• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 3/2002

    Curaçaose handelaren waren de `bolletjesslikkers’ van hun tijd

    De smokkelroutes van Curaçao naar Amsterdam zijn al eeuwenlang hetzelfde

    Door: Philip van de Poel

    Twee eeuwen na de hoogtijdagen van de Antilliaanse smokkelhandel in cacao bloeit de zwarte economie op Curaçao als nooit tevoren. Bolletjesslikkers vervoeren nu een ander genotmiddel van Latijns-Amerikaanse bodem naar Amsterdam. Maar de smokkelroutes zijn nog hetzelfde.

    Schipper `Zam Kendrek' moet een zeebonk zonder scrupules zijn geweest. In de Spaanse annalen waarin zijn verhaspelde naam opduikt, wordt Samuel Hendriks in elk geval afgeschilderd als een houwdegen die met harde hand zaken doet. Het is augustus 1751 als een Venezolaanse kustbewakingspatrouille aan de monding van de rivier de Tuy op een klein dozijn Hollandse barken stuit. De bemanning is juist verwikkeld in een grote transactie: kogels, kruit en wapens worden verruild voor cacao. De verraste Hollanders weten de patrouille te overmeesteren. Eenmaal aan boord van de Hollandse schepen, zo wil het relaas van soldaat Martín de Sansinea, laat `Kendrek' de douaniers afranselen. De slachtoffers worden overboord gezet met de verzekering dat ze bij een volgende ontmoeting zullen worden afgemaakt als `Baskische honden'.
            
    Burleske figuren als Hendriks passen in de populaire kijk op de Caraïbische geschiedenis, waar piraten en schatzoekers over elkaar heen tuimelen. Maar geromantiseerd of niet, het achttiende-eeuwse Curaçao telde talloze handelaren als Hendriks. De tolregisters van de haven van Willemstad laten zien dat maandelijks rond de veertig schepen de oversteek tussen Curaçao en Venezuela waagden. Willens en wetens negeerden zij hiermee de Spaanse Kroon, die haar El Dorado tot verboden gebied had verklaard voor vrij opererende handelaren uit vreemde naties.
            
    Niet gehinderd door Spanjes streven naar gesloten grenzen namen de Hollandse kooplui in Venezuela jaar na jaar huiden, hardhout, tabak en bovenal cacao in. Ze betaalden hun Venezolaanse partners met gebruiksgoederen, slaven en jenever. Vervolgens bezegelden ze hun transacties door afdracht van tolgelden in Willemstad, wat zoveel als een officieel stempel van goedkeuring betekende. Witgewassen en wel werden de producten overgeslagen voor verscheping naar de Republiek.
            
    Twee eeuwen na de hoogtijdagen van de Antilliaanse smokkelhandel bloeit de zwarte economie op Curaçao als nooit tevoren. Cacao mag dan vervangen zijn door een ander genotmiddel van Latijns-Amerikaanse bodem, de smokkelroutes zijn dezelfde gebleven. Nog steeds wordt de smokkelwaar vanaf de noordkust van Zuid-Amerika naar Curaçao verscheept, waarna hij naar Amsterdam wordt gebracht. Politici en bestuurders lijken verrast door de hardnekkigheid van het fenomeen. Als een Pavlov-reactie worden bij elk nieuw incident hardere maatregelen tegen de cocaïnesmokkel beloofd.
            

    Lorredraaiers

    Zo krampachtig als onze bestuurders de kurk op de fles proberen te krijgen, zo halfbakken was het optreden van hun voorgangers. Die dubbele houding werd ingegeven door welbegrepen eigenbelang. Na de Spaanse Successieoorlog (1701-1713) raakte de West-Indische Compagnie (WIC) aan het kwakkelen. De compagnie, die zowel de transatlantische handel als het bestuur van Curaçao in handen had, raakte haar rol als marktleider in de internationale slavenhandel kwijt. Compensatie werd gevonden in de regionale handel in het Caraïbisch gebied, ook wel aangeduid als `kleine vaart'. Dat er in de kleine vaart groot geld omging blijkt uit de omvang van de schuld die Venezolaanse cacaoplanters in 1729 op het eiland hadden uitstaan. Het Venezolaanse debet ter waarde van 400.000 euro bedroeg twee keer de totale waarde van de in dat jaar op Curaçao verhandelde goederen.
            
