Home Een telg van koninklijken bloede gaf deze kostschool extra glans

Een telg van koninklijken bloede gaf deze kostschool extra glans

In 1820 kreeg Nederland een kostschool voor zonen van de elite: Noorthey. Het instituut was opgezet als een Engelse private school met veel veldsporten voor de karaktervorming van de pupillen. Kroonprins Willem had er de tijd van zijn leven, tot een bekentenis alles bezoedelde.

De speelplaats en het gebouw van Noorthey, 1849.
De speelplaats en het gebouw van Noorthey, 1849.

Jan Luitzen

Gepubliceerd op: 6 juli 2026

Al vanaf de start van kostschool Noorthey in 1820 in het Zuid-Hollandse Veur kon alleen de absolute Nederlandse elite zich dit jongensinstituut veroorloven. Het jaargeld bedroeg 1200 gulden, wat in die tijd vergelijkbaar was met een heel behoorlijk jaarinkomen. Wie zijn zoon naar Noorthey stuurde, liet zijn omgeving openlijk en vol trots zien dat hij een positie aan de top van de maatschappelijke ladder bekleedde. Verreweg de meeste van de 446 leerlingen die in de periodes 1820-1882 en 1888-1907 op Noorthey zaten, kwamen uit de twee hoogste sociale klassen: de ‘aanzienlijke stand’ van adel, hoge staatsfunctionarissen en renteniers, en de ‘deftige stand’ van bankiers, advocaten en groothandelaren.

Opgezet als een Franstalige middelbare school en gemodelleerd naar Engelse private schools, zoals Eton, bood Noorthey voor zonen uit deze regenten- en koopmansfamilies een veelzijdig en op de handelspraktijk gericht programma aan: wiskunde, natuurkunde, aardrijkskunde, geschiedenis, boekhouden en de moderne talen Engels, Frans en Duits. Noorthey had geen diplomabevoegdheid, maar met deze gedegen vooropleiding konden de jongelui uit de maatschappelijke bovenlaag instromen in de hogere klassen van bij voorkeur het gymnasium, of van de hbs. De 24-jarige directeur Petrus de Raadt vulde met zijn progressieve jongensinternaat een gat in de toenmalige onderwijsmarkt.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Begrijp het heden, begin bij het verleden: met HN Actueel lees je historische achtergronden bij het nieuws van nu. Je leest al voor €4,99 per maand.

De Raadt was gepromoveerd opvoedkundige en aanhanger van verlichte pedagogiek. Hij had geleerd dat effectieve maatschappijhervorming begon bij de opvoeding van elitejongens, aangezien zij de samenleving in hun latere leven zouden beïnvloeden en (her)inrichten. Ook had hij van destijds toonaangevende onderwijskundige leermeesters als Philipp Emanuel von Fellenberg en Johann Christoph Friedrich GutsMuths het principe overgenomen dat een tiener dagelijks zo’n acht uur cognitieve inspanning aankon, mits die werd afgewisseld met een aantal uren lichaamsbeweging en spel. Bovendien: bleekneusjes kweken was niet de bedoeling. Een gezonde geest in een gezond lichaam, dus maakten schermen, dansen en gymnastiek deel uit van het lesrooster. En tijdens de vrije speeluren werden de jongens naar buiten gedirigeerd om samen activiteiten te ontplooien die lichaamsconditie bevorderden.

Leerlingen krijgen schermles op Noorthey, 1872.
Leerlingen krijgen schermles op Noorthey, 1872.

Op de ruime en omheinde speelplaats van zo’n 4800 m2 of op het grote grasweideterrein, vlakbij het hoofdgebouw, konden de jongelui bij geschikt weer hoepelen, steltlopen, kegelen, mastklimmen, zich lichamelijk bekwamen op de beschikbare turntoestellen en (Engelse) balspelen beoefenen. In de winter waren er sneeuwfortgevechten, glijbanen en sleetochten. Bij slecht weer werd er binnen gekaart, geschaakt, gedamd of getekend.

Door Engelse native speaker-docenten geïntroduceerde Engelse balsporten als cricket en hockey (vanaf 1845), en voetbal (vanaf 1854) werden in teamverband gespeeld, met vaste regels en een gezonde dosis competitiedrang. Die nadruk op samenwerking paste perfect in De Raadts pedagogische straatje. In 1849 schreef hij, niet zonder een zekere zelfgenoegzaamheid, dat hij geen idee had welk spel over veertien dagen bij de jongens in de mode zou zijn: ‘à la barre [aan de rekstok, red.] of cricket of balslaan’. Maar wat het ook werd, het zou neerkomen op ‘een gezond amusement’, dat de ledematen oefende, de stemming verhoogde en winnaars in het zonnetje zou zetten. En de verliezers? Die zouden zó balen, dat ze de volgende dag vol enthousiasme een revanche zouden eisen.

Grote gommelestieke bal

Het eerste voetbal in Nederland werd gespeeld op Noorthey. Het vroegste bewijs daarvan stamt van 8 oktober 1864. Dan schrijft de 13-jarige leerling Jan Cornelis Gülcher in een brief naar zijn vader: ‘[H]et eerste speeluur kwam de Engelsche meester naar mij toe en zeide: “We play foot-ball today.” […] Dit spel is heel goed als het koud is, daar men een groote gommelestieke bal, die met leder omwonden is, moet voortschoppen, doch bij het eerste spel brak de bal en nu moet hij naar Londen om gemaakt te worden. Intusschen spelen wij nu een ander spel, gandy [veldhockey] genaamd, waarbij men een gewone bal met stokken moet voortslaan.’

Op Noorthey spelen pupillen Engelse sporten als voetbal.
Op Noorthey spelen pupillen Engelse sporten als voetbal.

In het Nationaal Archief in Den Haag bevindt zich een parel: elf jaargangen van het handgeschreven, geïllustreerde Noortheysch Weekblad, uitgegeven tussen 1870 en 1881. Het werd gemaakt én voorgelezen door de leerlingen zelf en bood precies de ‘esprit de corps’ die De Raadt voor ogen had. De verslagen van cricket- en gandywedstrijdjes zijn bijna hartverwarmend in hun nauwkeurigheid. Gandy was een vroege, tamelijk ruwe variant van het Engelse hockey, waarbij de kans groot was dat een verkeerd gepositioneerde jongen ‘een houw over been of arm en zelfs over het hoofd’ kreeg. Blessure-incidenten werden in de artikelen dan ook breed uitgemeten: ‘Jan Six verliet bloedend het slagveld om naar het Roode Kruis getransporteerd te worden.’ En: ‘Jules van Blommestein raakte aan zijn rechteroog gewond, maar gelukkig is hij nog niet blind en is het oog niet blauw.’

De inwonende jonge docenten die het taalonderwijs verzorgden, speelden graag mee met de Engelse veldsporten. Het paste bij het gemeenschapsgevoel dat de school nastreefde en tegelijkertijd gaf het de ‘meesters’ de gelegenheid informeel toezicht te houden op de soms bakkeleiende pubers. Sport was op deze exclusieve kostschool dus geen bijzaak, maar morele ernst. Niet alleen als studeer-nerd kon je uitblinken, maar ook wie het best presteerde op het veld – zowel leerling als onderwijzer – stond in de schoolhiërarchie hoog aangeschreven.

Deze buitenuren mochten, nee, móésten de jeugdige Noortheyenaren naar eigen keuze invullen. Voor De Raadt was die vrijheid een principekwestie. Hij geloofde dat een jongen die zelf koos hoe hij zijn speeluren invulde, zijn energie positief kanaliseerde. Niets doen leidde tot verveling, wat weer aanzette tot zinloze ondeugden, zoals bijvoorbeeld masturbatie. Hoewel: de fysiek uitputtende teamsporten banden deze verderfelijk geachte activiteit niet uit, zoals onderstaand voorbeeld aantoont.

Het zedelijk kwaad

De onbetwiste ster onder Noortheys leerlingen was kroonprins Willem (1840-1879), zoon van Willem III, koning sinds 17 maart 1849. Junior sleet tussen 3 maart 1851 en de zomer van 1854 de kostschoolbanken. Dat een telg van koninklijken bloede zijn entree maakte, gaf de instelling extra glans. Frans Carl Valck (1835-1892) zat op Noorthey tussen 1846 en 1853 en was dus meer dan twee jaar Willems medeleerling. Hij tekende in zijn Mémoires uit 1890 op, dat de andere jongens Willem ‘Prins’ dienden te noemen, ‘alsof dat zijn familienaam was’.

Valck portretteerde hem als een sympathieke knaap die al snel in de gunst stond bij zijn schoolgenoten. Prins deed gewoon mee met alle spelletjes en sporten, en werd daarin door zijn medeleerlingen niet bepaald met fluwelen handschoentjes aangepakt. Voor zijn dagelijkse behoeften en verzorging beschikte hij over ‘Zijnen Gouverneur’, de eveneens op Noorthey geïnterneerde kapitein jonkheer ‘Eduard’ August Otto de Casembroot (1813-1883), alsmede een lakei, rijtuig, paarden ‘en hetgeen daarbij behoorde’.

