Eindelijk zou de verrader van Anne Frank gevonden zijn: de Joodse notaris Arnold van den Bergh. Een Nederlands-Amerikaans ‘Cold Case Team’ beweerde dat tenminste in 2022 en een Canadese bestsellerauteur schreef er een boek over. Maar deskundigen zagen onmiddellijk dat het bewijs flinterdun was. Er was alleen een anoniem briefje, rond 1957 aan Annes vader gestuurd, waarin de notaris als schuldige werd aangewezen. Wie schreef dat briefje?
Het blijft een vreemde ervaring om een persoon uit de moderne tijd te onderzoeken die je niet in de ogen kunt kijken. Het leven van Jan Willem Anton Schepers (1896–1978) beslaat driekwart van de vorige eeuw. Ambitieus, snakkend naar respect, had hij zich eindeloos in raden en besturen gedrongen. Toch lijkt hij geen portret, groepsfoto, arrestatieplaat of kiekje te hebben nagelaten.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
De gezichtsloze kandidaat-notaris Schepers zou allang vergeten zijn als zijn intriges hem niet hadden overleefd. Vierenveertig jaar na zijn dood werden zijn oude beschuldigingen als basis gebruikt voor een Amerikaans boek The Betrayal of Anne Frank door Rosemary Sullivan. Dat wees de Joodse notaris Arnold van den Bergh aan als verrader van de familie Frank en karakteriseerde hem als een slinkse opportunist, die contacten onderhield met hoge nazi’s. Er kwamen edities in verschillende talen en het boek werd wereldwijd serieus genomen.
Boek uit de handel
Begin 2022 werd met een groots mediaoffensief het controversiële boek The Betrayal of Anne Frank gelanceerd, gebaseerd op onderzoek van een Cold Case Team. Schrijver Rosemary Sullivan en het team stelden dat Anne Frank was verraden door notaris Arnold van den Bergh. Vijf historici weerlegden dit in een ‘Refutatie’ en noemden de conclusie een kaartenhuis. In Nederland werd het boek uit de handel gehaald; internationaal kreeg de kritiek minder aandacht. De gemeente Amsterdam, die een ton bijdroeg aan het onderzoek, kondigde eind vorig jaar aan haar betrokkenheid te compenseren door een biografie over Van den Bergh te financieren.
In The Betrayal of Anne Frank wordt Schepers niet als bron opgevoerd: een geesteszieke NSB’er is niet zo’n fraaie kroongetuige. Maar allerlei beweringen van het Cold Case Team over de notaris kwamen wel rechtstreeks uit Schepers’ strafdossier in de archieven van de Bijzondere Rechtspleging. Schepers had brieven geschreven waarin hij Van den Bergh negatief afschilderde. Er zijn geen andere bronnen of bewijzen voor wat Sullivan over de notaris beweert.
Schepers zat na de oorlog tot eind 1948 gevangen omdat hij Van den Bergh volgens het tribunaal had uitgeleverd aan de vijand. Hij had in 1943 de praktijk van de Joodse notaris willen overnemen, toen er een kink in de kabel kwam. Het was Van den Bergh gelukt zichzelf te laten ‘ontjoodsen’ middels een Calmeyer-procedure. Dat nam Schepers niet. Dus had hij naar al zijn Duitse contacten, en naar rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart zelf, brieven gestuurd die waren voorzien van zijn eigen genealogische speurwerk. Daardoor had Van den Bergh moeten onderduiken.
Uiteraard kwam deze actie Schepers na de oorlog duur te staan. In plaats van de schuld voor zijn gevangenschap bij zichzelf te zoeken, en de spijt te betuigen die zijn straf had bekort, rekende hij dit Van den Bergh aan: het was een ‘Jodenstreek’. En hij ging dus tijdens en zelfs na zijn gevangenschap door met het rondsturen van beschuldigende brieven over Van den Bergh.
Sommige aantijgingen bleven plakken. Zo was hij de enige bron van het hardnekkige, maar nooit bewezen naoorlogse gerucht dat de notaris twee ton commissie aan de verkoop van de Joodse kunsthandel Goudstikker zou hebben overgehouden. Schepers gaf in een verhoor trouwens grif toe op zijn onderbuik af te gaan: ‘Ik voelde ogenblikkelijk dat Van den Bergh veel geld aan Kalmeyer [sic] had betaald!’