    De aanvoer van cacao werd door opeenvolgende Spaanse consuls in Amsterdam angstvallig in de gaten gehouden. Zij konden rapporteren dat in Amsterdam jaarlijks meer dan een miljoen liter cacao werd verhandeld, net zoveel als Spanjes legale export uit Venezuela. In 1734 waarschuwt de Nederlandse ambassadeur Van der Meer vanuit Spanje zijn superieuren voor het vertrek van een Spaans vlooteskader met bestemming Venezuela. De schepen gaan volgens Van der Meer `voor de kust van Caracas kruisen tegen de lorredraaiers, die men hier Hollandse galjoenen noemt'. Ergo: Curaçaose handelaren waren de `bolletjesslikkers' van hun tijd.
            
    De Hollandse reactie op Spaanse grieven was er een van geveinsde onwetendheid. De Heren X, het hoogste orgaan van de WIC, toonde zich zeer vernuftig in het bedenken van uitvluchten. Dat er in de Amsterdam driftig in cacao werd gehandeld, was volgens de Heren X te danken aan `de considerabele aankweek van die vrucht in onze koloniën'. Merkwaardig genoeg werd dezelfde cacao op de Amsterdamse beurs verhandeld als `Caracas-cacao'. De eerste beursnoteringen van `Surinaamse cacao' dateren uit 1746. Blijkbaar was de aanvoer van dit product lange tijd te gering voor een eigen beursnotering.
            
    Om juridische spitsvondigheden zaten de Heren X ook niet verlegen, leert de reactie op een Spaans uitleveringsverzoek. `Als de namen van de delinquenten ons niet bekend zijn, wie moeten wij dan over deze zaak aanspreken?' vraagt de WIC-top zich af. `Tegen wie kunnen wij procederen, zolang niet zeker is of de daders in Holland, Zeeland dan wel Curaçao thuishoren?'
            
    Die gespeelde onschuld staat echter haaks op de instructies die de Heren X regelmatig aan het gouvernement op Curaçao verstrekten. Zo krijgt directeur-generaal Van Beek in 1711 per geheime missive de opdracht `om de sluikhandel oogluikend te bevorderen'. Niet zelden mondden zulke instructies uit in smokkel op bestelling met de directeur-generaal in de rol van tussenpersoon. Als in november 1729 slavenschip De Groot Bentvelt de haven van Willemstad binnenloopt, spreekt directeur-generaal Du Faij in een brief aan de Heren X de verwachting uit dat de verkoop van de 672 slaven in Venezuela een groot succes zal worden. `Ik heb enige maanden geleden de hele Venezolaanse kust aangeschreven,' schrijft de ijverige Du Faij. `De inwoners hebben mij verzocht honderd stuks voor te bezorgen.'
            
    Smeermiddel in de smokkelhandel was de corruptie onder Venezolaanse bestuurders. In ruil voor een deel van de buit wilde menig functionaris wel een oogje dichtknijpen, constateerde de Spaanse onderzoeksrechter don Mateo de Osirio na een bezoek aan Puerto Cabello, Morón en Tucacas. `Bestuurders wier taak het is om te voorkomen dat vruchten aan deze provincie worden onttrokken, schromen niet hun ambt voor eigen doeleinden te misbruiken,' schrijft een onthutste De Osirio aan zijn superieuren. `Zij drijven zelf handel met de kooplui van Curaçao, hierbij hun ambtsplicht ernstig verzakend.'
     

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen