• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 1/2016

    Eva Vriend – De helpende hand

    De verborgen geschiedenis van de gezinszorg in Nederland

    Door: Eva Vriend

    Veel gezinnen kwamen beschadigd uit de oorlog. Ze kregen hulp van daadkrachtige, jonge vrouwen. Die oefenden een nieuw beroep uit waarvan veel werd verwacht: ze waren gezinsverzorgster.

    Op maandag 22 augustus 1966 meldde mijn moeder Ria van den Berg zich in de middag op de Van Eeghenstraat, nummer 96, in de chique Amsterdamse buurt Oud-Zuid. Hier was de katholieke internaatsopleiding gevestigd waarop zij haar zinnen had gezet. Wat een mooie straat, vond ze. ‘Lommerrijk’ was het goede woord. Ria beklom de stenen trap naar de imposante voordeur.

    Mijn moeder was opgegroeid in het Noord-Hollandse dorp Hoogkarspel in een katholiek gezin van negen kinderen. Als oudste dochter had zij veel verantwoordelijkheid gekregen. Op haar dertiende jaar werd ze van school gehaald, zodat ze thuis kon helpen. Van de kachel schoonmaken tot het bedden opmaken en het eten bereiden en het poetsen van de schoenen van al haar broers en zusjes. Terwijl zij op school zaten, hield mijn moeder het huishouden draaiende.

    Mijn moeder verzette zich niet tegen haar rol als oudste dochter. Ze was ook lang niet de enige. Zoveel generatiegenoten ondergingen hetzelfde lot. Veel gezinnen hadden een dochter die geen echte opleiding volgde en in plaats daarvan meehielp in huis, en meestal was dat de oudste.

    De internaatsopleiding tot gezinsverzorgster in Amsterdam was Ria’s ontsnappingsroute. Mijn grootouders konden ermee leven dat ze daarvoor naar de hoofdstad verhuisde. De opleiding was katholiek, de pastoor kende de Amsterdamse stichting ook. Veel dochters van familie en kennissen in Noord-Holland maakten dezelfde keuze.
     
    Het statige pand aan de rand van het Vondelpark wordt tegenwoordig op minstens 1,5 miljoen euro getaxeerd. Makelaarssites ronken dat het ‘een van de meest geliefde straten van de Concertgebouwbuurt is, vlak bij het Museumplein, en op loopafstand van luxe winkelstraten’. Destijds woonden in het pand vierentwintig gezinsverzorgsters-in-opleiding. Het telde vijf ruime slaapkamers met vier of vijf bedden, een royale woonkamer met meerdere zitjes van rotanmeubelen, een klaslokaal, een ruime keuken en een zolder die dienstdeed als wasruimte. Daarnaast was er een kamer voor de inwonende directrice, mejuffrouw Timmerman, en haar twee katten.

    Op de opleiding leerden de jonge vrouwen wat een gezinsverzorgster precies moest doen in een huishouden. Ze was een soort ‘sociale huishoudhulp’. Ze maakte het huis schoon, kookte het eten en deed de boodschappen. Maar ze haalde ook de kinderen van school, hield de jongsten bezig en voorkwam dat het kroost elkaar in de haren vloog. Daarnaast had de gezinsverzorgster een duidelijke, morele taak. Ze moest het gezin-in-nood op het rechte spoor houden en behoeden voor verval.

    De leerling-gezinsverzorgsters kregen hiertoe onder meer de vakken godsdienst, gezin en gezinsleven, maatschappelijk werk, sociale wetgeving en kinderverzorging en opvoeding. In de tweede periode van de internaattijd combineerden de leerlingen de theorielessen met werken in gezinnen. Na zes maanden volgde een getuigschrift. Vervolgens moesten de leerlingen nog een jaar lang voltijds werken in de gezinnen. De opleiding maakte dat je al met al anderhalf jaar van huis was.
     