Koning Willem III met zijn vrouw Sophie en hun twee zoons. Portret door Reinier Craeyvanger.
Koning Willem III met zijn vrouw Sophie en hun twee zoons. Portret door Reinier Craeyvanger.

Op zekere dag stonden de jongens wat te keuvelen, toen Prins een opmerking liet vallen die de sfeer acuut deed bevriezen: ‘Mijn vader is een gemeene vent.’ Valck, die naar eigen zeggen principieel nooit klikte, kon deze uitspraak toch niet over zijn kant laten gaan. Hij wendde zich tot de jonge Willem en beet hem toe: ‘Wat zegt gij daar, Prins?’ Toen Prins zijn woorden zonder blikken of blozen herhaalde, antwoordde Valck dat hij het voorval weliswaar niet aan de heer De Raadt zou melden, maar wél aan de heer De Casembroot, want ‘zoo spreekt geen zoon van zijnen vader’.

De repliek onthult twee dingen, namelijk hoe Valck persoonlijk dacht over de omgangsvormen tussen kinderen en ouders, én hoe destijds een fatsoenlijke zoon geacht werd en public over zijn vader te spreken. En dat was dus duidelijk níét zoals Prins dat deed.

Tot de vaste lectuur in De Raadts Noorthey-bibliotheek behoorde Het onanismus of verhandeling over de ziekten, oorspronglyk uit de zelfbesmetting (1775): een titel die weinig aan de verbeelding overliet. Masturbatie gold in de negentiende eeuw als een ernstige bedreiging voor de lichamelijke gezondheid van kostschooljongens, en Noorthey vormde daarop geen uitzondering. De Raadt doopte het verschijnsel discreet ‘het zedelijk kwaad’.

Masturbatie zorgt voor lichamelijke en mentale uitputting, waarschuwt een medisch boek uit 1845.
Masturbatie zorgt voor lichamelijke en mentale uitputting, waarschuwt een medisch boek uit 1845.

Gouverneur De Casembroot ontdekte in het najaar van 1854 dat zijn pupil, de inmiddels 14-jarige prins Willem, er dagelijks op los onaneerde. Inmiddels een paar maanden van Noorthey af, bekende de prins in een confrontatiegesprek ‘met tranen in de oogen’ dat hij de kunst van het zichzelf bevredigen had geleerd van medeleerling Otto Frédéric baron Groeninx van Zoelen. De jonge baron had zijn vriendje voorgehouden dat het ‘zeer aangenaam was en niets kwaads kon doen’. Dat was een geruststelling die De Casembroot niet erg overtuigend vond.

De bekentenis van Prins had verstrekkende gevolgen voor de onfortuinlijke Otto. De Casembroot, vervuld van ‘verontwaardiging’, liet de adellijke jongeling van Noorthey verwijderen, met als reden: een funeste invloed op zijn kostschoolgenoten. In zijn dagboek erkende De Casembroot dat masturbatie op kostscholen nu eenmaal niet uit te roeien viel, en dat hij zichzelf te lang had wijsgemaakt dat de jongens er gewoonweg niets van afwisten en letterlijk ‘onbevlekt’ zouden blijven. Dat was een illusie die Willems zelfbevredigingspraktijk hardhandig had doorgeprikt.

Een dieptriest einde

Na zijn relatief ‘vrije’ jaren op kostschool Noorthey en een kortstondige studie in Leiden belandde kroonprins ‘Wiwill’ – de liefkozende bijnaam kwam van zijn moeder – onder het ijzeren bewind van koning Willem III. Na zijn mislukte huwelijk met koningin Sophie ontpopte de koning zich tot een vader-tiran die zijn driftbuien de vrije loop liet. Zijn zoon gunde hij nauwelijks ruimte voor eigen keuzes, zelfs niet in de privésfeer. Het absolute dieptepunt: Wiwill wilde trouwen met gravin Mathilde van Limburg Stirum. Zijn vader dacht daar het zijne van. Een gravin? Niet goed genoeg: een buitenlandse prinses moest het zijn!

Gebroken week Wiwill uit naar Parijs. Daar leidde hij een losbandig, maar vooral eenzaam bestaan. Op 11 juni 1879 overleed hij er, pas 38 jaar oud. Officieel aan een longontsteking, maar eigenlijk ook aan het leven dat hij niet wilde leiden.

De Raadt zelf repte er niet expliciet over, maar uit zijn nagelaten geschriften spreekt zijn oprechte overtuiging dat afmatting op het sportveld een beproefd middel tegen onanie en homoseksuele neigingen was. Sport hield de jongens fit en zou niet alleen voor betere concentratie op het schoolwerk moeten zorgen, maar ook voor handjes die ’s avonds op de slaapzalen boven de dekens bleven.

Plaatsvervangend gezin

Een ander karakteristiek opvoedkundig uitgangspunt van Noorthey was het creëren van een gezinssfeer. De Raadt wist dat zijn jongens weken- en maandenlang van hun ouders gescheiden waren, gedurende cruciale vormingsjaren: ruwweg tussen hun 10de en 17de jaar. Die lange verblijfsduur vroeg om geborgenheid. De rol van zijn vrouw Elisabeth Achenbach was daarin cruciaal. Zij nam als ‘vrouw des huizes’ de dagelijkse verzorging op zich en behandelde de leerlingen, in haar eigen woorden, als de kinderen die zij nooit had gehad. Bij het 35-jarig jubileum in 1855 werd zij door de oud-leerlingen uitbundig geprezen als ‘zorgende moeder’. Mevrouw De Raadt hield nauwlettend in de gaten wat de jongens nodig hadden.

Niet alleen dat opvoedkundige idee van het gezin als hoeksteen van de Noorthey-samenleving toonde het duidelijk protestantse karakter van de school. Er werd dagelijks uit de Statenbijbel voorgelezen, voor en na het eten werden psalmen en gezangen gezongen, en op zondagochtend woonde de hele school de kerkdienst bij in Voorschoten, Leiden of Voorburg. Tot de middagmaaltijd moesten de jongens daarna een opstel schrijven over de preek die zij hadden gehoord.

Met het ‘teentje’

Niet alles op Noorthey was idyllisch. De kostschool kende regels en een strikte gezagshiërarchie, en wie zich daar niet aan onderwierp, moest rekenen op consequenties. In zijn pedagogische geschriften had De Raadt gemotiveerd uiteengezet dat hij lichamelijke straffen principieel afwees. De praktijk bleek weerbarstiger. De eerder genoemde Frans Carl Valck was als kostschooljongen zonder rijke patricische achtergrond in de minderheid op Noorthey. In zijn Mémoires beschreef hij hoe hij en andere leerlingen met een minder invloedrijke familie wél fysiek gestraft werden, terwijl de rijkere kinderen dat lot bespaard bleef.

Maar Valck was een rebel. Na een geschil in de klas stak hij een leraar met een pen in zijn wang en verschanste zich na dat vergrijp op zolder, met een hockeystick als wapen. Toen de botsing met de dagelijkse docentenleiding was gesust en opgelost, mocht Valck de volgende dag aantreden voor directeur De Raadt zelf, ditmaal in aanwezigheid van alle docenten en medeleerlingen. Zijn excuses maakte Valck, maar daarmee was de kous voor De Raadt nog niet af. Hij greep naar het uit een wilgentak gesneden ‘teentje’ voor een lijfstraf. Dat was voor Valck de druppel: hij rukte het door hem verfoeide strafwerktuig uit De Raadts handen, brak het in tweeën en smeet de stukken voor diens voeten. Wie hem verder nog met een vinger aanraakte, zou hij een ongeluk bezorgen. Hij zag zo bleek als een vaatdoek, maar het was klaarblijkelijk overtuigend genoeg. De Raadt bond in en Valck hoorde er nooit meer iets over.

Leerlingenfoto van Noorthey, circa 1905.
Leerlingenfoto van Noorthey, circa 1905.

Dit voorbeeld laat zien dat de mannelijkheidscultuur op Noorthey niet alleen maar vriendschappelijk was. Wie zich staande hield, veroverde respect. Wie dat niet deed, verloor aanzien. Die dynamiek kon beknellend zijn voor jongens die fysiek minder sterk waren, liever hun neus in de boeken staken en hard studeerden, of anderszins niet pasten in het dominante model van de robuuste, sportieve jongeman.

In 1881 pleegde een 16-jarige Noorthey-leerling zelfmoord, vrijwel zeker vanwege een niet beantwoord homoseksueel contact op school. Het leidde ertoe dat de kostschool in de zomer van 1882 de deuren moest sluiten. Het tragische ongeval had de aanmeldingen doen kelderen: welgestelde ouders distantieerden zich van de kostschool en trokken hun vertrouwen in.

In 1888 herrees Noorthey op een nieuwe locatie: landgoed Groot Stadwijk in Voorschoten. De doorstart bleek echter van korte duur. In het leerjaar 1906-1907 telde Noorthey nog maar dertien leerlingen en had dus ook nauwelijks nog substantiële inkomsten. Oud-leerling Jan Bijleveld verzuchtte in een herdenkingsboekje dat een school als Noorthey, met haar trotse tradities en leerlingen uit ‘de eerste families van Nederland’, simpelweg niet meer van deze tijd was, ‘die alles nivelleert’. In de zomer van 1907 viel dan ook definitief het doek.

Wat bleef, was de invloed die Noorthey had uitgeoefend op een generatie alumni die de Engelse sporten hadden meegenomen naar hun thuissteden. In Amsterdam, Leiden, Haarlem, Leeuwarden en elders richtten zij in de jaren tachtig van de negentiende eeuw cricketclubs op, begonnen ze voetbal te spelen en introduceerden zij lawntennis. De vroegste cricket- en voetbalclubs van Nederland zijn voor een aanzienlijk deel opgebouwd door mensen die hun liefde voor het spel hadden leren kennen op de grote speelweide bij de elitekostschool.

Menig Noortheyenaar zal pas later begrepen hebben wat hem eigenlijk werd bijgebracht. Het ging niet om leren sporten, maar om beschaafd weten te verliezen en fatsoenlijk te kunnen winnen. Uitdelen, incasseren, jezelf én anderen in het gareel houden. En vooral: individueel presteren, maar ook handelen als onderdeel van een team.

Meer weten

  • Vivat! Vivat Noorthey! (2020) door Jan Luitzen is een cultuurhistorisch onderzoek naar de introductie van cricket, voetbal en lawntennis in Nederland.
  • Captain van Jong Holland (2015) door Daniël Rewijk, over sportpionier Pim Mulier.
  • Deftig en ondernemend (2013) door Barbara van Vonderen beschrijft de Amsterdamse elite en de opvoeding van hun kinderen.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad - zomernummer 2026

Nieuwste berichten

Simon Abkarian als Charles de Gaulle in De Gaulle Résistance
Simon Abkarian als Charles de Gaulle in De Gaulle Résistance
Recensie

De Gaulle vond zichzelf geweldig

De Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt en de Britse premier Winston Churchill werden gek van hem. Toch zag generaal Charles de Gaulle zichzelf als de redder van Frankrijk. De speelfilm De Gaulle: Résistance, het eerste deel van een tweeluik over de oorlogsjaren van de generaal, gaat mee in zijn kijk op de geschiedenis. ‘Erken me...

Lees meer
Artist’s impression door Richard Bizley van de inslag van de meteoriet, 66 miljoen jaar geleden.
Artist’s impression door Richard Bizley van de inslag van de meteoriet, 66 miljoen jaar geleden.
De vondst

‘Het voelde alsof ik de Nobelprijs had gewonnen’

Paleontoloog Melanie During vertelt over haar meest bijzondere vondst. ‘Ik dacht: oh my god, als ik die vissen kan onderzoeken, dan kan ik de laatste jaren van de dinotijd beschrijven.’ Kunt u iets vertellen over uw bijzonderste vondst? ‘Mijn grootste vondst heb ik in 2022 gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Nature. Ik heb ontdekt dat...

Lees meer
Vrouw schiet een paradijsvogel
Vrouw schiet een paradijsvogel
Recensie

Pronken met andermans veren

Paradijsvogels gingen bijna ten onder aan hun eigen schoonheid, zo blijkt uit Plumes du paradis, een voorbeeldige expositie in Parijs. Het is allemaal de schuld van hun vrouwen. Want ga maar na: vrouwelijke paradijsvogels zijn uiterst kieskeurig bij de keuze van een partner. Daarom zijn de mannetjes zich gaan uitputten in verleidingsrituelen en hebben ze...

Lees meer
Philip Dröge
Philip Dröge
Column

We kunnen onze rechten ook weer verliezen

Het waren de juffen en meesters; de leraar maatschappijleer en de professoren; de journalisten, de commentatoren. Ze leerden mijn generatie een geruststellend mantra: dat wij rechten hadden. Dat we leefden in een gevestigde democratie, een bouwwerk opgetrokken uit graniet. Toen de Muur viel, kregen we extra bevestiging; democratie was geen politiek experiment, maar een natuurwet....

Lees meer
Loginmenu afsluiten