Zonder de Tweede Wereldoorlog zou Bojarski waarschijnlijk een keurig leven in Polen hebben geleid, maar alles veranderde toen de jonge ingenieur als Poolse officier in 1940 in Hongaarse krijgsgevangenschap belandde. Hij ontsnapte en vluchtte naar Frankrijk, waar hij betrokken raakte bij het verzet. Hij dwong respect af met de vervalsing van documenten, maar na de oorlog zagen Fransen hem weer als een armoedige Pool. Uit frustratie – hij kreeg alleen slechtbetaalde baantjes – begon hij nu geld te vervalsen.
Bojarski was inmiddels getrouwd en vader. Maandenlang perfectioneerde hij zijn vervalsingen in een schuurtje in de tuin. De benodigde machines bouwde hij zelf. Zijn vrouw wist lange tijd van niets, want hij speldde haar op de mouw dat hij druk was met allerlei uitvindingen. Zijn vervalsingen waren van zo’n uitzonderlijk hoog niveau dat zelfs experts ze geregeld voor echt aanzagen. L’affaire Bojarski besteedt veel aandacht aan zijn zoektocht naar perfectie. Daarnaast toont de film hoe de recherche jarenlang op een verkeerd spoor zat. Die dacht dat de vervalsingen het werk waren van een bende.
Dat hij in 1964 toch werd opgepakt, dankte de recherche aan een sukkelige vriend van Bojarki’s zwager. Deze man gaf iets te enthousiast vervalst geld uit en noemde Bojarski’s naam na zijn arrestatie. Dat je het als kijker bijna jammer vindt als de meestervervalser wordt ingerekend, zegt veel over het beeld van hem: hij is geen gewelddadige topcrimineel, maar een onopvallende man, die doet waarin hij toevallig goed is.

