• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 4/2014

    De schatrijke filantroop

    Oliemagnaat John D. Rockefeller (1839-1937)

    Door: Jaap Verheul

    Als oprichter van Standard Oil werd John D. Rockefeller de rijkste man aller tijden. Zijn gehaaide manier van zakendoen kwam hem op veel kritiek te staan. Tegelijkertijd gebruikte hij zijn fortuin voor een baanbrekende vernieuwing van de filantropie.

    John Davison Rockefeller werd vaak omschreven als zwijgzaam, sober, koud en afstandelijk, en tegelijk uitermate vasthoudend, principieel en intimiderend. Het is daarom voer voor psychologen dat zijn vader juist een sociale losbol en een oplichter was, die leefde van kwakzalverij, onbestemde ambulante handel en dubieuze investeringen.

    John, die in 1839 als tweede uit een gezin van zes kinderen werd geboren, groeide op in gehuchten in New York en de jonge staat Ohio. Zijn moeder, een vrome baptist van Ierse afkomst, hield het gezin met discipline en nijverheid bijeen, terwijl de vader meestal op pad was en er bovendien een tweede gezin op na hield. De man die een ijzeren discipline zou opleggen aan de olie-industrie, groeide op te midden van onrust, onzekerheid en ontrouw.

    In de leer

    Al op 16-jarige leeftijd nam John het besluit in zaken te gaan, maar met een grotere doelgerichtheid dan zijn vader. Hij ging na een zorgvuldige zoektocht in de leer als boekhouder bij een handelsfirma in Cleveland, waar hij alle kneepjes van het vak leerde. Vier jaar later stichtte hij met een zakenpartner een eigen handelshuis, dat vooral tijdens de Burgeroorlog zeer goede zaken deed bij het verhandelen van graan, varkensvlees, zout en de vele andere producten van het Amerikaanse westen. Nauwgezet tekende hij zijn transacties en groeiende welvaart op in grootboeken, terwijl hij zichzelf haast dwangmatig voorhield geen fouten te maken en altijd methodisch te werk te gaan.

    Nog tijdens de oorlog stapte de firma in de olieraffinaderij. Dit was een zeer jonge, onzekere en nog chaotische industrie, die geheel dreef op recente olievondsten in Pennsylvania. Olie werd behalve als smeermiddel alleen gebruikt voor verlichting, waar het een alternatief werd voor de veelgebruikte, maar dure walvisolie. Dankzij de snel uitbreidende spoorwegen konden echter nieuwe markten ontsloten worden, en tegen het einde van de oorlog bezat de firma van Rockefeller de grootste raffinaderij van Cleveland.

    In februari 1865, enkele maanden voor de afloop van de Burgeroorlog, forceerde Rockefeller een doorbraak die de weg naar zijn fabuleuze rijkdom zou openen. Hij besloot zijn handelspartner uit te kopen en alleen door te gaan met de olieraffinaderij. In een besloten veiling, die begon bij 500 dollar, bood hij in snel tempo tegen zijn mede-eigenaar op, totdat hij voor 72.500 dollar het alleenrecht op de raffinaderij verwierf. Het was een beslissend moment, dat wel het begin van de moderne olie-industrie is genoemd.

    Op 26-jarige leeftijd was Rockefeller al uit op absolute alleenheerschappij en onbeperkte expansie. Met zijn broer en enkele nieuwe partners begon hij aan de opbouw van een nieuwe firma, die orde moest scheppen in de ongeregelde oliehandel en daarom de naam Standard Oil kreeg. Rockefeller werd het meesterbrein achter de genadeloze ordening van deze nieuwe tak van industrie.

    De weg naar rijkdom

    Hij had geen beter moment kunnen kiezen. Na de oorlog begon het land aan een spectaculaire economische expansie, die een agrarische republiek in nog geen halve eeuw zou veranderen in de grootste industriële mogendheid ter wereld. Opgestuwd door deze economische golfbeweging bereikte Rockefeller de absolute top.

    De koele strateeg Rockefeller beheerste het spel van dominantie, overnames en marktordening als geen ander. Hij startte een tweede raffinaderij, opende een handelskantoor in New York, en begon in het geheim alle concurrenten in de regio op te kopen. Hij stapte een voor een op deze firma’s af, liet zijn indrukwekkende boekhouding zien en gaf ze de keuze tussen vrijwillige overname en een ongelijke machtsstrijd, die onvermijdelijk tot hun faillissement zou leiden.

    In 1872 had Rockefeller alle 34 voormalige concurrenten rond Cleveland aan zich gebonden en in de jaren daarop vielen ook alle tegenspelers in de oliegebieden rond Philadelphia, Pittsburgh en New York in zijn handen.

    ‘Standard Oil verloor uiteindelijk de strijd tegen de publieke opinie’

    De grootste troef in de overnamestrijd waren de contracten die zijn vriend en zakenpartner Henry M. Flagler wist af te dwingen bij de vele spoorwegmaatschappijen die het land in snel tempo ontsloten. In ruil voor een gegarandeerd volume boden de spoorwegen Standard Oil in het geheim enorme kortingen op de vervoerskosten, die vaak werden afgewenteld op de andere oliemaatschappijen.

    Standard Oil bracht onwillige vervoerders op de knieën door ook in pijpleidingen en tankwagens te investeren. Die ongelijke strijd kon niemand aan. Rond 1879 beheerste Standard Oil niet minder dan 90 procent van alle raffinaderijen in de Verenigde Staten en had de onderneming tevens alle transportkanalen volledig onder controle. Ook begon het bedrijf met de handel in nieuwe olieproducten, zoals kaarsen, verf, kleurstoffen, stookolie, vaseline en zelfs kauwgum.

    Olie-imperium

    Toen de binnenlandse vraag naar olieproducten leek te stagneren, stortte Standard Oil zich aan het einde van de negentiende eeuw bovendien energiek op de overzeese export. Vooral de economische belofte van de Chinese markt van meer dan 400 miljoen huishoudens lokte.

    Onder de handelsnaam Mei Foo begon Standard Oil de Chinese consumenten te bewerken om hun lampen voortaan te vullen met hun petroleum in plaats van de traditionele plantaardige olie. Beroemd werden de 8 miljoen olielampjes die het bedrijf gratis uitdeelde om de vraag naar petroleum te stimuleren. Deze Mei Foo-lampjes werden zo’n succes dat het bedrijf uitgroeide tot de grootste investeerder in Zuidoost-Azië.

    Uniek was de organisatievorm die Rockefeller ontwikkelde voor zijn groeiende olie-imperium. Hij verdeelde het toezicht over de verschillende aspecten van de bedrijfsvoering over een aantal comités, die onder een uitvoerend comité vielen dat we nu een raad van bestuur zouden noemen. Omdat Standard Oil in de staat Ohio was gevestigd, kon het volgens de Amerikaanse wetgeving geen bezit of aandelen in andere staten verwerven.

    Daarom zocht Rockefeller zijn toevlucht tot een systeem van gevolmachtigden, die voor hem aandelenportefeuilles in andere firma’s beheerden. Deze praktijk van trustees groeide in 1882 uit tot de Standard Oil Trust, een byzantijns complex van ondernemingen dat door een stelsel van verweven bestuursfuncties bijeen werd gehouden.

    Door de vele juridische complicaties en rechtszaken rond de innovatieve bedrijfsorganisatie duurde het tot 1899 voordat Standard Oil in New Jersey zijn uiteindelijke vorm kreeg als centrale holdingmaatschappij voor alle aandelen in de vele dochterondernemingen. Deze eerste trust in de moderne bedrijfsgeschiedenis kan worden beschouwd als de voorloper van de nu alom geaccepteerde holdingstructuur voor multinationale ondernemingen.

    Groeiende aversie

    De spectaculaire machtsconcentratie die Rockefeller door middel van zijn meedogenloze – en vaak geheime – transacties wist te bereiken, riep een golf van verontwaardiging op. Hoewel Standard Oil alle tegenoffensieven van concurrenten wist af te slaan en ook de meeste rechtszaken won, verloor het uiteindelijk de strijd tegen de publieke opinie. Vooral de manier waarop het bedrijf samenspande met de spoorwegen zette kwaad bloed. Critici vonden dat een onethische wijze van zakendoen, die vrije concurrentie in de weg stond.
    De kritiek richtte zich op alle grote ondernemingen die de Amerikaanse economie in deze jaren domineerden, zoals het gevreesde US Steel van Andrew Carnegie, de spoorwegondernemingen van Cornelius Vanderbilt en het financiële imperium van J.P. Morgan. Maar vooral de ongrijpbare Rockefeller werd een dankbaar doelwit voor aanklachten tegen de enorme accumulatie van rijkdom en economische macht in de handen van een kleine groep ondernemers.

    ‘Omgerekend was Rockefeller bijna tien keer zo rijk als Microsoft-oprichter Bill Gates’

    De pers speelde een cruciale rol in het mobiliseren van een publieke tegenbeweging tegen deze robber barons, een term die voor het eerste in 1870 door het blad Atlantic Monthly werd gebruikt. Er ontstond een nieuw genre onderzoeksjournalistiek, dat misstanden als politieke corruptie, bestuurlijke inefficiëntie en economisch onrecht aan de kaak begon te stellen. Deze journalisten, die later de bijnaam muckrakers kregen, schreven artikelen die gebaseerd waren op interviews en op eigen onderzoek, en die tot doel hadden hervormingen af te dwingen.

    Zo begon de onderzoeksjournaliste Ida Tarbell, die veel slachtoffers van Standard Oil persoonlijk kende, in 1902 aan een lange serie artikelen over de zakenpraktijken van Rockefeller voor McClure’s Magazine, die twee jaar later gepubliceerd werden als de bestseller The History of the Standard Oil Company. Tarbell schilderde Rockefeller hierin af als een zure en kwaadaardige schraper die voor niets terugdeinsde om de olie-industrie te monopoliseren.

    Standard Oil onder vuur

    Deze publieke tegenbeweging bleef niet zonder effect. Aan het einde van de negentiende eeuw werd een reeks wetten tegen monopolievorming aangenomen. De invloedrijkste waren de Interstate Commerce Act van 1887, die zich vooral richtte tegen de spoorwegen, en de Sherman Antitrust Act van 1890, die de vrije competitie wilde beschermen tegen monopolievorming en kartels.

    Op basis van deze wetgeving oordeelde het Amerikaanse Hooggerechtshof in 1911 dat Standard Oil, dat een marktaandeel van 70 procent van alle olieraffinage had, ontbonden moest worden. Het bedrijf werd opgedeeld in 34 kleinere ondernemingen, waarvan de bedrijven Chevron en ExxonMobil tegenwoordig de belangrijkste erfgenamen zijn. Hiermee kwam het zorgvuldig door Rockefeller opgebouwde zakenimperium definitief ten einde.

    Rockefeller leed zo onder de toenemende kritiek dat hij al zijn lichaamshaar verloor. Hij had zich inmiddels uit de dagelijkse leiding van de onderneming teruggetrokken. Na zijn pensionering woonde hij op zijn buitenverblijf Kykuit, een groot landhuis nabij New York dat uitkijkt over de Hudson, of op een van zijn vele andere buitenverblijven.

    Als grootaandeelhouder had hij in 1913 een kapitaal van 900 miljoen dollar vergaard. Volgens schattingen zou dat in onze tijd ongeveer 663 miljard dollar vertegenwoordigen, bijna tien keer zoveel als het vermogen van Microsoft-oprichter Bill Gates, wat Rockefeller tot de rijkste persoon in de wereldgeschiedenis maakt.

    Nieuwe filantroop

    Ondanks de negatieve beeldvorming bleef de olietycoon relatief eenvoudig leven. Zelfs als president van Standard Oil had hij dagelijks de tram naar zijn kantoor in New York genomen. Hij was een toegewijd familievader, die vanaf zijn 25ste jaar getrouwd was met de onderwijzeres Laura Spelman, met wie hij vier dochters en een zoon kreeg.

    Bovendien bleef hij een trouw en actief lid van de baptistenkerk, waar hij ook zijn vrouw had ontmoet. Hij gaf zijn hele leven met grote nauwgezetheid minstens 10 procent van zijn inkomen aan goede doelen uit. Zo stichtte hij in 1884 een school voor Afro-Amerikaanse vrouwen in Atlanta, die later in Spelman College werd omgedoopt, en gaf hij 80 miljoen dollar aan een klein college van de baptisten, dat daarmee uitgroeide tot de University of Chicago.

    Aan het begin van de twintigste eeuw werd liefdadigheid zijn voornaamste bezigheid. Rockefeller was er de man niet naar om aalmoezen aan toevallige bedelaars te geven. Als voorstander van efficiëntie geloofde hij dat alleen een systematische aanpak tot blijvende resultaten kon leiden. Geleid door adviseurs, onder wie zijn zoon John D. Rockefeller jr. en de baptistenpredikant Frederick T. Gates, richtte hij een aantal grote stichtingen op die zich ten doel stelden het lot van de mensheid structureel te verbeteren door gerichte giften.

    Deze met particuliere gelden gesteunde foundations, die ondersteund werden door belastingvrijstellingen, werden beheerd door deskundigen. De foundations stelden vaak nauw omschreven eisen aan de steunverlening en legden de basis voor een nieuwe vorm van filantropie. Doordat Rockefeller naar schatting 540 miljoen dollar aan deze stichtingen overdroeg, werd hij de grootste filantroop ter wereld.

    Goede doelen

    Hoewel de belangrijkste doelen die Rockefeller steunde op het terrein van medisch onderzoek en onderwijs lagen, gaf hij ook geld aan natuurparken, kunstcollecties, jeugdprojecten en religieuze doelen. Het grootste deel van dit geld ging naar het Rockefeller Institute for Medical Research in New York, dat baanbrekend onderzoek verrichtte in de biomedische wetenschappen en later omgedoopt werd tot de Rockefeller University. Er werden daarnaast aparte stichtingen opgericht voor de verbetering van het onderwijs en de bestrijding van de haakwormziekte, die vooral in het zuiden van de VS huishield.

    De in 1913 opgerichte Rockefeller Foundation richtte zich op volksgezondheid, medisch onderwijs, verhoging van de voedselproductie, wetenschappelijk onderzoek en de kunsten. De stichting steunde bijvoorbeeld opleidingen in de volksgezondheid aan de Johns Hopkins University en Harvard, en hielp de befaamde New School for Social Research in New York om een onderkomen te bieden aan wetenschappelijke vluchtelingen uit nazi-Duitsland.

    De Rockefeller Foundation steunde ook wetenschappelijk onderzoek en onderwijs buiten de Verenigde Staten, bijvoorbeeld in Nederland. Toen het befaamde farmacologische laboratorium van de Utrechtse hoogleraar Rudolf Magnus in de problemen raakte door veroudering van de gebouwen, riepen medehoogleraren de hulp in van de Rockefeller Foundation, die prompt geld leverde voor een nieuw pand.

    In 1926 verrees een waar ‘Pharmacologisch Paleis’ aan de Vondellaan, dat een tehuis werd voor het Rudolf Magnus Instituut voor Neurowetenschappen. Enkele jaren later kreeg dezelfde universiteit ook een gloednieuw laboratorium voor vergelijkende fysiologie van de Rockefeller Foundation.

    Contrasterend nalatenschap

    In zijn jeugd had John D. Rockefeller zich voorgenomen een vermogen van 100.000 dollar op te bouwen en honderd jaar oud te worden. Dat laatste was op twee jaar en twee maanden na gelukt toen hij in 1937 overleed. Het eerste doel had hij ruim gehaald: de New York Times schatte zijn vermogen bij zijn overlijden op 1,5 miljard dollar.

    Rockefeller liet een tegenstrijdige erfenis achter. Zijn naam bleef verbonden met het monopoliekapitalisme en de spectaculaire inkomensongelijkheid die de Amerikaanse economie aan het einde van de negentiende eeuw kenmerkten. Standard Oil werd een model voor de multinationale ondernemingen die de wereldeconomie van de twintigste eeuw domineerden. Maar tegelijk was hij vanuit zijn principes vrijgevig en legde hij de basis voor een nieuwe vorm van filantropie, die bijdroeg aan doorbraken op talloze terreinen van wetenschap en geneeskunde.

    Rockefeller stichtte daarnaast een dynastie. Zijn ongeveer 150 nazaten beheersen nog steeds de Amerikaanse filantropie en zijn zeer goed vertegenwoordigd in het zakenleven en de politiek. Rockefellers kleinzoon, de zakenman Nelson Aldrich Rockefeller, bracht het bijvoorbeeld tot gouverneur van New York en vicepresident van de Verenigde Staten.

    De huidige patriarch van de familie, de inmiddels 98-jarige David Rockefeller, schonk gedurende zijn leven 900 miljoen dollar en heeft nog steeds een geschat vermogen van 2,8 miljard dollar. De Rockefellers zijn daarmee wellicht de machtigste familie in de Verenigde Staten.

    Meer lezen
    De beste algemene biografie over John D. Rockefeller is Ron Chernow, Titan. The Life of John D. Rockefeller, Sr. (1998). In 1908 publiceerde Rockefeller de autobiografie Random Reminiscences of Men and Events. Een levendig beeld van zijn rol in de mondiale olie-industrie wordt geschetst in het klassieke boek van Daniel Yergin, The Prize. The Epic Quest for Oil, Money and Power (2008).

    Het effect van de Rockefeller Foundation op de Nederlandse wetenschapsbeoefening staat beschreven in Willem Hendrik Gispen, Rockefeller en Utrecht. Steekspel om het grote geld (2011). Het archief van de familie wordt beheerd door het Rockefeller Archive Center: www.rockarch.org.