Home Dossiers Tachtigjarige Oorlog De soldaten van Willem van Oranje

De soldaten van Willem van Oranje

  • Gepubliceerd op: 26 oktober 2016
  • Laatste update 31 jan 2024
  • Auteur:
    Mirjam Janssen
  • 5 minuten leestijd
De soldaten van Willem van Oranje
Cover van
Dossier Tachtigjarige Oorlog Bekijk dossier

Nooit kon Willem van Oranje volledig op zijn soldaten vertrouwen. Zijn huurlingenlegers vochten zolang ze geld kregen. Anders hielden ze ermee op – of sloegen ze aan het plunderen.

De eerste jaren van de Opstand moest Willem van Oranje een patstelling zien te doorbreken. Hij had te weinig geld om effectief oorlog te voeren, maar de Nederlandse steden en gewesten wilden hem niet meer geven omdat hij nog maar weinig resultaat had geboekt. Dat veroordeelde hem tot jarenlang gebedel, maar tegelijkertijd ging hij door met de strijd. Hij huurde toch soldaten in, al waren de kosten vaak niet gedekt. Deze strategie was niet zonder risico.

Legers bestonden in die tijd hoofdzakelijk uit huurlingen, die stopten met vechten als ze geen soldij meer kregen. En die vaak aan het muiten sloegen als de betaling te karig was, ophield of was vertraagd.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

 

Militaire flexwerkers

Legers werkten met onderaannemers die zelf soldaten wierven en als aanvoerder van een compagnie optraden. Zo’n compagnie was een hechte club, die als één man kon vechten, maar zich ook als één man tegen de opdrachtgever kon keren. Soldaten – afkomstig uit allerlei landen – waren niet loyaal aan de hoogste legerleiding of de zaak waarvoor ze vochten, maar hooguit aan de kapitein of kolonel die direct boven hen stond. Van hen kregen ze de soldij.

In deze periode was geen enkele staat sterk genoeg om er een staand leger op na te houden – ook Spanje niet. Er moesten dus steeds nieuwe mannen worden geworven.

 

Deze militaire flexwerkers kregen maandelijks een voorschot op hun soldij, maar niet het hele bedrag, omdat de kapiteins wilden voorkomen dat ze er tussentijds vandoor gingen of alles verbrasten met drinken en gokken. Pas als een veldtocht was afgelopen kregen ze het resterende geld. Maar doordat de Opstand erg lang duurde en er geen duidelijk einde kwam aan de strijd, volgde vaak ook geen echte eindafrekening. Dat maakte de mannen heel onrustig: ze verarmden en wisten niet of ze zelf het eind van de oorlog zouden halen.

Willem van Oranje merkte hoe gevaarlijk boze soldaten konden zijn, toen hij in oktober 1568 bij Leuven zijn manschappen niet kon betalen. Hij was hun een maand soldij schuldig. In de hoop dat hij de prins-bisschop van Luik voor de kosten kon laten opdraaien, liet hij ze oprukken naar diens stad. Maar de Luikenaren lieten hen niet binnen. Met pijn en moeite wist Willem de gewone soldaten uiteindelijk toch te betalen. En hij slaagde erin een groep Duitse ruiters te kalmeren door een afbetalingsregeling te treffen. Hij moest de soldaten wel tegemoet komen omdat hij het gevaar liep dat ze hem zouden gijzelen. Bovendien had hij zich anders ongeloofwaardig gemaakt als aanvoerder van nieuwe militaire operaties.

 

Excuses

Na de verovering van Den Briel door de watergeuzen op 1 april 1572 ontbrandde het vuur van de Opstand pas echt. Vanaf dat moment kreeg Willem meer financiële steun van de gewesten en de steden – al bleven ze excuses verzinnen om onder hun verplichtingen uit te komen.

Vanwege de defensieve strategie van Willem werden er troepen binnen steden gehuisvest. Die steden werden geacht de soldaten te verzorgen – een belangrijke kostenpost werd daarmee op hen afgewenteld. Maar de steden deden dat met grote tegenzin, ook omdat de huurlingen zich vaak slecht gedroegen.

Na de Unie van Utrecht in 1579 – een samenwerkingsverdrag van Holland, Zeeland, Gelderland, noordelijke provincies en enkele zuidelijke gewesten – werden de soldaten in grotere regimenten ondergebracht om de slagkracht van het leger te vergroten. Maar de trouw van de troepen bleef een zwak punt. In 1581, bijvoorbeeld, kreeg het garnizoen bij Zwartsluis even geen soldij en dreigde het prompt Zwolle te plunderen. Uiteindelijk wist de magistraat van Zwolle geld bijeen te schrapen en muiterij af te wenden.

De opstandelingen beschikten aanvankelijk niet over een oorlogsvloot. Ze gebruikten gehuurde, gekochte of gekaapte handelsschepen. Een deel van de vloot hield zich bezig met kaapvaart, een officiële, op papier gelegitimeerde vorm van piraterij. Buitenlandse schepen of Nederlandse schepen die zonder toestemming van de opstandelingen met andere landen wilden handelen, werden opgebracht en geplunderd. Of de bemanning werd gegijzeld tot er losgeld was betaald. De opbrengst kwam deels ten goede aan de kapers, deels aan de oorlogskas van Willem.

 

Ruzie over de kosten

Verder zette hij zijn eigen middelen in voor de goede zaak – wat tot zijn persoonlijke faillissement leidde – en kreeg hij financiële steun van sympathisanten en buitenlandse vorsten.

De gewesten bleven ruziën over de verdeling van de kosten. Het lukte niet een algemene, gelijktijdige belasting overeen te komen. In plaats daarvan nam elk gewest een deel van de troepen voor zijn rekening. Willem van Oranje moest de onderlinge verdeling bepalen, wat ook weer tot wrevel leidde. Lastig was bovendien dat de provincies niet aan elkaar doorgaven of ze extra soldaten hadden ingehuurd of juist troepen hadden afgestoten.

Pas vanaf 1588 – vier jaar na de dood van Willem – werden de financiering en de organisatie van het leger beter gestructureerd. Een meevaller voor de opstandelingen was dat de Spanjaarden een nog groter geldgebrek kenden.

 

Spaanse Furie 

De grootste muiterij deed zich in 1576 voor in Antwerpen toen de Spanjaarden hun soldaten niet meer konden betalen. Deze zogeheten Spaanse Furie resulteerde in massale plunderingen en 8000 slachtoffers.

Soldaten droegen in de zestiende eeuw nog geen uniformen, maar wel ruime, kleurrijke bovenkleding en een braguette (schaambuidel) met kousen of een slobberbroek. Ze moesten zelf voor hun uitrusting zorgen. Een gemiddelde soldaat verdiende 5 gulden per maand, mannen met een harnas en musketiers twee of drie keer zoveel.

Willem van Oranje had ook problemen met zijn eigen financiën. In 1553 – dus voor de Opstand – liet hij uitzoeken waardoor hij krap zat. Toen bleek dat er aan zijn hof maar liefst 160 personen dagelijks goed te eten en te drinken kregen. Er liepen tachtig edellieden rond met eigen medewerkers. En dan was er nog het personeel van Willem zelf. Ze aten vooral veel vlees. Op een gemiddelde dag gingen er 2,5 schaap, een kalf, een speenvarken en tien kilo rundvlees doorheen.

Mirjam Janssen is historicus en journalist.