heb met het nazi-verleden niets te maken, want ik was heel jong tijdens de oorlog. Dus val me met dat verleden niet lastig. Zo was de CDU/CSU begin 1979 in meerderheid ook voor verjaring van moorden die tijdens de Tweede Wereldoorlog gepleegd waren.Veel Nederlanders wilden juist dat die verjaring werd opgeheven, wat enkele maanden na de uitzending uiteindelijk ook is gebeurd.’ 

    ‘Ten slotte speelde een rol dat Duitsland in de jaren zeventig slecht tegen kritiek uit het buitenland kon. West-Duitsland zag zichzelf graag als het bestje jongetje uit de Europese klas. Kritiek uit het buitenland werd snel afgedaan als vooringenomenheid. Duitse media spraken dan van een nieuwe campagne tegen die “hässliche Deutschen”, vrij vertaald: die moffen. Wij Duitsers, zo werd geredeneerd, kunnen vanwege de oorlog toch nooit iets goed doen.’

    Overigens deed de rel rond het programma Bürger fragen – Politiker antworten nog wel iets goeds. Aan minister-president Van Agt vertrouwde Kohl toe dat zo’n uitzending electoraal gezien voor hem en de CDU/CSU best wel eens positief zou kunnen uitpakken.