Home De vergeten oorlog om Holland

De vergeten oorlog om Holland

  • Gepubliceerd op: 27 mei 2013
  • Laatste update 04 jun 2021
  • Auteur:
    Hans Schoots
De vergeten oorlog om Holland

Engelse en Russische legers landden in 1799 bij Callantsoog om de Fransen uit Nederland te verdrijven. Het was het begin van een kortstondige, maar bloedige episode in de grote oorlogen die volgden op de Franse Revolutie.

 

 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,- Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Op 27 augustus 1799 landden Engelse troepen op de kust van Noord-Holland. In korte tijd zetten de Engelsen 12.000 man op het strand bij Callantsoog, een eindje onder Den Helder. Vanaf de schepen werd de landing gedekt met beschietingen op de duinen. In de dagen en weken erna volgden Engelse en Russische versterkingen, tot er een invasiemacht van 35.000 man in de kop van Noord-Holland stond.

Op die eerste dag waren in het gebied vrijwel alleen Nederlands-Bataafse eenheden aanwezig om de verrassingsaanval te weerstaan. Generaal Hendrik Willem Daendels had de leiding en vocht mee in de voorste linies. De Engelsen ondervonden meer tegenstand dan ze hadden verwacht, maar wisten toch meteen een stevig bruggenhoofd te vestigen. Terwijl zijzelf maar een handvol soldaten verloren, sneuvelden er bij de Nederlanders binnen een dag 1400.

De aanval op Callantsoog was onderdeel van de complexe ‘coalitieoorlogen’ die volgden op de dood van de Franse koning Lodewijk XVI onder de guillotine, in 1793. De keizer van Oostenrijk en de koning van Pruisen verafschuwden de Franse Revolutie en hadden al voor de fatale dag van de executie aangekondigd dat ze niet lijdzaam zouden toezien wanneer Lodewijk een haar zou worden gekrenkt. Uit angst voor hun agressie en op de golven van interne politieke chaos verklaarde Frankrijk uiteindelijk zelf de oorlog aan Oostenrijk. Dat vormde vervolgens samen met Pruisen en Engeland een anti-Frans bondgenootschap, dat als ‘de eerste coalitie’ de geschiedenis in ging.

De Fransen trokken om te beginnen de Oostenrijkse Nederlanden binnen, het latere België. Al snel moesten ze zich weer terugtrekken, maar uiteindelijk wisten ze het gebied ten zuiden van de grote rivieren in Nederland stevig te bezetten. Van daaruit trokken ze naar het noorden en begin 1795 stonden de Fransen in Den Haag, dat de hoofdstad werd van de nieuwe Bataafse Republiek. Revolutionaire ‘Bataven’ kregen het voor het zeggen – al hielden de Fransen hun handelen nauwlettend in de gaten.

Ook op veel andere plaatsen in Europa woedde de oorlog en na een kort intermezzo van relatieve rust begon in 1798 de ‘tweede coalitie’, waarin vooral Oostenrijk, Engeland en Rusland het tegen de Fransen opnamen. In Midden- en Zuid-Europa werd opnieuw gevochten en ook de Bataafse staat werd een factor in het grote Europese spel. De Engelsen waren beducht voor de Nederlandse macht ter zee en herkenden in de havens langs de Noordzee uitvalsbases voor een Franse aanval op Engeland. Vandaar de landing in Holland.

De Bataafse generaal Daendels zag zich de eerste dag al gedwongen Den Helder op te geven. De stad was weliswaar de belangrijkste basis van de oorlogsvloot, maar ze was nauwelijks te verdedigen tegen een aanval over land. De eenheden uit Den Helder verplaatste Daendels in een nachtelijke tocht naar het zuiden. Daarvoor moesten ze om de vijand heen trekken, door uitgestrekte moerasgebieden en vaak tot hun middel door water en modder waden. De Bataafse vloot, die niet erg sterk was, trok zich terug richting Zuiderzee, waar de Engelsen aanstuurden op een confrontatie. Maar toen de Nederlandse bemanningen de stadhouderlijke vlag op de schepen van de tegenstander ontwaarden, brak er muiterij uit. Stadhouder Willem V was ten tijde van de Franse inval naar Engeland gevlucht, maar hij en zijn familie hadden nog veel aanhang. Een groot deel van de matrozen weigerde te vechten en de Bataafse vloot moest zich zonder slag of stoot overgeven. Toen erfprins Willem Frederik, zoon van stadhouder Willem V en de latere koning Willem I, zich vervolgens aan boord van de Nederlandse schepen vertoonde, ging er groot gejuich op. Een aantal Oranje-gezinde officieren en matrozen van de Bataafse vloot liep over en ging in actieve dienst bij de Engelsen.

Erfprins Willem Frederik had eerder in het Nedersaksische Lingen, vlak bij Emmen en Coevorden, een aanval voorbereid vanuit het oosten, met militairen die hem trouw waren gebleven. Het grootste deel van dit gezelschap was uiteindelijk vertrokken naar Engeland om deel te nemen aan de invasie op de Noordzee-kust.

De erfprins zelf had de aanval afgewacht in het oosten. Zodra er optimistisch nieuws uit Den Helder kwam, was hij via Emden over zee naar Holland afgereisd. In Duitsland bleef een groepje achter dat nog enkele vage aanvalspogingen deed aan de Nederlandse oostgrens, die op niets uitliepen.

Willem Frederik genoot van de aanvankelijke successen in Noord-Holland. Hij verbleef enige tijd in Den Helder, en in Alkmaar. In beide plaatsen ontving hij allerlei sympathiserende hoogwaardigheidsbekleders die vanuit de rest van het land kwamen aangereisd. De prins en de Engelsen geloofden dat de Nederlandse bevolking Oranje zou steunen en in opstand zou komen. Maar dat zou een grote misrekening blijken.

De bewoners van Noord-Holland leden zwaar onder de krijgshandelingen en hielden zich meest stil. De politieke gezindheid verschilde van plaats tot plaats. Direct ten noorden van Amsterdam waren de dorpen aan de Zuiderzee-kust Bataafs georiënteerd en de landbouwdorpen Oranje-gezind. Andere havenplaatsen, zoals Den Helder en Hoorn, betoonden zich juist uitgesproken pro-Oranje.

De verhoudingen tussen Bataven en aanhangers van de stadhouder over de rest van het land zijn moeilijk te reconstrueren. Ook over de opvattingen over andere politieke discussiepunten is weinig harde informatie beschikbaar. De landelijke cijfers bij de stemming over de grondwet van 1798 waren in elk geval geen maatstaf. De grote meerderheid had geen stemrecht, de opkomst van de kiesgerechtigden was matig tot slecht, en kiezers moesten een eed tegen de stadhouder afleggen, waardoor de Oranje-aanhangers geen stem hadden. Onderzoekers schatten dat de helft of meer van de totale bevolking voor Oranje was. Maar zij hielden zich ten tijde van de invasie grotendeels afzijdig.

De Bataafse ommekeer had een januskop. Enerzijds beloofden de Bataven meer democratie, maar anderzijds was die democratie vooralsnog voorbehouden aan henzelf, volgens een vergelijkbare logica als die van eenpartijstelsels uit de twintigste eeuw. Oranje-aanhangers stonden buitenspel, al werden ze zelden echt vervolgd. Een uitzondering was freule Judith van Dorth tot Holthuyzen, die in het oosten des lands het leven liet.

Kort na de Engelse inval, in september 1799, viel een stel Oranje-gezinden de Achterhoek binnen vanuit Duitsland. Die dag trok de weinig populaire freule met haar koets de dorpen door om mensen voor Oranje te winnen, waarbij ze niet terugschrok voor enkele heftige scheldpartijen met Bataven. In het gewoel werd in Lichtevoorde een revolutionair doodgestoken, waarna Van Dordt van medeplichtigheid werd beschuldigd. Na een bedenkelijk proces kwam ze voor een vuurpeloton. Toen ze al in haar kist lag, bleek nog een genadeschot nodig om het vuile werk te voltooien. De Oranje-gezinde inval was nergens op uitgelopen: de troepen moesten zich binnen een etmaal terugtrekken.

In Noord-Holland slaagden de Bataven er niet in de Engelse aanval te weerstaan. De strijd verliep voor hen aanvankelijk zo slecht dat Daendels van verraad werd beschuldigd. Vooral het feit dat hij Den Helder had opgegeven werd hem zwaar aangerekend. Maar een staatscommissie die kort na de gebeurtenissen onderzoek deed, stelde al dat hem gezien de omstandigheden niets te verwijten viel. Ook militair deskundigen, zoals de ooggetuige Cornelis Krayenhoff, noemden Daendels’ besluiten gerechtvaardigd. Krayenhoff zou later als generaal dienen onder Napoleon en onder koning Willem I de algehele leiding krijgen over de Nederlandse fortificaties. In 1832 schreef hij dat de vesting Den Helder in 1799 schandelijk verwaarloosd was geweest. De verantwoordelijken hiervoor hadden het verlies van de stad op hun geweten, niet Daendels.

Hoewel elk bewijs voor kwade opzet van Daendels ontbrak, bleven de verdachtmakingen en beschuldigingen in kranten en pamfletten nog geruime tijd aanhouden, met alle gevolgen van dien voor zijn positie.

Na de tegenslagen de eerste paar dagen arriveerden meer Franse troepen op het strijdtoneel, even ten noorden van Alkmaar. Op het hoogtepunt hadden beide partijen samen meer dan 70.000 man onder de wapenen in Noord-Holland. De algehele verdediging van Nederland stond onder bevel van de Franse generaal Guillaume Brune, die binnen een week zijn hoofdkwartier in Alkmaar vestigde. In de daaropvolgende anderhalve maand vonden verschillende veldslagen plaats.

De strijd op het strand, in de duinen, in de polders en in waterrijk en moerasachtig terrein was voor de meeste betrokkenen nieuw. Vaak moesten eenheden zich in ganzenmars verplaatsen over de dijken, omdat de grond links en rechts ervan te onbetrouwbaar was, zeker voor karren of kanonnen. De schrijver A. Albers schetst in zijn boek De huzaren van Castricum de slag om de Zijpe, een polder die de Engelsen als basis hadden ingericht. Hij schrijft hoe de Frans-Nederlandse hoofdmacht onder leiding van de Brusselse generaal Dumonceau een aanval uitvoert: ‘De Brusselse generaal ging met grote snelheid langs de Nieuwe Sloot op Krabbendam af en wist onder hevig vuur in het dorp door te dringen. Voor Abercrombie [een Britse generaal – HS] werd de toestand hachelijk. Maar hij zag kans zijn reserves in te zetten en na harde gevechten moesten de Bataven terug naar hun punt van uitgang. De uit Fransen bestaande linkercolonne drong door tot dicht bij Petten. Misschien zou daar een doorbraak mogelijk zijn geweest, want hier was de stelling van de Engelsen het zwakst. Maar Abercrombie beschikte nog altijd over hulp uit zee. De dicht langs de kust opererende kanonneerboten namen de Franse troepen onder vuur en noodzaakten hen zich terug te trekken.’

In de slag om de Zijpe sneuvelden aan Frans-Nederlandse kant in een dag meer dan 1750 manschappen en de Engelsen leden vergelijkbare verliezen. Verder leidde deze confrontatie tot weinig verandering: de Engelsen bleven in de Zijpe.

Na de slag om Bergen, anderhalve week later, werden in totaal meer dan 7500 manschappen als gedood, gewond of vermist opgegeven. Opnieuw bleven de fronten min of meer gelijk. Intussen waren Russische eenheden aan land gezet om de Engelsen bij te staan. De slag om Alkmaar leidde tot meer beweging: de frontlijn werd verlegd naar het zuiden, generaal Brune moest Alkmaar verlaten en de Engelsen richtten er hun hoofdkwartier in, al was het niet voor lang.

Bij Castricum vond op 6 oktober 1799 de laatste slag plaats uit deze korte oorlog. De kracht van het Frans-Bataafse leger was gegroeid, terwijl tussen de Engelsen en de Russen steeds meer wrijvingen ontstonden, die bijdroegen aan hun nederlaag bij het duindorp. Ze raakten ervan overtuigd dat aan deze strijd geen eer meer te behalen was: de kans verder door te stoten naar het zuiden was verkeken. De onderhandelingen over hun vertrek begonnen.

Maar eerder hadden er heel andere geheime beraadslagingen plaatsgevonden. Vertegenwoordigers van het zogeheten Uitvoerend Bewind, dat op dat moment in Den Haag regeerde, hadden contact opgenomen met de Engelsen en de prins van Oranje. Ze hadden voorgesteld van Nederland een neutraal land te maken, dat ten zuiden van de Maas onder Franse controle zou blijven, terwijl Den Helder en de Waddeneilanden een Britse bezetting zouden krijgen. Het was een laatste stuiptrekking van Bataafse onafhankelijkheid ten opzichte van de Fransen – een zinloze actie, want Parijs zou een dergelijke constructie nooit tolereren. Toen de verhoudingen op het slagveld waren veranderd, verdween het Haagse idee snel van tafel, al was deze diplomatieke escapade de Fransen niet ontgaan.

Op de nieuwe onderhandelingen met de vijand had het Uitvoerend Bewind nauwelijks invloed. De Franse generaal Brune voerde directe gesprekken met de Engelsen en de Russen, en gaf hun zeer voordelige voorwaarden voor de aftocht – volgens boze tongen omdat hij een stel raspaarden van ze kreeg. Misschien kon Brune zo zelfstandig handelen door de stuurloosheid aan het thuisfront. Want op dat moment heersten in Parijs weer eens verwarrende toestanden, die zouden uitmonden in de staatsgreep van 9 november 1799 door Napoleon Bonaparte. Het kan ook zijn dat Frankrijk allang blij was zo gemakkelijk van het lastige invasieleger af te komen. Dat had zich tenslotte ook kunnen ingraven om nog maanden door te vechten.

Van Brune mochten de Engelsen en Russen de buitgemaakte schepen van de Bataafse vloot houden. Veel waren dat er toch niet: de Nederlandse zeemacht had twee jaar eerder bij Camperduin een verpletterende nederlaag geleden tegen de Engelsen, en was die nog lang niet te boven. Brune vroeg van de vertrekkende tegenstander geen herstelbetalingen en de Engelsen hielden zich maar ten dele aan de overeenkomst dat Franse en Nederlandse krijgsgevangenen zouden worden vrijgelaten.

Op 19 november 1799 hadden de laatste manschappen van de Engelse en Russische legers Noord-Hollandse bodem verlaten.

Op Europese schaal gezien was de invasie een bescheiden confrontatie geweest. Toch leidde deze tot een danige verzwakking van de tweede coalitie tegen Frankrijk. Rusland trok zich na het fiasco terug uit het bondgenootschap en de rol van Oranje leek na 1799 definitief uitgespeeld.

Dat laatste zou op de lange termijn niet blijken te kloppen. De invloed van de geëmigreerde Oranjes werd geringer, maar die van hun aanhangers in eigen land groeide spoedig na de invasie. Onder Napoleon werden zij weer betrokken bij het landsbestuur, en Willem V, die al die tijd in Engeland was gebleven, gaf daaraan zelf zijn zegen met de fameuze ‘Brief uit Kew’, waarin hij zijn ambtenaren in het vaderland onthief van hun eed van trouw. Misschien onbedoeld gaf hij zijn volgelingen zo de ruimte hun positie verder te versterken.

Meer weten

Boeken

Het best geschreven boek over 1799 en de aanloop daartoe is A. Alberts, De huzaren van Castricum (1973). Degelijke non-fictie zonder noten. Het verloop van de oorlogshandelingen is uitputtend besproken in Geert van Uythoven, Voorwaarts, Bataven! (1999) en de Stichting Herdenking 1799 gaf De lange herfst van 1799 (1999) uit.

In de negentiende eeuw liet generaal Cornelis Krayenhoff zijn licht al schijnen over de gebeurtenissen in Geschiedkundige beschouwing van den oorlog op het grondgebied der Bataafsche Republiek in 1799 (1832) (te lezen via Google books). Niek van Sas, De metamorfose van Nederland (2004) bevat essays over 1799 en Daendels.