• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 7/2008

    Geschiedenis van de hypotheekrenteaftrek

    Niet meer dan een belastingtechnische maatregel

    Door: Bas Kromhout en Rens Oving
    De hypotheekrenteaftrek was jarenlang een heilig huisje in de Nederlandse politiek. De regeling wordt vaak gezien als instrument om eigenwoningbezit te stimuleren. Maar dat was niet de reden waarom de aftrek ooit werd ingevoerd. De gedachte dat kopen beter is dan huren brak pas na 1945 door. De kosten van de hypotheekrenteaftrek voor de schatkist zijn in de afgelopen decennia omhooggeschoten. Wie het duurst woont, heeft het meeste profijt. Toch bleef de aftrekregeling tot voor kort een heilig huisje in Den Haag. Voor het CDA en de VVD was elke aantasting taboe, maar daar lijkt nu een eind aan te komen: het aankomende kabinet heeft voorgenomen de regeling af te bouwen.

    De voorzichtigheid rondom de hypotheekrenteaftrek kwam niet alleen voort uit de angst om kiezers met een koopwoning tegen zich in het harnas te jagen, maar ook uit de diepgewortelde overtuiging dat de hypotheekrenteaftrek maatschappelijk nut heeft. Zoals Jan Peter Balkenende in 2006 zei in een uitzending van Radio 1: ‘De hypotheekrenteaftrek is een instrument dat de overheid heeft geboden om het eigenwoningbezit te stimuleren.’ Hierover bestaat onder politici en beleidsmakers hoegenaamd geen verschil van mening. Maar wie de geschiedenis in duikt, ontdekt dat de aftrekregeling ooit om heel andere redenen is ingevoerd.
     

    Huurwaardeforfait

    De hypotheekrenteaftrek stamt uit 1893, toen de eerste inkomstenbelasting in Nederland van kracht werd. Tot die tijd werden belastingen geheven in de vorm van accijnzen, voornamelijk op eerste levensbehoeften als zout, zeep en suiker. Omdat de accijnzen voor iedereen even hoog waren, vormden zij voor de arme bevolkingsgroepen een veel zwaardere financiële last dan voor de rijken. Vanuit links-liberale hoek klonk daarom de roep om ze grotendeels te vervangen door een belasting op inkomsten.

    Hervorming van het ‘onbillijke’ belastingstelsel was een ‘dringende eisch der rechtvaardigheid’, zo stond in de troonrede die koningin-regentes Emma in 1891 voorlas. Nog geen jaar later slaagde minister van Financiën Nicolaas Pierson erin om de eerste Wet op de Vermogensbelasting door de Tweede Kamer te loodsen.

    Voortaan moest iedere Nederlander belasting betalen over het inkomen dat hij verdiende. Daaronder viel ook zijn woning, wanneer hij die in eigen bezit had. De redenering die hierachter school was deze: wie een huis bezat, zou dit kunnen verhuren en op deze manier dus geld verdienen. In het geval dat de eigenaar zelf zijn huis bewoonde ‘huurde’ hij dit van zichzelf. Hij spaarde zo maandelijks een bepaald bedrag aan huur uit, oftewel hij ontving huur uit eigen zak. Daarom werd de huurwaarde van zijn woning opgeteld bij zijn belastbare inkomen.
     

    De belasting op koopwoningen kostte de staat meer geld dan zij hem opleverde

    Bij het nieuwe belastingstelsel hoorde echter ook dat kosten die de belastingbetaler moest maken om zijn inkomsten te verwerven van dat belastbare inkomen mochten worden afgetrokken. Dat gold eveneens voor de uitgaven die het bezit van een woning met zich meebracht: onderhoudskosten, waardevermindering, én de rente die maandelijks moest worden betaald over een eventuele hypotheeklening. Het resultaat van deze rekensom was meestal negatief.

    Omdat de meeste koophuizen in Nederland met hypotheken werden gefinancierd, kostte de belasting op koopwoningen de staat dus meer geld dan zij hem opleverde. Pierson beschouwde dit als een noodzakelijk kwaad. Het was het principe van de nieuwe inkomstenbelasting dat telde. Bovendien ging het niet om grote bedragen, aangezien eigenwoningbezit nog slechts voor een kleine bovenlaag was weggelegd.
     

    Vereeniging tot het Weigeren van Belastingbetaling

    Wellicht ook heeft Pierson de rijkste Nederlanders willen compenseren voor de grotere aanslag die het nieuwe belastingstelsel deed op hun portemonnee. Uit hun midden klonk namelijk protest tegen de belastinghervorming. In 1894 werd een Vereeniging tot het Weigeren van Belastingbetaling opgericht, en Pierson zelf dreigde te worden uitgesloten van de Haagse sociëteit De Witte.

    Hoewel de belastingwetten sinds 1893 verschillende keren zijn aangepast – zo werd de progressie in de inkomstenbelasting sterker –, is de omgang met het eigenwoningbezit in essentie hetzelfde gebleven. Nog steeds moeten woningbezitters een extra post bij hun inkomen optellen – het huurwaarde- of eigenwoningforfait – en mogen ze de hypotheekrente ervan aftrekken.

    Pas na de Tweede Wereldoorlog zou het idee postvatten dat het bezitten van het eigen woonhuis bijdroeg aan de ‘woonbeschaving’ en de emancipatie van de arbeider. Het zou bevorderlijk zijn voor zijn verantwoordelijkheidsgevoel, spaarzin, properheid en de gezinsstabiliteit: voor drank en prostituees hield de woningbezitter immers geen geld meer over. Vooral de confessionele partijen KVP en ARP maakten zich sterk voor het eigenwoningbezit.
     

    Na de oorlog ontstond het idee dat eigenwoningbezit bijdroeg aan de 'woonbeschaving' en de emancipatie van de arbeider

    Tijdens de wederopbouw was een eigen woning voor de meeste Nederlanders nog onbereikbaar. In 1945 bestond 28 procent van de woningvoorraad uit koophuizen. Banken verstrekten geen hypotheken met volledige dekking: wie wilde kopen, moest eenderde zelf betalen. Om kopen toch voor meer mensen bereikbaar te maken, werden bouwspaarkassen opgericht, waar mensen tegen hoge rentes konden sparen voor de bouw voor een woning. Het effect was echter gering. Zolang Nederland kampte met een absoluut tekort aan woonruimte, gaf de overheid prioriteit aan het uit de grond stampen van goedkope huurwoningen.
     

    Een hogere vorm van bezit

    Tot 1952 was het ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting in handen van de PvdA. De sociaal-democraten zagen niets in de gedachtegang van hun katholieke coalitiegenoten dat eigenwoningbezit de arbeider ten goede zou komen. Integendeel, een koophuis zou voor een economisch zwak gezin maar al te snel een blok aan het been worden. Ook paste het bevorderen van eigen bezit niet in de partijlijn van gelijkheid en collectivisme. PvdA-kamerlid Kees ten Hagen zei in 1950: ‘Gemeenschappelijk bezit van woningen door tussenkomst van de woningbouwvereniging is een hogere vorm van bezit.’

    Toch lukte het de KVP maatregelen ter stimulering van het eigenwoningbezit door te drukken. Minister van Volkshuisvesting Herman Witte zorgde tussen 1952 en 1959 voor premieregelingen voor zowel bouwers als afnemers van koopwoningen. In 1956 werd de hypotheekgarantie ingevoerd. Voortaan garandeerde de overheid de aflossing van de hypotheek als de huizenbezitter deze door onvoorziene omstandigheden niet meer kon betalen. Daardoor lieten hypotheekverstrekkers de eis van medefinanciering door de cliënt vallen.

    De jaren zestig en zeventig werden gekenmerkt door een stormachtige economische groei. In combinatie met het premiebeleid zorgde dit ervoor dat het eigenwoningbezit gestaag groeide: in 1971 bestond 35 procent van de voorraad uit koopwoningen.
     

    In 1973 was de algemene teneur binnen de PvdA nog steeds dat de overheid vooral de sociale huursector moest ondersteunen

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen