Home Een eredoctoraat voor Stalin, dat heeft pas stijl!

Een eredoctoraat voor Stalin, dat heeft pas stijl!

  • Gepubliceerd op: 24 november 2003
  • Laatste update 15 mei 2023
  • Auteur:
    W. van den Berg
  • 6 minuten leestijd

Vijf hoogleraren stemmen in 1946 over een eredoctoraat van de Amsterdamse universiteit. Ze zijn weinig eensgezind over de kandidaten, en veldmaarschalk Smuts vist daarom achter het net. Maar het voorstel van hun collega, een bekende historicus, wordt zelfs buiten de notulen gehouden.

Op vrijdag 10 mei 1946, de dag dat de Leidse universiteit Winston Churchill een eredoctoraat verleent, belegt de voorzitter van de Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam ’s avonds om halfacht een spoedvergadering. Er is slechts één agendapunt: een voorstel tot het verlenen van een eredoctoraat. De opkomst is minimaal. Slechts vijf van de achttien hoogleraren komen opdraven. Eén heeft, vergezeld van een brief over de te bespreken materie, een bericht van verhindering gestuurd: de historicus Jan Romein.

De voorzitter David Cohen, hoogleraar oude geschiedenis en voormalig voorzitter van de Joodse Raad in de Tweede Wereldoorlog, opent ontstemd over de geringe opkomst een kwartier later toch maar de vergadering. Aan de orde is het ‘in de Zuid-Afrikaanse Vereniging gerezen denkbeeld, dat het wenselijk zou zijn om aan veldmaarschalk Smuts, oorlogsheld en premier van Afrika, een eredoctoraat te doen toekennen door de universiteit van Amsterdam’. Generaal Smuts zou herhaaldelijk blijk gegeven hebben van zijn verdiensten voor en sympathie met het Nederlandse volk. Bovendien is hij een verdienstelijk geleerde op het terrein van de biologie en de filosofie.

Volgens Cohen is haast geboden, want Smuts verblijft op dat moment in Londen en zou dus gemakkelijk naar Amsterdam kunnen overkomen. De reacties van overige aanwezige faculteitsleden zijn bijzonder lauw. H.J. Pos, hoogleraar in de filosofie, is ronduit afwijzend. Hij heeft iets tegen eredoctoraten op politieke gronden, zoals hij ook de toekenning van het Leidse eredoctoraat aan Winston Churchill eerder op die dag eigenlijk ongepast vindt. Imitatie van het Leidse gebaar zou bovendien niet getuigen van oorspronkelijkheid. En de filosofische inbreng van Smuts rechtvaardigt al evenmin een eredoctoraat. W.E.J. Kuiper, de hoogleraar Grieks, onderschrijft de mening van Pos. Th.P. Galestin, buitengewoon hoogleraar kunstgeschiedenis van Oost-Azië, is niet tegen, maar pleit voor uitstel. Alleen M.F. Valkhoff, hoogleraar in de Franse en Romaanse talen, is vóór vanwege Smuts’ sympathie in woord en daad jegens Nederland.

Na ruim een uur beraadslagen komt de voorzitter met een compromis: men zal aan de rector van de universiteit voorstellen bij het begin van de nieuwe cursus maar liefst drie eredoctoraten te verlenen: één aan de Zuid-Afrikaan Smuts en voorts één aan een Waal en aan een Vlaming. Dat voorstel vindt in die vorm geen steun bij de rector van de universiteit. Ruim een jaar later, op 20 mei 1947, wordt er, ter gelegenheid van de 300-jarige sterfdag van P.C. Hooft, aan vier literatoren een eredoctoraat uitgereikt: Henriette Roland Holst, Camille Huysmans, Pieter Nicolaas Van Eyck en Herman Teirlinck. Veldmaarschalk Smuts vist achter het net.

Roosevelt

De secretaris Pos heeft van deze extra faculteitsvergadering een uitvoerig verslag gemaakt, zoals te lezen is in het Notulenboek 1940-1947, deel 1. Des te curieuzer is het dat in de notulen de ingekomen brief van Romein wel wordt vermeld, maar over de inhoud geen woord. Zijn epistel komt wel terecht in het Brievenboek van de Faculteit.

Wat schrijft Romein in die brief, gedateerd op 10 mei 1946? Romein begint met zich, zoals Pos deed, te verzetten tegen een eredoctoraat op politieke gronden: slechts wetenschappelijke verdiensten wettigen een eredoctoraat. Maar: in bijzondere gevallen kan daar wel van worden afgeweken. Hij vervolgt dan:

Ik kan mij intussen voorstellen, dat er omstandigheden zijn waarin men van die regel meent te moeten afwijken. Ik erken zelfs, dat die omstandigheden nu geacht kunnen worden aanwezig te zijn. Ik kan mij voorstellen – en ik kan er zelfs iets voor voelen, dat men diegenen daarmee zou willen eren, die door hun aandeel aan de bevrijding van de wereld van het fascisme recht op die eerbied hebben. Immers de vernietiging van het fascisme impliceerde de onafhankelijkheid van ons land en daarmee ook die onzer Universiteit en het is dus in het geheel niet geforceerd om te beweren, dat dank zij hun, onze Universiteit als onafhankelijk geestelijk centrum weer kan bestaan.

Maar denkt men daarbij het eerst aan Smuts? Leiden is ons voorgegaan met het ere-doctoraat aan Churchill aan te bieden, die van het boven ontwikkelde standpunt uit daar ook ongetwijfeld voor in aanmerking komt. Met Smuts te volgen, betekent voor mij echter slechts een zwakke imitatie van het Leidse gebaar en daaraan heb ik geen behoefte.

Het wil mij voorkomen, dat wil men de gedachte om onze bevrijding te eren, uitvoeren daarvoor nog slechts twee andere personen in aanmerking komen, die bij dit proces een even grote of zelfs grotere rol hebben gespeeld, te weten de ex-president van de USA Roosevelt en de minister-president van de Sovjetunie Jozef Stalin.

Voor Roosevelt zou ik alles gevoeld hebben, maar zijn dood maakt het onmogelijk. Rest alleen Stalin. Voor een ere-doctoraat voor hem zou ik kunnen voelen, ook al omdat dit een gebaar zou zijn, dat niet het Leidse zou imiteren, doch er als een zelfstandig gebaar naast zou staan, in deze zin n.l. dat Churchill tegelijk representant van de conservatieve politieke gedachte, Stalin tegelijk, zoals ik het zie en ondanks al mijn bezwaren, van een progressieve is.

Naar mijn mening zou dit alleen stijl hebben.

Gesteld intussen, dat mijn voorstel ondersteund zou worden, en in de faculteit een meerderheid zou verwerven, dan is er nog een objectieve moeilijkheid, dat wij niet weten, of deze gedachte ginds in goede aarde zou vallen. Ik zou dus voorlopig willen voorstellen collega Becker [de slavist B. Becker] te belasten met een onderzoek bij den Russischen ambassadeur om te polsen, hoe een dergelijk voorstel wordt opgenomen en dan naar bevind van zaken verder te handelen.

Met collegiale groet,

J. Romein

Een eredoctoraat voor Stalin, de progressieve, dat zou pas stijl hebben! In 2003 klinkt dat ongehoord en past het ook niet in het beeld dat er in de literatuur over Romein bestaat. Maar… we schrijven 1946. Stalin hoorde in het rijtje van de glorieuze overwinnaars. Had het ‘rode’ Amsterdam niet haastig de Amstellaan in Stalinlaan herdoopt? En wat was er in die naoorlogse euforie eigenlijk bekend over zijn wandaden? Is de aanbeveling van de oud-communist Romein met marxistische sympathieën en een groot zwak voor de Sovjet-Unie anno 1946 wel zo misplaatst?

Waarschijnlijk dachten de vijf heren op die bewuste spoedvergadering er toch anders over, want zoals gezegd wordt in het verslag van die vergadering met geen woord gerept over zijn voorstel. En ook in het verder zo nauwkeurig bijgehouden brievenboek van de uitgaande post is geen brief van het faculteitsbestuur aan Romein over deze zaak te vinden. Het lijkt er dan ook op dat men, onthutst, verbijsterd of verontwaardigd, besloot aan dit voorstel geen woorden vuil te maken, maar het dood te zwijgen en buiten de notulen te houden. Alleen de brief van Romein zelf werd niet verdonkeremaand. Als ik, op zoek naar gegevens over de student J.J. Voskuil, zijn epistel niet toevallig in het Brievenboek was tegengekomen, zou zijn opmerkelijke démarche wellicht nooit aan het licht zijn gekomen.

Hoe Romein op dit stilzwijgen van de faculteit heeft gereageerd is onbekend, maar vermoedelijk heeft hij het niet hoog opgenomen. Een jaar later, op 20 mei 1947, zal hij met verve als ere-promotor optreden. Niet van Stalin, maar van zijn geestverwante: Henriette Roland Holst.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Nieuwste berichten

Ossietzky in het concentratiekamp, 1934.
Ossietzky in het concentratiekamp, 1934.
Artikel

Dissident ging liever naar het strafkamp dan op de vlucht

Net als Aleksej Navalny besloot de Duitse dissident Carl von Ossietzky zijn land niet te ontvluchten toen hij gevaar liep. Hij wist dat hij bovenaan de zwarte lijst van de nazi’s stond, maar bleef toch in Berlijn toen Hitler in 1933 de macht greep. ‘De opposant die over de grens vlucht, werpt al snel holle frasen zijn land in,’ meende hij. Die moed bekocht hij met de dood in een concentratiekamp.

Lees meer
Waffen SS'ers in Vught
Waffen SS'ers in Vught
Interview

‘Waffen-SS’ers dachten dat het verleden niet lang aan hen zou kleven’

Hoewel ze geen paspoort meer hebben, blijven veel Syriëgangers toch in Nederland. Ook in 1945 verloren mannen die zich bij de Duitsers hadden aangesloten hun Nederlanderschap. Maar de omgang met deze Waffen-SS’ers en de Syriëgangers verschilt volgens historicus Peter Romijn. ‘De huidige wetgeving draait om uitstoting, maar na de Tweede Wereldoorlog was ook sprake van re-integratie.’

Lees meer
Truman poseert met de Chicago Daily Tribune
Truman poseert met de Chicago Daily Tribune
Artikel

Een presidentskandidaat dump je niet zomaar

Terwijl Donald Trump en Joe Biden zich opmaken voor de verkiezingsstrijd, gaan er bij hun partijen stemmen op om alsnog voor een andere presidentskandidaat te kiezen. Maar het verleden leert dat het lastig is om een leidende kandidaat opzij te zetten.

Lees meer
Gaius spreekt het volk toe. Ets door Silvestre David Mirys, 1799.
Gaius spreekt het volk toe. Ets door Silvestre David Mirys, 1799.
Artikel

De populistische Gracchen beloofden gouden bergen

Populistische politici zijn van alle tijden. Na een mislukte carrière zag de Romein Tiberius Gracchus nog maar één uitweg: hij werd een volkstribuun die het volk beloofde wat het wilde horen. Of zijn plannen uitvoerbaar waren, deed er niet toe. Het ging hem om de macht. En dat gold ook voor zijn broer en opvolger Gaius.

Lees meer