    Huishoudens vervuilden en het drankgebruik nam toe, net als het aantal buitenechtelijke kinderen

    ‘Een ideaal vraagt altijd offers,’ leerde de voorlichtingsfolder van het internaat die mijn moeder thuisgestuurd had gekregen. ‘Het eerste offer van de gezinsverzorgster zou je haar opleiding kunnen noemen. De opleiding is intern. Wat betekent: een opoffering van je vrijheid. Maar dat intern betekent ook intens. Je wordt dan ook echt opgeleid.’
    Een opoffering? Zo zagen jonge vrouwen als mijn moeder dat helemaal niet. Integendeel.
     
    Het was een idee van de katholieken om gezinsverzorgsters op te leiden op internaten. De belangrijkste inspiratiebron hiervoor was pastoor Franciscus Frencken, die al in de jaren dertig in Brabant scholing voor gezinsverzorgsters had geïnitieerd. Iedere katholiek kende toentertijd zijn naam. Frencken was een bekend, invloedrijk geestelijke in vooroorlogs Nederland, en hij was de man die het fundament legde voor de gezinsverzorging zoals die zich na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde.

    Monseigneur Frencken groeide op als enige zoon in een gezin met nog vier dochters. Het gezin behoorde tot de gegoede burgerij in Oosterhout. Franciscus volgde het kleinseminarie van het bisdom Breda, de Ypelaar. Later studeerde hij theologie en filosofie, en als 24-jarige werd hij tot priester gewijd, om als docent terug te keren naar de Ypelaar.

    Het docentschap begon de ambitieuze Frencken echter al snel te benauwen. Steeds meer manifesteerde hij zich buiten de school als een gedreven geloofsverkondiger. Vooral bij niet-katholieken droeg hij zijn geloof vol vuur uit. In 1926 benoemde de Bredase bisschop Hopmans hem dan ook tot directeur van het eucharistische werk in zijn bisdom. Frencken stichtte de Vereniging van Catechisten van de Eucharistische Kruistocht. Hij wist vele mensen voor zijn strijd te winnen, niet zozeer door de kracht van argumenten als wel door zijn bewogenheid, enthousiasme en welsprekendheid.

    Frencken bekommerde zich vooral om jonge vrouwen die van hun geloof vielen. Dat was in zijn ogen een neveneffect van de industrialisatie. Steeds meer mensen gingen vanaf 1900 aan het werk in fabrieken, ook vrouwen en kinderen. Ze moesten wel, om een schamel bestaan te kunnen opbouwen. Gezinnen huisden in bedompte eenkamerwoninkjes en hadden weinig te eten. Thee of koffie was een luxe, die ze bereidden met regenwater. Als in zo’n arbeidersgezin de vader uitviel, ontstond een groot financieel probleem. Werd de moeder ziek, dan was het probleem dubbel zo groot. In dat geval moest het gezin én een salaris missen én dreigde het huishouden te verloederen. Een dienstbode zou soelaas kunnen bieden, maar dat was de arbeidersklasse niet gegund. Ondergang dreigde voor het gezin, zowel materieel als moreel.

    Het fabriekswerk vormde voor de jonge meisjes uit deze gezinnen een bedreiging voor hun toekomstige taak als echtgenote en moeder, zo vreesde pastoor Frencken. De meisjes gedroegen zich te losbandig en verloren hun ‘fijn-vrouwelijke’ aard. Frencken zag ook vrouwen en dochters van arbeiders samenwerken met niet-katholieken, wat hij een schande vond. De vrouwelijke leden van zijn Vereniging van Catechisten van de Eucharistische Kruistocht probeerden de meisjes en gezinnen daarom weer op het rechte pad te krijgen.
     
    Het initiatief van pastoor Frencken was het katholieke antwoord op de allereerste vormen van gezinsverzorging die in Nederland rond 1900 waren ontstaan. In het buitenland, waar de Industriële Revolutie zich eerder voltrok, kwamen rond 1870 al hulpverleningsdiensten voor ontwrichte gezinnen. In Duitsland bijvoorbeeld namen wijkverpleegkundigen de taken van de zieke huisvrouw over. Vaak begon een plaatselijke overheid het gezinswerk, waarna de fabrikanten deze nieuwe verenigingen van harte ondersteunden.
     

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen