Home Dossiers Negentiende eeuw Nederland heeft weinig standbeelden van nationale helden

Nederland heeft weinig standbeelden van nationale helden

  • Gepubliceerd op: 9 februari 2024
  • Laatste update 13 feb 2024
  • Auteur:
    Thomas von der Dunk
  • 14 minuten leestijd
Potloodtekening door Ludwig Rohbock (1850). Achter het beeld de Gotische Galerij. Rechts een deel van het paleis Noordeinde.
Cover van
Dossier Negentiende eeuw Bekijk dossier

Waarom nu?

De gemeente Hoorn schuift een beslissing over het standbeeld van Coen voor zich uit. De gemeente wil eerst nog een aantal 'stadsgesprekken' over het beeld van de gouverneur-generaal voeren.

‘Ik heb liever dat men zich afvraagt waarom er nog géén standbeeld voor mij is opgericht, dan dat men zich afvraagt waarom er wél een standbeeld voor mij is opgericht,’ zou de Romeinse consul Cato de Oudere ooit hebben verklaard. In dat opzicht konden veel Nederlandse historische figuren tot ver in de negentiende eeuw innig tevreden zijn. Een standbeeld waarmee zij werden geëerd bleef heel lang uit. Dat we daarmee ernstig bij het buitenland dreigden achter te blijven, begon op den duur ook in Nederland zelf op te vallen.

Meer historische context bij het nieuws? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Vooral de achterstand met België, dat zich in 1830 van het eigen vaderland had afgescheurd,  werd als pijnlijk ervaren. Juist nu Nederland door die vervelende Belgen definitief niet meer de fictie kon ophouden een grote mogendheid te zijn, moest die grootmachtsstatus van het verleden gekoesterd, gevierd en verkondigd worden. Niets kon daarbij zo goed helpen als de oprichting van openbare monumenten, ter meerdere glorie van het vaderland.

Standbeeldenmanie

Daarmee stond Nederland uiteraard niet alleen: in heel Europa grepen oude en jonge naties in het tijdperk van het nationalisme naar dat middel van zelfbevestiging. De daaruit voortgekomen statuomanie geldt dan ook als een typisch negentiende-eeuws fenomeen. In Nederland leek die alleen moeilijker op gang te komen dan elders.   

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Het tijdschrift Kunstkronijk klaagde in 1840: ‘Een volk, van standbeelden, ontbloot, geeft het aanzien, alsof het nimmer groote mannen zag geboren worden. Wanneer andere volken, weinig beroemden mannen eerezuilen oprigten, zouden wij dan niet, met regt, onze veelberoemde helden, kunstenaars, letterkundigen en wat diens meer zij, mogen verheerlijken? Zouden een Rembrandt, een Tromp, een de Ruijter, een Cats, een Hooft, een Willem van Nassau, een Maurits, niet een standbeeld verdienen?’

Wat Michiel de Ruyter betreft werd Vlissingen het jaar erop al met een  standbeeld bediend, Willem van Oranje kreeg er voor het einde van het decennium in Den Haag zelfs twee, Rembrandt volgde in Amsterdam in 1852. De enige uit de reeks die er anno 1840 inderdaad al in steen stond: ‘vadertje’ Cats, symbool van nationale deugdzaamheid en daarmee zogezegd de Nederlandse tegenhanger van de oude Cato. Het werd in 1829 in, of all places, het minuscule Zeeuwse stadje Brouwershaven – zijn geboorteplaats – opgericht. Op initiatief van de plaatselijke voorzitter van Het Nut en van diens zoon, predikant in een dorpje even verderop.

Standbeeld van Michiel de Ruyter
Het standbeeld van Michiel de Ruyter in Vlissingen.

