Home De januskop van het Nationaal Holocaustmuseum

De januskop van het Nationaal Holocaustmuseum

  • Gepubliceerd op: 30 april 2024
  • Laatste update 01 mei 2024
  • Auteur:
    Christophe Busch
  • 6 minuten leestijd
Tentoonstelling Nationaal Holocaustmuseum - Mike Bink

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Historischnieuwsblad.nl? U bent al lid vanaf €1,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Het nieuwe Nationaal Holocaustmuseum in Amsterdam heeft twee functies: leren en herinneren. Beide komen goed tot hun recht, vindt Christophe Busch, directeur van het Hannah Arendt Instituut in Mechelen.

‘Een spijtige zaak.’ Zo spraken enkele aanwezigen over de opening van het nieuwe Nationaal Holocaustmuseum in Amsterdam. Natuurlijk hadden ze het niet over het prachtige museum zelf, maar over de commotie rondom de opening ervan, die werd versterkt door de aanwezigheid van de Israëlische president. Het knetterde doordat conflicten op historisch-museaal en politiek-actueel niveau samenkwamen. Ik merk dat zelf ook tijdens lezingen over genocidaal geweld. De eerste vraag uit het publiek legt steevast verband tussen het verleden en het heden. Soms proberen de vraagstellers te begrijpen, soms louter te beschuldigen. Dat zie je ook in opiniestukken, die variëren van eerlijke analyses tot de haast onnavolgbare hersenkronkels van Arnon Grunberg.

Meer recensies lezen? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Voorzichtig en gelaagd

De doorgang van het verleden naar het heden is vooral een lastige en beladen zaak, geen ‘spijtige zaak’. De koppeling tussen beide is inherent aan een politiek van herinnering en dat is ook te zien in het Holocaustmuseum. Het is goed beschreven in de publicatie van Marc Noyons, Chai-Leven-Life: Gesprekken met wegbereiders van het Nationaal Holocaustmuseum in Amsterdam. Een brede laag in onze samenleving vindt het belangrijk om niet weg te kijken van wat ooit gebeurde, het geweld te erkennen, de slachtoffers opnieuw een naam en een gelaat te geven. En, als het al mogelijk is, ook te kijken hoe de samenleving heeft bijgedragen aan het ontstaan en de verdere evolutie van het geweld.

Samenlevingen doen er vaak decennia over om tot een graduele erkenning van de feiten te komen, daarna tot een eerlijke omgang met het beladen gedeelte ervan, en vervolgens om de verantwoordelijkheid te nemen voor het toekomstige samenleven. Op de weg ernaartoe bots je tegen beladen aspecten die het leervermogen temperen en soms terugsturen naar de donkere hoeken van onze samenleving. Het kwaad houdt dan iets demonisch, buitenmenselijks of zelfs symbolisch. Het leren wordt gereduceerd tot stijlformules. Het kwaad is ‘de ander’, vaak de universeel bruikbare symboolnazi. 

De Nederlandse samenleving moet het geweld recht in de ogen durven kijken

De uitdaging waar de Nederlandse samenleving voor staat is de durf te hebben dit geweld – met al zijn slachtoffers, daders, omstanders en betrokken personen – recht in de ogen te kijken. Het Nationaal Holocaustmuseum doet dat met verve, maar wel voorzichtig en gelaagd. Dat lijkt me wijs. Het bouwt voort op de talloze ervaringen in het buitenland. Het begin- en het eindpunt van de permanente tentoonstelling kunnen deze complexe uitdaging dan ook niet treffender representeren. 

Jongetje in Bergen-Belsen

Het eerste beeld is de befaamde zwart-witfoto van Sieg Maandag: het 7-jarige Amsterdams-Joodse jongetje loopt op 20 april 1945 in Bergen-Belsen langs een rij ontmenselijkte en uitgemergelde slachtoffers die opgestapeld liggen in de berm. Het jongetje – met een naam, een gezicht en, nog belangrijker, een leven voor zich – staat in schril contrast met de levenloze anonieme lichamen waarlangs hij loopt en waarvan hij lijkt weg te kijken. Achter de reusachtige foto van Sieg staan talloze beelden in kleur van verwoeste Europese steden. Deze combinatie van beelden komt hard binnen, zowel rationeel als emotioneel. Hier zullen onze donkere bladzijden volgen en dat zal door merg en been gaan.

