Home De derde hoofdstad van Frankrijk

De derde hoofdstad van Frankrijk

  • Gepubliceerd op: 23 februari 2005
  • Laatste update 07 apr 2020
  • Auteur:
    Jan Dirk Snel

534 p./ 556 p. SUN, euro 49,50 (tot 1 april euro 44,5

Laat ik eerst het gemopper maar even afwerken, dan kan ik daarna in alle rust vertellen hoe fantastisch deze Geschiedenis van Amsterdam is. Op de rug van de twee nieuwe banden over ruwweg de zeventiende en achttiende eeuw staat niet gewoon II en III, maar opvallend II-1 en II-2. Zo’n afzichtelijke Loe-de-Jong-achtige oplossing verzin je toch hooguit als deel twee per ongeluk na deel drie verschijnt en niet in één band blijkt te passen? Op de titelpagina worden de delen bovendien helemaal niet genummerd, zodat die malligheid nergens voor nodig is.


Het is een kleine smet op een prachtig uitgegeven reeks. Zelden krijg je boeken in handen die zo uitnodigen tot lezen! De vormgeving van Harry Veltman kan niet genoeg geprezen worden. Vaak zie je dat in dergelijke overzichtswerken de bladzijden worden volgepropt met een tekst in twee kolommen, maar Veltman heeft voor een heerlijk luchtige bladspiegel gekozen. Alles klopt: het lettertype, het papier, de vormgeving van kaders, de verwijzingen en de wijze van illustreren.

Beide delen bevatten samen 833 illustraties, die een verhaal op zich vormen. Wat mij betreft zijn beeldredacteuren Nienke Huizinga, Ester Wouthuysen en Hinke Wiggers de hoofdauteurs. Bekijk eerst alle illustraties en lees de begeleidende teksten en je waant je bijna letterlijk in het trotse Amsterdam van enkele eeuwen geleden. Verwijzingen maken dat je je helemaal in kunt leven. Bij een plaatje over de situatie bij de Blauwbrug voor 1662 krijg je bijvoorbeeld een referentie naar een afbeelding verderop, van een huis met het balkon waarop de kunstenaar gezeten moet hebben. Samen met het kaartmateriaal kun je je perfect voorstellen hoe de stad er uitzag. Elf afbeeldingen van markten, straten en hallen waar voedsel te koop was, zeggen bij elkaar meer dan elk van die plaatjes op zichzelf; ze geven je in vogelvlucht een beeld van het reilen en zeilen in de hele stad.

Tegenwoordig heerst in de Amsterdamse binnenstad een dorpse rust – op enkele winkelstraten na. Er wonen nog geen 80.000 mensen en economisch gebeurt er ook niet bar veel. Men stelle zich eens voor hoeveel levendiger het straatleven driehonderd jaar geleden was. Begin achttiende eeuw woonden er bijna drie keer zoveel mensen en de hele handel en nijverheid speelde zich ook nog eens af in dat gebied. En die dynamiek werd mogelijk doordat de stedelijke overheid, met 3000 mensen in dienst, uitstekende voorwaarden creëerde voor het economisch en maatschappelijk leven, en daarbij de esthetiek – veel stadsgroen! – niet vergat. Alleen het politie- en justitieel apparaat was erg klein; er was weinig misdaad. Kennelijk was de zelfbeheersing en maatschappelijke controle groot.

Beide boeken vormen een geheel. Met een thematische zesdeling in economie, politiek, sociaal leven, cultuur, religie en ruimtelijke ordening, hebben de redacteuren het behoorlijk overzichtelijk weten te houden. Alleen aan het eind volgt een afzonderlijk, puur chronologisch hoofdstuk over de Bataafs-Franse tijd (1795-1813). Thomas Poell levert daar een uitstekend verhaal, maar het zou toch slimmer zijn als het volgende deel niet in 1813 begint, maar enkele jaren eerder. Na anderhalve eeuw werd het stadhuis in 1806 opgewaardeerd tot koninklijk paleis en vier jaar later zelfs tot keizerlijk paleis, waar Napoleon nog twee weken gewoond heeft. Amsterdam was toen – na Parijs en Rome – de derde hoofdstad van Frankrijk, maar die grote naam gaf tevens aan dat het met de zelfstandige status als stadstaat of republiek binnen een republiek gedaan was. Voortaan was de stad onderdeel van een groter geheel.                                                

Van de twee redacteuren ondertekent Willem Frijhoff alleen de inleidingen mee. Maarten Prak echter neemt drie centrale hoofdstukken voor zijn rekening, twee keer overigens samen met respectievelijk Erika Kuijpers en Lidewij Hesselink. Heel effectief gebruikt hij de sociale geschiedenis als stofzuiger, of beter: bezem, om alle onderwerpen die elders blijven liggen – immigratie, onderwijs, gilden, schutterij, gezondheidszorg, criminaliteit, armenzorg en nog veel meer – mooi gespreid te behandelen. En de ontwikkeling die hij schetst – van een stad met veel nieuwelingen naar een stad van gevestigden, waar uiteindelijk de tegenstellingen groeien – is overtuigend.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.