Het debat begon netjes, met een handdruk. Op 18 oktober 1887 ontmoetten Denis Kearney en Wong Chin Foo elkaar in New York tijdens een openbare discussie over de positie van Chinezen in de Verenigde Staten. Er waren wetten aangenomen die de komst en mogelijkheden van Chinezen beperkten. Wong vond dat niet in overeenstemming met de afspraken van ‘onze voorvaderen’. ‘Jouw voorvaderen,’ smaalde Kearney, een populistische politicus op zijn retour. ‘Wat hebben jóúw voorvaderen er nou mee te maken?’ ‘Ik noem ze mijn voorvaderen omdat ze dat in politiek opzicht waren,’ hield Wong vol. Hij was geboren in China, woonde al veertien jaar in de VS en had zich laten naturaliseren. In zijn ogen was hij net zo goed een staatsburger als Kearney, die oorspronkelijk uit Ierland kwam.
De pers was op de hand van Wong. Journalisten omschreven Kearney als een proleet met een laag voorhoofd, een dikke nek en worstvingers. Wong daarentegen vonden ze het toppunt van elegantie: welsprekend, tenger en goed gekleed als een echte Amerikaan. Het gesprek ontspoorde toen Kearney verklaarde dat Chinezen ratten aten. Volgens Wong aten Ieren nog veel viezere dingen. En daarna ging het van kwaad tot erger. Kearney dreigde Wong zelfs uit het raam te gooien.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Beiden waren afkomstig uit groepen die weinig aanzien genoten. Protestantse Amerikanen keken neer op de katholieke Ieren, die tijdens een periode van hongersnood rond 1850 massaal hun land hadden verlaten. Het waren arme mensen, die niet in staat waren tot investeringen en geen speciale ambachten beheersten, zoals de Duitse immigranten, die daaraan een hogere status ontleenden. De Chinezen stonden helemaal onderaan op de sociale ladder, zelfs nog lager dan de Afro-Amerikanen, die na de afschaffing van de slavernij meer rechten hadden gekregen – al hadden nog lang niet alle blanken zich daarbij neergelegd. Wong mocht dit keer dan de morele winnaar van het debat zijn, in het dagelijks leven behoorde hij tot een groep die algemeen werd veracht.
