Home Calvinistische katholieken

Calvinistische katholieken

  • Gepubliceerd op: 26 november 2003
  • Laatste update 07 apr 2020
  • Auteur:
    Jan Dirk Snel

570 p. Prometheus, euro 30,00

In het Vaticaan schudt men het hoofd. Zo kan het niet langer in Nederland. De rechte leer wordt niet gehandhaafd. De bisschop moet maar eens op het matje worden geroepen.


Het beeld is vertrouwd. En hoe de verhoudingen tussen Rome en Nederland liggen, dat weten we natuurlijk wel: de Romeinse curie is conservatief en star, terwijl de Nederlandse katholieken progressief en open zijn. Maar we schrijven 1700. En toen wilden de zaken nog wel eens anders liggen. De Romeinse zorg betrof juist de strengheid van de bisschop Petrus Codde en zijn priesters. Genade is niet goedkoop, vonden die. Ze waren streng – te streng, dacht Rome – voor hun gelovigen.

Bij de biecht wilden priesters soms geen absolutie verlenen als ze niet overtuigd waren van de oprechtheid van de biechteling. En in de leer legden ze alle nadruk op de goddelijke genade en hadden ze geen hoge dunk van de natuurlijke vermogens van de mens. De leiders van de Nederlandse katholieken leken wel calvinisten, vonden de rechtzinnigen. De afloop is voorspelbaar: de rechtschapen Petrus Codde, die zo’n hoge opvatting had van zijn ambt, werd afgezet en vervangen door iemand met laksere opvattingen, die bij Rome beter in de smaak viel.

Gian Ackermans, docent kerkgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, ontleent de titel Herders en huurlingen aan Johannes 10, waar Jezus zichzelf de goede herder noemt en van de huurling zegt dat die geen hart heeft voor de schapen en er bij het minste of geringste gevaar vandoor gaat.

Het spreekt vanzelf dat de twee bisschoppen – of apostolisch vicarissen – en meer dan zevenhonderd priesters over wie zijn boek gaat, zichzelf allemaal als herders zagen, en hooguit tegenstanders in Rome voor huurlingen uitmaakten. En ze hadden nog recht van spreken ook, want uit Ackermans’ diepgaande onderzoek krijg je de indruk dat de gemiddelde priester zichzelf behoorlijk van zijn taak kweet. Juist omdat priesters in de Republiek half in het geniep moesten werken, was er veel aan gelegen dat hun gedrag onberispelijk was.

Het is dat Iván Toergénjev de titel in 1862 al geclaimd heeft, maar anders had Ackermans zijn studie mooi Vaders en zonen kunnen noemen. De nadruk zou dan, anders dan bij Toergénjev, juist gelegen hebben op de nagestreefde harmonie. Die is er ook bij Ackermans veel meer dan wordt gesuggereerd door het conflict waarop zijn verhaal uitloopt.

Het aardige van Ackermans’ boek is dat je het goed halverwege al uit hebt. Daarna volgt een lange bijlage waarin hij met onmetelijke ijver alle mogelijke gegevens over ruim zevenhonderd priesters bijeen heeft gebracht. Dat is het materiaal waarop Ackermans zijn collectieve biografie baseert: de geografische herkomst, de status, de opleiding en vorming, het gedrag en de loopbaan van de priesters. Aanvankelijk bestaat dit boek dus uit structurele beschrijving.

Maar dan gebeurt er iets: een groep verontruste tegenstanders klaagt in Rome de rigoristische bisschop aan. Het boek loopt zo uit op evenementiële geschiedenis. Ackermans benut zijn diepgravende kennis van de priesterkaste om het conflict reliëf te geven. En wat blijkt? Sociale afkomst speelde een zekere rol, maar het belangrijkste was toch de plaats van opleiding. Het strenge – en ook wat rijkere – kerkelijke establishment had zijn theologische scholing meestal in Leuven ontvangen. De bewakers van de wat minder strenge officiële leer hadden meestal in Rome en soms ook in Keulen gestudeerd. Zij voelden zich bij benoemingen ook achtergesteld door de Leuvense kliek.

Het merendeel van de priesters hield zich overigens buiten het conflict, concludeert Ackermans. Als zijn collectieve biografie alleen zou dienen om het conflict te begrijpen, zou hij dus veel overbodig werk verricht hebben. De waarde ligt dan ook vooral in de inkijk die geboden wordt in een belangrijk aspect van het religieuze leven in de zeventiende eeuw. Niet de roerige afloopt telt, maar de beschrijving van de alledaagse gang van zaken.

[PLAATJE toegestuurd: in boek over Utrechts bisdom.]

[Bijschrift} Vicaris Philippus Rovenius leidde tussen 1614 en 1651 de Hollandse zending.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.