Foto met Sieg Maandag uit Life Magazine in de tentoonstelling van het Nationaal Holocaustmuseum © Thijs Wolzak
Foto met Sieg Maandag uit Life Magazine in de tentoonstelling van het Nationaal Holocaustmuseum. Foto door Thijs Wolzak.

Het eerste object in het museum is dan ook van de hand van Sieg Maandag (1937-2013); hij werd beeldend kunstenaar. Een prachtig schilderij toont zijn zelfportret. Twee gezichten: een kijkt je aan, een kijkt weg. De kunst van Maandag kan niet los worden gezien van de veertien maanden waarin hij opgroeide en overleefde in het kamp. Zijn zelfportret symboliseert voor mij de januskop van elk Holocaustmuseum. Dat moet complexe en steeds veranderende evenwichten zoeken tussen verleden en heden, tussen herinneren en leren, tussen tonen hoe dehumanisatie werkt en hoe rehumaniseren een noodzaak is. Zowel toen als vandaag.

Een Holocaustmuseum moet ook schuren

Elk Holocaustmuseum heeft twee gezichten. Meestal kijkt het gelaat van slachtofferschap je recht aan met de boodschap van Emmanuel Levinas: ‘Kijk naar mij en dood me niet.’ In Kazerne Dossin, het Belgische Holocaust- en mensenrechtenmuseum, zijn het de duizenden gezichten van de gedeporteerden die je vier verdiepingen hoog aankijken. Hier in Amsterdam is het Sieg Maandag. Maar een Holocaustmuseum moet ook schuren, moet werken op de spanningsboog van wegkijken en leren zien. Steeds twee gezichten, waarvan één aarzelend en soms afgewend. Leren kijken, denken en doen, doet dan ook pijn. 

De opbouw is klassiek

De commemoratieve aanpak van het Nationaal Holocaustmuseum is bijzonder sterk. In meer dan 2500 foto’s en objecten staat de nagedachtenis van de slachtoffers in Nederland centraal. Negentien vergeet-mij-niet-installaties brengen levensverhalen aan de hand van een object. Ze tonen wat Hannah Arendt stelde: dat we nooit de gehele geschiedenis kunnen overzien, maar wel benaderen via de fragmenten die ons zijn overgeleverd. Van de Sobibor-maquette van Jules Schelvis tot de knopen die daar gevonden zijn tijdens archeologische opgravingen.

De opbouw van de tentoonstelling is klassiek en brengt het relaas van de vooravond, de bezetting, de graduele uitsluiting en het isolement richting massamoord. Maar ook de verhalen van redding en verzet, die helaas in Nederland zeldzamer waren, ontbreken niet als cruciale fragmenten om het verleden te begrijpen. Het ‘misdadenbehang’ met de haast grenzeloze lijst aan anti-Joodse maatregelen en verordeningen toont hoe een rechtssysteem volledig in dienst komt te staan van de massamoord. Ook de daders zijn in hun diversiteit aanwezig, weliswaar summier en zonder veel uitleg. Want deze complexiteit wil men liever gedegen en genuanceerd aanpakken binnen de educatieve werking van het museum.

‘Vergeet ons niet’

Het museum, als het memoriaal van de Hollandsche Schouwburg er rechtover, is een plaats waar je uren kan vertoeven. Het noodzaakt tot een volgend bezoek, zodat je steeds nieuwe lagen, nieuwe fragmenten kan opnemen. Herinneren en leren. Dat laatste voorzichtig en soms als het aarzelende gelaat. ‘Zien, denken en doen,’ stelt de catalogus.

Kartonnen lijstje met pasfoto's van een anoniem gezin, met potlood geschreven tekst 'vergeet ons niet!'.
Kartonnen lijstje met pasfoto’s van een anoniem gezin, met potlood geschreven tekst ‘vergeet ons niet!’. Collectie Joods Museum.

Begin en einde van de tentoonstelling koppelen beide functies aan elkaar. Het eerste beeld van de tentoonstelling gaat over de lerende functie van wat komt. Het laatste beeld gaat in op het belang van herinnering. Het is een kartonnen lijstje met drie portretten en opschrift. Vermoedelijk een ouderpaar en hun zoon. De namen van deze gedeporteerden zijn onbekend. De geschiedschrijving is er nog niet in geslaagd hun identiteit terug te geven, maar wel hun plaats in het menselijk bestaan. Het opschrift luidt: ‘Vergeet ons niet.’ Een opdracht die het Nationaal Holocaustmuseum hiermee omarmde.

Openingsafbeelding: Tentoonstelling Nationaal Holocaustmuseum. Foto door Mike Bink.