Geen vlees, wel knakworst. Geen groente, wel paprika. Alleen witbrood. Kip zonder botjes. Geen peper of kruiden. Uitsluitend paaseitjes van witte chocolade. Veel kinderen gedragen zich als diva’s die het aan hun stand verplicht zijn er kuren op na te houden. Toch was dat niet altijd zo, betoogt Helen Zoe Veit in haar boek Picky. Ze onderzoekt daarin het lastige eetgedrag van Amerikaanse kinderen. Veel van haar observaties gelden ongetwijfeld ook voor hun Nederlandse leeftijdgenoten.
Tot ver in de negentiende eeuw vertoonden kinderen zelden problematisch eetgedrag. Als ze aan tafel gingen, hadden ze stevige trek. Ze hadden vlak daarvoor volop beweging gehad omdat ze buiten speelden en hielpen in de huishouding of op het land. Bovendien kregen ze tussen de maaltijden door geen snacks. Ze verorberden dus wat ze kregen voorgezet. Als een kind een gerecht of een ingrediënt toch niet lustte, had het pech. Er was meestal geen alternatief of het was te ingewikkeld om iets anders te maken. De weigeraar moest wachten tot de volgende maaltijd – en was dan waarschijnlijk meegaander.

De veronderstelling dat kinderen vroeger vanwege armoede en honger alles aten klopt volgens Veit niet. Ook kinderen uit rijkere gezinnen gedroegen zich niet kieskeurig. Het was normaal dat ze vanaf hun peutertijd met hun ouders meeaten en dat ze dat ook lekker vonden. Dit blijkt ook uit de eerste kookboeken voor kinderen, die in de negentiende eeuw verschenen. Daarmee leerden ze zelf volwassen voedsel te bereiden.
Geen fruit
Rond 1900 gingen pedagogische hervormers en artsen pleiten voor ‘wetenschappelijk verantwoord ouderschap’. Ze meenden dat kinderen veel melk moesten drinken, liefst vier glazen per dag, en dat een volwassen dieet niet goed voor kinderen was. De hoge kindersterfte weten zij aan gevaarlijk eten. Dat was in een tijdperk zonder ijskasten begrijpelijk: kinderen kregen soms bedorven resten. Maar ook vers fruit gold bijvoorbeeld als ongezond. Wetenschappers meenden dat kinderen volgens een strak schema dienden te worden gevoed en eenvoudig, weinig prikkelend voedsel tot zich moesten nemen. Groenten het liefst zonder harde stukken en gekookt – sommige moeders kookten daarom zelfs sla. De overgang van een kindermenu naar reguliere maaltijden werd erdoor vergroot.

Maar het ging pas echt mis na de Tweede Wereldoorlog, door een duivels verbond van wetenschappers en marketeers. Zij bouwden voort op een experiment van kinderarts Clara Davis met achtergestelde kinderen in ziekenhuizen. Davis liet de kinderen bij iedere maaltijd kiezen uit tien schaaltjes met vlees, vis, groenten, granen en eieren. Ze mochten eten wat ze wilden en zoveel als ze wilden. Sommigen stelden een vreemd dieet samen, maar uiteindelijk kregen ze toch van alles binnen en waren ze gezond. Ze weigerden geen van allen te eten. Dat leidde in brede kring tot de conclusie dat kinderen – net als dieren – zelf wisten wat goed voor hen was. Hadden ze behoefte aan vitamine C, dan aten ze fruit. Hadden ze behoefte aan suiker, dan kozen ze iets zoets.
Daar kwamen de freudiaans geïnspireerde pedagogen bij. De bekendste van hen was de kinderarts Benjamin Spock, die het opvoedboek Baby and Child Care (1946) schreef waarvan wereldwijd tientallen miljoenen exemplaren zijn verkocht. Hij pleitte voor een ontspannen opvoeding, gebaseerd op instinct en gezond verstand. Over voeding moesten ouders niet moeilijk doen en hun kinderen maar zelf laten kiezen. Het achterliggende idee was dat kinderen door een te dwingende opvoeding getraumatiseerd konden raken. Vooral een dominante moeder kon enorme schade aanrichten. Door eten af te keuren toonden kinderen hun onafhankelijkheid, en die diende te worden gerespecteerd.
Deze wetenschappelijke inzichten werden met instemming ontvangen door de voedingsindustrie, die steeds meer kant-en-klare, ultra-bewerkte producten en snacks op de markt bracht. Die waren bij uitstek geschikt voor kinderen die hun eigen keuzes maakten, jubelden de reclames. Zo waren ontbijtgranen, limonade en koekjes in talloze smaken verkrijgbaar, voor ieder gezinslid was er wel iets. Een marketeer merkte tevreden op dat kinderen niet langer aten wat hun moeders kochten, maar hun nu opdroegen wat ze moesten kopen. Het tijdperk van personalized eating was aangebroken. Het leidde in de middenklasse tot een eetcultuur waarin kinderen zich kieskeurig konden gedragen en ouders dat accepteerden. Ze oefenden geen druk uit, want volgens de nieuwe moraal was een goede opvoeder in de eerste plaats aardig.
Figuurtjespasta
Dertig jaar later gaf Spock toe dat hij zich had vergist. Hij had verwacht dat de periode van culinaire opstandigheid bij peuters zou aanhouden tot ze een jaar of twee waren, en niet dat die zich tot in de pubertijd zou uitstrekken. Ook de populaire interpretatie van het onderzoek van Davis bleek onjuist. Zij had kinderen laten kiezen uit verschillende soorten gezond voedsel en dan maakte het niet zoveel uit. Maar in de vertaling ervan was het gaan betekenen dat kinderen zelf wel de juiste keuze maakten tussen spinazie en ijs.
Spocks excuses kwamen te laat. Kinderen waren inmiddels gewend aan tafel hun zin te krijgen en waren vervreemd geraakt van de uitgesproken smaak van ‘volwassen’ voedsel. De voedingsindustrie bleef daarop inspelen met producten speciaal voor de jeugd: met speelse verpakkingen en kinderlijk vormgegeven etenswaren, van figuurtjespasta tot kleurige gummibeertjes. Ook tv-reclames waren op kinderen gericht. In Nederland zijn voedingsadvertenties voor kinderen inmiddels verboden.
De volgende golf wetenschappers verklaarde dat de kieskeurigheid van kinderen biologisch zou zijn bepaald. Ze zouden lijden aan neofobie (angst voor het nieuwe) en daarom geen vreemd voedsel durven proberen. Maar dat staat op gespannen voet met het gegeven dat nog niet zo lang geleden kinderen zonder bezwaar alles aten.

Het ultra-bewerkte gemaksvoedsel heeft in combinatie met een toenemend gebrek aan beweging in ieder geval tot steeds meer zwaarlijvigheid geleid. Een eeuw geleden bestonden er nog vrijwel geen dikke kinderen. In de Verenigde Staten is inmiddels de helft van de kinderen te zwaar of obees. In Nederland was in 2024 bijna 15 procent van de 4- tot 12-jarigen te zwaar en 12,3 procent van de 12- tot 16-jarigen.
Op basis van haar onderzoek heeft Helen Zoe Veit advies voor ouders: blijf gezond voedsel keer op keer aanbieden en laat kinderen niet zelf beslissen wat ze eten. Ze krijgen tenslotte ook geen inspraak in het al dan niet dragen van autogordels of de wenselijkheid van tandenpoetsen. Volwassenen weten het soms echt beter.
Meer weten
- Picky. How American Children Became the Fussiest Eaters in History (2026) door Helen Zoe Veit.
- Baby and Child Care (vanaf 1946) door Dr. Benjamin Spock is een van de populairste opvoedboeken ooit.
- Perfect Motherhood (2006) door Rima Apple laat zien hoe wetenschappers zich steeds meer met de opvoeding zijn gaan bemoeien.