Minder martiaal

De klaagzang van de Kunstkronijk past bij het ook tegenwoordig circulerende cliché over monumentale openbare sculpturen in Nederland: die hebben we niet. Standbeelden? Daar doen wij niet aan. Nu valt dat bij een goede beschouwing wel mee. Er zijn er wel wat minder dan in grote landen als Duitsland, Frankrijk, Engeland en Italië, waarmee Nederland zich dan vaak onwillekeurig vergelijkt. Maar er zijn er zeker niet minder dan in Scandinavië. Wat wel duidelijk opvalt: in Nederland zijn alle standbeelden hooguit iets meer dan levensgroot. Echt kolossale, van de soort als van Wilhelm I op het Deutsche Eck bij Koblenz, ontbreken. Evenals de bijbehorende gigantische sokkels.

Ook zijn ze in Nederland veel minder martiaal. Waar buitenlandse bronzen collega’s nog wel eens wild met zwaarden zwaaien en stervende slachtoffers aan hun voeten laten kronkelen, staat onze De Ruyter er in Vlissingen voor een krijgsheer zeer ontspannen bij. Niet eens met een wapen in de hand! Meer als bedachtzame probleemoplosser dan als onverschrokken zeeheld vol doodsverachting. 

Wat duidelijk opvalt: in Nederland zijn alle standbeelden hooguit iets meer dan levensgroot

Kenmerkend voor de Nederlandse situatie is ook de discussie die in de jaren veertig over Willem van Oranje in Den Haag woedde, en die uiteindelijk twee monumenten opleverde. Eentje staat vlak voor Paleis Noordeinde, als een soort privéonderneming van Willem II. Daarvoor werd, overeenkomstig diens autoritaire wereldbeeld, inderdaad een martiaal monarchaal ruiterstandbeeld met Oranje als krijgsman gekozen. Zoals een ruiter met strakgetrokken teugels zijn paard leidt, zo leidt een heerser zijn land.

Iets dergelijks werd echter door de Haagse burgerij, van wie het plan voor monumentale verering aanvankelijk stamde, niet gewaardeerd. Die wenste voor háár monument van de Vader des Vaderland, een gewoon standbeeld op het Plein. Dat was meer passend bij de staatsman die men vieren wilde. Zó succesvol was hij als legeraanvoerder  ook niet geweest. Volgens de grote katholieke voorman Jozef Alberdingk Thijm was iets als een Willem-te-paard hooguit geschikt als pendule boven de open haard. Nu dachten argeloze passanten dat de ene Willem er was voor de infanterie, en de andere voor de cavalerie.

Geen marmeren kolos

Niet alleen bleef Nederland van reuzenstandbeelden ontbloot, dat gold ook voor reuzenmonumenten als zodanig. Aan het Binnenhof geen gigantische marmeren kolos als in Rome het Monumento Vittorio Emanuele naast het Capitool. Het enige dat qua formaat daarmee in Nederland kon wedijveren, was de Pyramide van Austerlitz (1804), een monument uit de Franse ‘bezetting’. Toen deelde Nederland niet alleen in de gangbare Egypte-rage, maar ook in de opgelegde verering van Napoleon.

De Piramide van Austerlitz in 1805.
De Piramide van Austerlitz in 1805.

Dat leidde in 1813 zelfs nog tot diverse Nederlandse bijdragen aan plannen voor een monument ter meerdere glorie van de onoverwinnelijke keizer op de Mont Cenis (1813). Het was de eerste en de laatste keer dat Nederlandse kunstenaars zich aan een monument van dergelijk formaat hebben gewaagd. Dat stond vervolgens, nadat het hele project als gevolg van de verloren Volkerenslag in duigen was gevallen, hergebruik van bepaalde elementen voor de Gedenknaald in Soestdijk (1820) niet in de weg. Terwijl die juist de eindoverwinning bij Waterloo op de Grote Onoverwinnelijke moest vieren.

Daarna werd het op dit vlak betrekkelijk stil. Dat deed dus de Kunstkronijk twintig jaar later haar noodkreet slaken, temeer daar buiten Cats sinds het herstel van de Nederlandse Onafhankelijkheid geen enkel ander standbeeld was verrezen. In dat opzicht moest men het verder nog doen met de twee overgeleverde uit de gloriejaren van de Republiek: Erasmus (1622) in Rotterdam en Coster (1722) in Haarlem. Beiden geen vorsten, wat afweek van wat elders in Europa gebruikelijk was. 

Belgische kunstenaars

Cats was zo in 1829 de derde in de rij. De daarvoor aangezochte kunstenaar kwam uit Gent. Het was niet de laatste Vlaming die ter vervulling van de Nederlandse monumentenbehoefte te hulp geroepen zou worden. Op dat moment van broederlijke eendracht van Noord en Zuid was dat nog geen probleem. Na de Belgische Opstand des te meer, omdat Nederland zich na 1830 op monumentenvlak vooral met het jonge België wilde meten. Daarom was het uiteraard pijnlijk, dat Nederland uitgerekend van Belgische kunstenaars afhankelijk bleek. De bekendste naam in dit verband  is die van de Mechelaar Louis Royer. Die tekende, nadat hij naar het noorden was verhuisd (dat wel), voor Rembrandt, De Ruyter en een van beide Willems. Later volgden nog Vondel voor Amsterdam en een nieuwe Coster voor Haarlem.

Na de Belgische Opstand was het pijnlijk dat Nederland uitgerekend van Belgische kunstenaars afhankelijk bleek

Nederland had nu eenmaal, zo moesten tijdgenoten tot hun grote droefenis constateren, zelf geen traditie met grote sculpturen in de buitenlucht. En dus waren er geen beeldhouwers van eigen bodem die zo’n taak aankonden. Dat werd algemeen geweten aan het daarvoor weinig vriendelijke klimaat en aan gebrek aan goed materiaal. Maar ook aan de eeuwige calvinistische afgodenkritiek, aan het ontbreken van hof en kerk als opdrachtgever, en aan de spreekwoordelijke Nederlandse zuinigheid. En inderdaad, er zou de komende decennia zelden een voorstel voor wat voor monument dan ook worden gedaan, of er volgde wel meteen ergens een zure reactie dat men al dat dure geld beter aan een sociaal doel besteden kon.

Onontkoombaar geruzie

Of het nu mede door de Kunstkronijk kwam of niet, vanaf de jaren veertig begon ook in Nederland de monumentenproductie op gang te komen. Zowel voor duidelijk ‘nationale’ monumenten als voor meer lokale. Steden schoven gewoon een eigen held voor een beeld of buste naar voren , die ook prima in de reeks van mannen van nationale betekenis zou kunnen passen. De gezamenlijke vrijheidsstrijd tegen de Spanjaarden, de Fransen of wie dan ook, had ook plaatselijke helden voortgebracht. En die Rembrandt van Amsterdam was niet de enige schilder die voor de bloei van de Nederlandse schilderschool in de Gouden Eeuw van belang was geweest. Andere steden hadden in die dagen ook wat te bieden gehad, en boden dus nu ook graag voor hún grote bronzen man een sokkel aan. Nationalisme en lokaal patriottisme gingen hier hand in hand.

Het standbeeld voor Cats was aan een particulier initiatief te danken geweest. Dat zou voor veruit de meeste monumenten in Nederland in de rest van de eeuw kenmerkend zijn: een meestal uit vrijwillige bijdragen betaalde onderneming van in comités verenigde burgers, soms puur plaatselijk, soms landelijk met een reeks van plaatselijke subcomités. In het laatste geval ging het dan om de grotere nationale monumenten. Bij groot en klein werd de eerste steen graag op een symbolische dag gelegd. Soms, als gevolg van vertraging in de planning, voor een gedenkteken waarvan men op dat moment nog niet eens wist hoe het er precies uit ging zien. Daaraan ging dan regelmatig een prijsvraag vooraf. Daarover volgde dan het onontkoombare geruzie.

Detail van het standbeeld van Jacob Cats in Brouwershaven.
Detail van het standbeeld van Jacob Cats in Brouwershaven. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed/Wikimedia.

Koninklijk beschermheerschap werd vaak op prijs gesteld, een gift uit die kringen ook. Verder speelden de Oranjes bij dit alles amper een actieve rol. Ook hun passieve rol, als vereerd object, bleef beperkt. Monumenten voor andere Oranjes dan Vader Willem bleven tot de in 1898 inzettende Wilhelmina-golf schaars. Zelfs in dat geval kwam de koning van dienst of een familielid het beeld dan hooguit onthullen. Maar dat deden ze ook bij veel andere standbeelden en monumenten. Meestal bij kou, wind en regen, waardoor nogal wat langdradige feestredes van dominees onverstaanbaar werden. En zeker in twee gevallen stortten tijdens de met vuurwerk verluchtigde festiviteiten de tribunes in.

In de eerste jaren was vooral de concurrentie met het gloednieuwe België een belangrijke drijfveer. Zo mocht de bronzen Rubens (1840) in Antwerpen niet onbeantwoord blijven, al duurde dat Rembrandt-antwoord de facto nog twaalf jaar. Veel directer met het Belgische debacle van 1830 verbonden was uiteraard Van Speijk. Die kreeg al zeven jaar na zijn zelfontploffing in Egmond aan Zee  een tot Van Speijktoren omgedoopte nieuwe vuurtoren cadeau. Daarmee sloeg men meteen twee vliegen in een klap, want die vuurtoren was toch al nodig. Het idee vloeide voort uit geldgebrek, dat weer niet los te zien viel van het feit dat Willem I tien jaar lang koppig – maar wel geheel in de geest van Van Speijk –  weigerde om voor de Belgen te buigen.

Naatje op de Dam

Belangrijker, ook omdat die door de locatie in Amsterdam letterlijk meer in het blikveld kwam te staan, werd het ‘Monument ter herinnering aan den Volksgeest in de jaren 1830 en 1831’, in de volksmond bekend als Naatje op de Dam. Dat moest in 1856 weerwerk bieden aan het Martelaarsmonument in Brussel (1838) dat de gevallen Belgische vrijheidsstrijders eerde. Amsterdam moest het doen met de deelnemers aan de Tiendaagse Veldtocht .

Het plan kwam van de veteranenvereniging Het Metalen Kruis, die er financieel alleen niet echt de handen voor op elkaar kreeg. Om die reden bleek brons voor de bekronende figuur van de Eendracht (Naatje) te duur en koos men voor steen. Dat was inderdaad niet duur, maar ook niet duurzaam. Al spoedig vroor Naatjes neus kapot, en in 1905 brak ook haar arm af, die bij de val op het plaveisel op een haar na enige passerende politieagenten raakte.

Maar al bij de onthulling in 1857 was de volksgeest niet meer wat zij in 1831 was. Aanvankelijk was Naatje als een assertief antwoord op het Martelaarsmonument gedacht, als statement ‘tegenover afvallig geworden broeders, die zich hadden laten verleiden door het gefleem en het vogelaarsgefluit der ondankbaarheid en der baatzucht om de banden te verbreken die het stamverwante Noord- en Zuid-Nederland aaneenhechtten’ (aldus de veteranenvereniging), waarbij de IJ en Amstelbode zelfs een geknielde Belg aan de voeten van een Hollandse krijgsman had willen zien. De uitkomst was diametraal tegenovergesteld.

Op 8 april 1914 wordt Naatje weggetakeld
Op 8 april 1914 wordt Naatje weggetakeld.

Al te assertief moest het monument namelijk niet worden, omwille van de lieve vrede. Uit het prijswinnende ontwerp werd zodoende het enorme, van veroverde Belgische kanonnen te vervaardigen Metalen Kruis bovenop geschrapt en door de Eendracht vervangen. Bij de onthulling prijkte zelfs naast de Nederlandse nog de Belgische vlag, en in plaats van een geknielde Belg zag men er in de feestdecoratie de Belgische maagd zusterlijk met de Nederlandse verenigd. Ook viel op dat op Naatje als monument van anti-Belgische nationale gezindheid wel wat af te dingen was. De ontwerpers van het onderstuk én van het beeld (Royer) waren beiden geboren Belgen, en het geheel werd uit Belgische steen door een Belg in het Belgische Antwerpen gebeiteld. Maar de Belgische Opstand was inmiddels te lang geleden om nog echt woede op te wekken. Velen beschouwden zelfs het monument als zodanig als beledigend voor het nationale gevoel van een buurvolk waarmee men allang weer op goede voet verkeerde.

Op goede voet verkeerde men daarentegen minder met de Fransen. Napoleon prijkte samen met Filips II bovenaan de nationale index van boemannen. In dat opzicht kwam het goed uit dat al spoedig de herdenkingsaandacht van de Belgen naar de Fransen kon worden verlegd: met het Monument voor 1813 ter gelegenheid van vijftig jaar onafhankelijkheid. Ook hiervan werd de uitvoering grotendeels aan België uitbesteed. Dit nationale project bleek vervolgens goed voor nog veel ernstiger nationale verdeeldheid: de op de Amsterdamse Dam bezworen Eendracht was spoedig verder weg dan ooit.

Antipapisme

Wat hier namelijk aan het licht trad, was de diametraal tegenovergestelde visie van katholiek en protestants Nederland op aard en ontstaan van het eigen land. Die zou vanaf dat moment menig nationaal monumentendebat verzieken. Polemisch aanvoerder van het katholieke kamp was dan steevast Thijm. Met de door het Monument voor 1813 te bezweren nationale eendracht ging het al mis omdat in de prijsvraag Thijms zwager, Pierre Cuypers, met zijn door protestants en liberaal Nederland als rooms en middeleeuws verafschuwde neogotische inzending het onderspit delfde. Katholieken meenden daarin een zoveelste blijk van antipapisme te moeten ontwaren.

Maar het ging ook mis omdat velen er meteen ook de Opstand wilden bijhalen, door de bevrijding van 1813 in één moeite door aan de bevrijding van 1568 te koppelen – Napoleon als reïncarnatie van Filips II. En dan moet je natuurlijk net Thijm hebben. Die zag in 1568 weinig bevrijding maar vooral veel onderdrukking van zijn eigen volksdeel . En waar Napoleon een onrechtmatige machthebber was, betitelde hij Filips II als de wettige monarch.

De hiermee blootgelegde kloof in  visie op de geschiedenis tussen Thijm en liberaal en protestants Nederland zou daarna nog bij menige monumentenkwestie opspelen. Vanaf 1868 kwamen onvermijdelijk de herdenkingen van de Tachtigjarige Oorlog zelf aan de beurt. (Geplande) monumenten met bijbehorende herdenkingsfeesten voor de Slag bij Heiligerlee, voor de Inname van Den Briel, voor de Victorie bij Alkmaar, voor het Ontzet van Leiden waren steeds goed voor een stroom van opgewonden geschriften. De herdenking van Den Briel vormde zelfs een zó heet hangijzer dat het enige monument dat er uiteindelijk kwam, de Maagd van Holland in Rotterdam (1874), elke concrete verwijzing naar de gebeurtenissen in 1572 ontbeerde. Er moest vooral worden herdacht  dat de herdenking daarvan, twee jaar eerder, niet al te zeer uit de klauwen was gelopen.

Openingsafbeelding: Potloodtekening van een standbeeld van Willem van Oranje door Ludwig Rohbock (1850). Achter het beeld de Gotische Galerij. Rechts een deel van het paleis Noordeinde.