Vreemde afkorting
Het was dan ook hoogstwaarschijnlijk Schepers die rond 1957 het anonieme briefje aan Otto Frank stuurde, waarin notaris Van den Bergh werd beschuldigd van het verraad van de onderduikers in het Achterhuis. Het origineel is nooit teruggevonden, alleen een door Otto Frank getypte kopie. De tekst van het briefje was: ‘Uw schuilplaats te Amsterdam werd indertijd medegedeeld aan de Jüdische Auswanderung te Amsterdam, Euterpestraat, door A. van den Bergh, destijds wonende bij het Vondelpark, O. Nassaulaan. Bij de J.A. lag een hele lijst van door hem opgegeven adressen’.
Van den Bergh was in 1950 overleden. Wie zou zeven jaar later nog zoveel onverwerkte gramschap jegens de dode man hebben? In de ‘Refutatie’, de kritische analyse van het Cold Case-onderzoek door vijf historici, merkte Bart van der Boom, zonder verder te speculeren over de auteur van het briefje, al op dat in het briefje de benaming van de Duitse instelling ‘Zentralstelle fur Jüdische Auswanderung’ nogal apart was afgekort. Niet als het gebruikelijk ‘Zentralstelle’, maar als ‘de Jüdische Auswanderung’. En precies deze zeldzame afwijking vinden we in de brieven van Schepers terug. ‘Ja, ik heb een brief geschreven aan de Jüd. Ausw.’, werd in verhoor genoteerd, en in een brief aan zijn advocaat komt zelfs ‘de J.A.’ voorbij.
In het briefje ontbreekt de titel ‘notaris’, terwijl titulatuur – zeker in die tijd – bij een briefje in ambtelijke rapportstijl wel te verwachten was. Nu was Van den Bergh ten tijde van de arrestatie van de twee gezinnen in het Achterhuis formeel inderdaad even geen notaris. Omdat Schepers van de pro-Duitse secretaris-generaal Jaap Schrieke de notarisplaats, het ‘protocol’, van Van den Bergh toebedeeld had gekregen. Blijkbaar hechtte de ‘onbekende auteur’ van het briefje aan deze toch wel zeer specifieke feitelijkheid.
Joodse status herzien
Mensen die als Joods waren geregistreerd, konden via de Calmeyer-procedure hun status laten herzien. Afgaand op bewijzen van een niet-Joodse afkomst beoordeelde een commissie onder leiding van jurist Hans Calmeyer de dossiers. Zo’n twee derde van de aanvragers werd administratief als ‘niet-Joods’ geclassificeerd. Calmeyer was niet omkoopbaar. Notaris van den Bergh wist een Calmeyer-status te bewerkstelligen, hoewel hij eerder nog lid van de Joodse Raad was geweest. Van den Berghs Calmeyer-status, waarmee hij ook zijn notariskantoor trachtte te behoeden voor overname door Schepers, werd door diens toedoen teruggedraaid.
Schepers’ loopbaan voor de oorlog was bepaald geen geëffend pad geweest. De langste tijd werkte hij bij de Belastingdienst. Daar werd hij vanwege zijn overijverige gedrag weggepromoveerd van Goor naar Hoorn. In Hoorn weet hij de conflicten die hij kreeg met collega’s en meerderen aan ‘roddel en achterklap uit Goor’, en niet aan zijn zelote inzet. Na vier jaar kreeg hij een inzinking. De zenuwarts diagnosticeerde paranoïde neigingen en aan psychopathie grenzende grootheidswaan. De gerechtspsychiater beschreef dat later als ‘eufore zelfoverschatting’.
Na zijn ontslag en herstel voerde Schepers een succesvolle procedure om het Rijk te dwingen hem weer in dienst te nemen. Ondertussen deed hij tegen de buitenwereld alsof hij vrijwillig was opgestapt bij de belastingdienst om ‘een notarisschool’ op te richten, een grotendeels fictieve onderneming. Hij was toen al meer dan twintig jaar kandidaat-notaris zonder te zijn benoemd.
Bijzonder is dat hij in 1933, toen nog lid van de Vrije Humanisten, in een lezing het antisemitisme ferm had aangeklaagd: ‘De Nederlandsche Jood is een volwaardige rechtspersoon!’ Acht jaar later was hij NSB-lid.
Begin 1941 werd Schepers bij het Rijksbureau voor Huiden en Leder op de Keizersgracht 277 te Amsterdam geplaatst, waar hij chef juridische zaken werd. Het was er, zoals bij zoveel Nederlandse instellingen, een voortdurend balanceren tussen accommodatie en collaboratie. Het bureau had er bijvoorbeeld belang bij om mee te werken aan de opsporing van weggemoffelde of onderhands verkochte partijen leder en lederwaren, ook van Joden. Omdat die, als ze later alsnog werden aangetroffen, zeker linea recta naar Duitsland gingen. Maar het was niet de bedoeling dat de Rijksbureaus een verlengstuk werden van een opsporingsapparaat van personen. Zo’n precaire balans aanhouden was niet Schepers’ sterkste punt.
Hoewel vanuit Den Haag over zijn kundigheid hoog was opgegeven, werd hij door zijn chef te nerveus en door zijn collega’s te zonderling bevonden. In november 1942 werd hij na anderhalf jaar ontslagen, met behoud van drie maanden loon. Zijn vrouw vertelde hij dat eerst niet; tijdens kantooruren dwaalde hij wat langs de grachten. Waar hij vanaf februari 1943 tot het einde van de oorlog van leefde, is de vraag. En die vraag is een rode vlag. Schepers was dus werkeloos, maar eerzuchtig – een gevaarlijke combinatie, zeker in oorlogstijd. Vanuit het Rijksbureau had hij actuele kennis opgedaan over allerlei bedrijven en personen. Maar hij had ook zijn weg gevonden in allerlei lagen van het Duitse bestuur.
Verklikkers
Losse agendablaadjes, bij zijn arrestatie ingenomen, tonen dat hij in die korte tijd bij het Rijksbureau een behoorlijk netwerk had opgebouwd binnen het Duitse opsporingsapparaat, met kamer-, telefoon- en toestelnummers. De vermelding van Klaus Barbie (als ‘Barby’) moet uit 1941 stammen, toen de latere ‘Beul van Lyon’ aan de Gestapo in Amsterdam was toegevoegd. Schepers noteerde ‘prettig’ achter de naam van Willi Lages, hoofd van de Zentralstelle. Dan waren er de beruchte Gertrud Slottke – die bij het IVB4 Referat in Den Haag de zeggenschap had over Rückhaltungen van Joden in ruil voor partijen waardevolle goederen – en de bazen bij de roofbank Lippmann & Rosenthal (LiRo).
Dat deze personen als werkcontacten op een lijst stonden van de juridische chef van een Rijksbureau is nog voorstelbaar. En een dergelijke contactenlijst kon ook aan iemand toebehoren die al die autoriteiten juist bestookte om mensen en goederen teredden. Schepers verklaarde met volharding dat het tweede het geval was. Maar wat hij dan met de SS’ers Hans Blumenthal en Otto Blohm in zijn adressenlijstje moest, valt niet vanuit werk of hulpvaardigheid te verklaren. Blumenthal hield zich bezig met de directe opsporing van Joden en verzetsmensen en verzorgde met Blohm de werving en ballotage van verklikkers, zogeheten ‘V-mannen’.
Na zijn arrestatie in juni 1945 somde Schepers mensen op die volgens hem konden getuigen dat hij hun tijdens de gehele oorlog als goede vaderlander had bijgestaan. Maar die waren vaak onvindbaar en anders afwijzend. Of, in een verontrustend aantal gevallen, dood.
Zo beweerde hij bijvoorbeeld dat hij zijn collega-belastinginspecteur, accountant Abraham Sarphatie, ‘uit een werkkamp gehouden had’ door hem ‘aan te houden als secretaris’ van zijn zogenaamde ‘notarisschool’. Maar Sarphatie werd voor deportatie behoed door zijn gemengde huwelijk en toen nog geldende vrijstelling als ‘Portugees’. Toch werd hij een keer bijna gearresteerd, in de zomer van 1943. Daarbij was hij geïntimideerd en gechanteerd, en was hem 1500 gulden afhandig gemaakt door SD’er Gezinus Gringhuis, dezelfde die iets meer dan een jaar later de familie Frank mede zou arresteren. Volgens SD’er Jan Oudshoorn was de aanleiding voor hun bezoek een tip dat ‘de Jood Sarphatie’ het beroepsverbod overtrad.
Omkeringen
Soms loog Schepers gewoon voluit. Hij beweerde bijvoorbeeld dat hij zijn onderbuurjongen Hans van Es, zoon van zijn in Bergen-Belsen omgekomen Joodse huisbaas, in huis had gehad en beschermd. Nu Schepers onterecht gevangen zat, zou die ondankbare Van Es zijn huis willen laten ontruimen om de woning voor zijn zusje op te eisen. Ook verklaarde hij de ouders wekelijks op hun onderduikadres met levensmiddelen te hebben bezocht.
Maar Paula van Es-Bermann, de omgekomen moeder van Hans, had een dagboek bijgehouden. Dat is in 2018 uitgegeven als Deze ontspoorde wereld. Tijdens hun rampzalig geëindigde onderduik in de provincie Utrecht kwam er zeker geen Schepers langs. Zoon Hans verbleef al die tijd bij een studievriend. Schepers wordt slechts één keer zijdelings genoemd, via zijn herkenbaar beschreven vrouw, die geregeld broodbonnen bij de familie Van Es door de bus gooide. Dat kwam goed van pas, schreef Paula in februari 1941, maar riep ook ongemak op. De eenzaam aandoende vrouw zocht duidelijk contact, maar de familie Van Es vertrouwde haar man niet. Soms kwamen daar namelijk geüniformeerde Duitsers over de vloer.
Zowel de psychiater als de tribunaalrechter signaleerde een interessante, terugkerende neiging bij Schepers die te denken geeft: omkering. In situaties die hij niet aankon, deed hij het omgekeerde van wat hij later beweerde of beschuldigde hij anderen van wat hijzelf deed. Hij móést bijvoorbeeld wel naar de SD en de SS gaan, zo had hij zichzelf verteld, om notaris Van den Bergh ‘voor te zijn’, want die zou daar ‘kind aan huis zijn’. En hij was het zelf die ‘hele lijsten’ van van alles bijhield.
Zijn lange lijst van ‘potentiële getuigen’ die zouden kunnen bevestigen welke hulp hij tijdens de bezetting aan landgenoten had verstrekt, kon onmogelijk uit zijn dikke duim komen. Vaak kwam hij met details die hij niet uit een krant of luchtplaatsgeprekken had kunnen weten. De mildste uitleg van al zijn beweringen is dat hij met zijn ongerijmde bemoeienissen mensen van de regen in de drup had geholpen en dit niet besefte of verdrong. De meest duistere is dat hij hen ijskoud had verraden. Wellicht ging hij ervan uit dat er toch niemand meer zou kunnen getuigen.
De SS’er Blohm, de informantenbegeleider die ook in Schepers’ adreslijstje stond, betaalde in de tijd van de kwestie-Sarphatie tipgeld uit aan een V-persoon die een drietal andere belastingconsulenten verraadde. Dat blijkt uit ‘kopgeldbriefjes’, die door het Cold Case Team gevonden zijn in de National Archives in Washington. De kopgeldbriefjes zijn inmiddels opgenomen in de collectie van het Amsterdamse Stadsarchief. Een spijkerharde koppeling tussen deze V-man en Schepers en allerlei opmerkelijk eenduidig verraad in zijn omgeving is niet te maken. Daarvoor ontbreekt de documentatie.
Ervan uitgaande dat Schepers twaalf jaar na de oorlog het anonieme briefje aan Otto Frank schreef, zijn de mogelijke implicaties huiveringwekkend, gezien zijn neiging tot omkeren van schuld. Maar het is niet waarschijnlijk dat Schepers zelf van de onderduikers in het Achterhuis wist en ze kon verraden. In 1957 stond Anne al symbool voor de Jodenvervolging in het algemeen. Wellicht heeft dit zowel op de verbeelding als het schuldgevoel van het curieuze geval Schepers gewerkt.
Meer weten:
- Deze ontspoorde wereld (2018) door Paula Bermann is het oorlogsdagboek van de moeder van Hans van Es.
- Kille Mist (2016) door Raymund Schütz gaat over accommodatie en collaboratie door notarissen.
- Willi Lages (2023) door Sytze van der Zee schetst het leven van de beruchte SD-chef in Amsterdam.
