• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 8/2008

    De grote geschiedenis prijs

    Door: Rob Hartmans

    Op 6 oktober aanstaande reikt juryvoorzitter Frits van Oostrom tijdens het televisieprogramma Gek van Geschiedenis de Grote Geschiedenis Prijs voor het beste historische boek van 2008 uit. De vijf boeken op de shortlist maken intrigerende aspecten van de Nederlandse geschiedenis toegankelijk voor een breed publiek.

    Begin dit jaar woedde er in de Volkskrant en het inmiddels ter ziele gegane weekblad Opinio een polemiek over de (vermeende) tekortkomingen van Nederlandse historici. Volgens Hans Wansink en Willem Velema, die het dispuut startten, richten historici zich niet alleen te weinig tot een breder publiek en schrijven ze primair voor elkaar, maar hebben zij bovendien de ‘vaderlandse geschiedenis’ verwaarloosd.
    Waar ze wel aandacht besteden aan Nederlandse geschiedenis, doen ze dat vrijwel uitsluitend aan de zwarte bladzijden in ons nationale verleden, zoals de slavenhandel, de koloniën, de uitbuiting van de arbeidersklasse en de vergaande accommodatie en collaboratie tijdens de Duitse bezetting. Hierdoor zouden historici in belangrijke mate verantwoordelijk zijn voor het feit dat ons land nauwelijks nog beschikt over een ‘nationale identiteit’.
    Het is al met al een zeer zwartgallig beeld dat Wansink en Velema schilderden, en het klopt gelukkig niet. Dat wordt duidelijk aangetoond door de inzendingen voor de Grote Geschiedenis Prijs voor het beste geschiedenisboek, die dit jaar voor de tweede keer wordt uitgereikt door Historisch Nieuwsblad, de Volkskrant en NPS/VPRO. Voor de tien boeken op de zogenoemde longlist geldt dat ze allemaal toegankelijk zijn voor een breed publiek – ook onder de boeken die niet genomineerd zijn, zijn er overigens vele die aan dit criterium voldoen. Dat Nederlandse historici uitsluitend voor elkaar schrijven is dus flauwekul.
    Hoe zit het dan met de rest van de kritiek? Wanneer we ons beperken tot de shortlist, blijkt dat het daarmee reuze meevalt. Niet alleen gaan alle boeken over Nederlandse onderwerpen, maar bovendien is de manier waarop die behandeld worden niet uitsluitend negatief.
    Uit het boek van Luuk Kooijmans over Jan Swammerdam en diens collega’s wordt duidelijk dat Nederland zich tijdens de zeventiende eeuw in de voorhoede van het wetenschappelijk onderzoek bevond. Machiel Bosman laat in Elisabeth de Flines zien dat er in de Republiek grotere rechtsgelijkheid bestond dan velen geneigd zijn te denken, en de biografie van de verguisde minister-president De Geer schetst een genuanceerd beeld zowel van de hoofdpersoon als van Nederland tijdens de bezetting.
    Hoewel Suzanna Jansen het droevige lot van mensen uit de onderklasse beschrijft, heeft ze voldoende oog voor de idealen en beperkte middelen van de toenmalige hulpverleners. En akkoord, in de biografie die Evelien Gans schreef van Jaap en Ischa Meijer staat een zwarte bladzijde – de Jodenvervolging – centraal, maar eenzijdig is het boek niet. Niet alle daders zijn inktzwart, niet alle slachtoffers lelieblank, en niet alle omstanders zijn karakterloos grijs.

    Lef
    Bij het nomineren van de boeken voor de Grote Geschiedenis Prijs 2008 heeft de jury zich laten leiden door drie criteria: toegankelijkheid, degelijkheid en oorspronkelijkheid. Wat betreft de eerste twee criteria kan gezegd worden dat alle vijf boeken hier ruimschoots aan voldoen. Wel is het zo dat aan de biografie van de Meijers of het boek van Kooijmans meer historisch ‘graafwerk’ ten grondslag ligt dan aan Het pauperparadijs van journaliste Suzanna Jansen, maar ook voor dat laatste boek is heel degelijk onderzoek gedaan. Het is overigens weer wat vlotter geschreven dan bijvoorbeeld de biografie van De Geer. Elk van de vijf boeken heeft zijn eigen kwaliteiten, maar allemaal voldoen ze ruimschoots aan de eisen die je wat betreft degelijkheid en toegankelijkheid mag stellen.
    Lastiger is het om iets te zeggen over oorspronkelijkheid. Wanneer ben je ‘oorspronkelijk’? Is de keuze van het onderwerp een criterium? Of gaat het om de onderzoeksmethode, de manier van vertellen, of een combinatie van deze zaken? Ach, er zijn al zoveel geschiedenisboeken dat vrijwel alles al weleens geprobeerd is. En zoveel grappen kun je nu ook weer niet uithalen, wil je de degelijkheid en toegankelijkheid niet in gevaar brengen.
    Misschien is ‘durf’ dan een beter criterium. Hoe gewaagd is het onderwerp, hoe hoog durft de historicus te mikken, welke risico’s is hij of zij bereid te lopen, hoe groot is de greep? Wat dit betreft is er een groot verschil tussen een biografie of een boek over één historisch detail en een werk waarin een grote periode of een omvangrijk (al dan niet geografisch) gebied centraal staat. In het eerste geval zijn bronnenmateriaal en literatuur meestal redelijk te overzien en is het eenvoudiger om het geheel af te bakenen. Bovendien geldt vooral voor biografieën dat de structuur zich min of meer vanzelf aandient – niet zelden ‘vertelt het verhaal zichzelf’. Bij het andere type boek loopt de auteur in alle opzichten meer risico.
    In de oorspronkelijke lijst met tien genomineerde boeken worden deze polen gevormd door respectievelijk Machiel Bosmans Elisabeth de Flines, over de perikelen binnen een Amsterdamse regentenfamilie rond 1700, en Maarten van Rossems Drie oorlogen, dat in 300 bladzijden de (politieke en militaire) geschiedenis van de twintigste eeuw schetst. Hoe goed en boeiend het boek van Bosman ook is, om een werk als dat van Van Rossem te schrijven is wel meer lef – en kennis – nodig.
    Wat opvalt is dat, als het om durf gaat, van de tien genomineerde titels de andere acht dichter bij ‘Bosman’ dan bij ‘Van Rossem’ staan. En als we de complete historische productie zouden onderzoeken, komen we verhoudingsgewijs waarschijnlijk nog veel minder Van Rossem-achtige boeken tegen. Hoewel de jury blijkbaar van oordeel is dat diens Drie oorlogen wat betreft degelijkheid en toegankelijkheid minder is dan de vijf boeken op de shortlist, is het toch jammer dat de kanshebbers nu uitsluitend boeken zijn met min of meer ‘veilige’ onderwerpen.
    In dit verband is het overigens opmerkelijk dat een van de meest gedurfde historische boeken zelfs niet op de longlist voorkomt. Ik heb het over Floris Cohens De herschepping van de wereld, dat beschrijft hoe de moderne natuurwetenschappen zijn ontstaan, en waarom dit proces zich juist in West-Europa heeft voltrokken. Dit boek, dat is bekroond met de Eureka-prijs van NWO, schetst het grote kader waarin het verhaal over Jan Swammerdam en diens tijdgenoten zich afspeelt.

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen