Wat was het geheim van hoogbejaarden, zo vroegen vroegmoderne mensen zich af. Beschikten die over de Steen der Wijzen of hadden ze gedronken uit de Fontein van de Eeuwige Jeugd? En mocht dat eigenlijk wel?
In 1601 stierf Zeger van Male op 97-jarige leeftijd in Brugge. Tijdens zijn lange leven, dat vrijwel de gehele zestiende eeuw omspande, was hij achtereenvolgens wever, textielhandelaar, en bestuurder van verschillende Brugse scholen. Ook was hij kerkmeester, lid van het kruisboogschuttersgilde, gemeenteraadslid, schepen en geschiedschrijver – waardoor hij nog steeds bekend is. Van Male kreeg maar liefst zestien kinderen en toen zijn jongste twee zonen werden geboren, was hij al ruim zestig.
De indruk bestaat dat mensen vroeger niet oud werden, maar Zeger van Male laat zien dat dit niet klopt. Voor 1800 lag de gemiddelde levensverwachting inderdaad laag: tussen de dertig en veertig jaar. Toch zegt dat cijfer vooral iets over de hoge kindersterfte. Ook in het gezin van Van Male was de dood nooit ver weg: vijf van zijn kinderen stierven jong. Maar wie de eerste kwetsbare jaren overleefde, kon vaak rekenen op een veel langer leven. Vanaf vijf jaar steeg de gemiddelde levensverwachting tot ongeveer zestig jaar – althans, voor mannen. Veel vrouwen stierven al eerder, in het kraambed. Natuurlijk maakten ook oorlog, geweld en het ontbreken van effectieve medische zorg vaak vroegtijdig een einde aan een mensenleven. Toch waren gezonde, hoogbejaarde mensen geen uitzondering. Ze werden zeventig of tachtig, of zelfs nog ouder – niet heel anders dan vandaag.

Oude mensen spraken enorm tot de verbeelding van tijdgenoten. In kronieken, pamfletten, kranten en prenten staan wonderlijke verhalen van mensen die onnatuurlijk lange levens leidden. Zo schreef de zeventiende-eeuwse Mechelse kroniekschrijver Dominicus Vrindts over een zekere Dierick Jansoen uit Haarlem, die maar liefst 111 jaar oud zou zijn geweest toen hij voor het eerst trouwde. De pastoor die het huwelijk voltrok had zo zijn twijfels – ‘Dierick ghij sijt seker te oudt‘ –, maar de bruidegom wilde er niets van weten. Volgens Vrindts zou het paar nog twintig jaar gelukkig geweest zijn samen, en kregen ze bovendien nog een dochter. Het levensverhaal van Dierick zou op zijn grafzerk in het Haarlemse predikherenklooster staan geschreven, waar Vrindts het naar eigen zeggen gelezen had.
In een achttiende-eeuws pamflet met een namenlijst van ‘eenige hondert personen, van allerley rang, die over hondert jaren geleeft hebben‘ stond het verhaal van Jan Ottele uit Luik. Ottele zou in 1542 geboren zijn en in 1659 (op 117-jarige leeftijd dus) een bezoek hebben gebracht aan Amsterdam. Volgens een kroniekschrijver waren zijn geheugen en verstand nog goed, sprak hij vier talen, hoorde en zag hij nog scherp, en had hij een ‘mont vol nieuwe tanden‘.
De 117-jarige Jan Ottele had een ‘mont vol nieuwe tanden’
In Amsterdam was in de achttiende eeuw ook de 100-jarige Portugees-Joodse koopman Cavallero actief. In een pamfletje waarin hij zijn koopwaar aanprijst, benadrukt Cavallero hoe hij met zijn ‘oude stramme lyf‘ nog altijd op de beurs te vinden was. In Haarlem blies de zeeman Willem Opperdoes in 1774 honderd kaarsjes uit; volgens het prentje ter ere van zijn verjaardag had hij de ontploffing van zijn eigen schip in 1704 overleefd en leefde hij nog steeds ‘in Welstand’. En in 1834 verscheen er een prentje van Nicolaas Smits, die in dat jaar 100 jaar was geworden.

Gematigde levensstijl
Zulke bizarre verhalen over extreem oude mensen in goede gezondheid waren niet alleen interessante curiosa, maar bevatten vaak ook verkapte gezondheidsadviezen. Vaak vertelden deze verhalen waaróm deze mensen zo vitaal oud waren geworden. In het pamflet met het verhaal van Jan Ottele kwam bijvoorbeeld ook een zekere Adriana uit Zutphen voor, die in 1624 op 108-jarige leeftijd in haar woonplaats begraven zou zijn. Volgens het pamflet had zij ‘in haar leven noch overvloed gehad, noch gebrek geleden’. Dat vat het vroegmoderne gezondheidsideaal perfect samen: een uitgebalanceerde, gematigde levensstijl was de sleutel tot een lang en gezond leven.
Vroegmoderne mensen hadden wat vandaag de dag een ‘holistisch beeld’ van gezondheid heet. Er was veel aandacht voor contextuele factoren die de gezondheid beïnvloedden en hoe deze tot elkaar in verhouding stonden. Van grote invloed op het denken over gezondheid was de Grieks-Romeinse arts Claudius Galenus uit de tweede eeuw, die ook de grondlegger was van de humorenleer. Zijn ideeën werden vanaf de twaalfde eeuw weer gangbaar in Europa (in de Arabische geneeskunde waren ze nooit weggeweest). Volgens Galenus waren de zes non-naturalia – invloeden buiten het menselijk lichaam zelf – bepalend voor iemands welzijn. Zolang deze elementen in balans waren, bleef je gezond.
De humorenleer
Volgens de humorenleer, die vanaf de Middeleeuwen tot ongeveer 1800 bepalend was in het medische denken, moest er in het lichaam een balans zijn tussen de elementen (lucht, aarde, water en vuur), de humeuren of lichaamsvloeistoffen (bloed, flegma, gele gal en zwarte gal) en de temperamenten (vochtig, droog, heet en koud). De juiste balans tussen al deze factoren verschilde per persoon: zo waren oude mensen van nature ‘droger’ dan jonge mensen. Medische ingrepen waren er vooral op gericht om deze elementen weer terug in balans te brengen. Dat was het doel van aderlating, die vaak werd toegepast.


Ten eerste was de leefomgeving van belang, zoals luchtkwaliteit, schoon water, klimaat en weersomstandigheden. De tweede pijler was een uitgebalanceerd dieet. Je moest de juiste voedingstoffen binnenkrijgen, maar ook weer niet te veel eten. Vroegmoderne mensen waren zich bewust van het belang van lichaamsbeweging. Daarbij gold eveneens de noodzaak van matigheid. De derde pijler was dan ook de juiste verhouding tussen actief zijn en rust nemen.
Ten vierde moest het slaap-waakritme in balans zijn. Aangeraden werd om vroeg naar bed te gaan en vroeg op te staan. De vijfde pijler stoelde op de juiste verhouding tussen vloeistoffen die het lichaam binnenhield (zoals bloed en spuug) en die het lichaam uitscheidde (zoals plas, poep en zweet). Een goede spijsvertering en stoelgang golden als essentieel voor de gezondheid. De zesde pijler bestond uit aandacht voor de emotionele balans: heftige emoties en passies konden het lichaam uit evenwicht brengen en ziek maken.
Deze principes komen terug in medische adviezen uit die tijd. Zo was volgens de achttiende-eeuwse Jan van Wijck in zijn Proeve der redelyke heelkonst uit 1775 de belangrijkste remedie tegen gezwellen ‘het voorschryven van eene gepaste manier van leven’. En een zeventiende-eeuws Medeceinboek in de collectie van het Zeeuws Archief bevat volop recepten voor kruidenmengsels tegen ouderdomskwaaltjes, van hoofdpijn
tot slapeloosheid en indigestie. Om bijvoorbeeld een ‘goeden appetijt te hebben ende de spijse wel te verteijren‘ werd aangeraden om een kruidenmengsel te maken van anijszaad, venkelzaad, koriander, foelie en kaneel (met daarbij ‘so veel suicker alst u belieft‘). De patiënt diende een hoeveelheid ter grootte van een halve noot in te nemen, zowel ’s middags als ’s avonds na de maaltijd.
Geheim recept
Wie ondanks deze adviezen toch de vergankelijkheid voelde naderen, kon altijd nog zijn toevlucht zoeken tot de alchemie. Terwijl tegenwoordig dubieuze supplementen en behandelingen verkocht worden als wondermiddelen voor een ongewoon lang leven, zochten mensen vroeger naar de Steen der Wijzen of het Levenselixer. Die beloofden hun gebruikers niet alleen hoge ouderdom, maar zelfs onsterfelijkheid.

Vroegmoderne mensen waren gefascineerd door verhalen over alchemisten die het geheim van het eeuwige leven ontdekt zouden hebben. De bekendste is de veertiende-eeuwse Nicolaas Flamel. Deze Parijzenaar, die van bescheiden afkomst was, had in korte tijd een fortuin vergaard. Waarschijnlijk begonnen er daardoor verhalen te circuleren dat hij de Steen der Wijzen in bezit had, waarmee je goud kon maken. Schaafsel van deze steen was ook nodig om het Levenselixer te brouwen, een mysterieus drankje dat alle ziektes kon genezen en de drinker het eeuwige leven garandeerde. Het precieze recept voor dit onsterfelijkheidsdrankje is onduidelijk; eeuwenlang experimenteerden alchemisten met de juiste verhoudingen van ingrediënten.

Vooral na de dood van Flamel namen zijn alchemistische kwaliteiten legendarische proporties aan. In de zestiende en zeventiende eeuw verschenen er talloze traktaten, zogenaamd van zijn hand, waarin hij zijn geheimen met de wereld deelde. Het recept voor het eeuwige leven zou Flamel op cryptische wijze verstopt hebben in de versieringen van de arcades van de Parijse Begraafplaats van de Onschuldige Kinderen. Daarop had hij inscripties laten aanbrengen rond een figuur die de Dood voorstelde.
In de achttiende eeuw zette de graaf van Saint-Germain de aristocratische wereld van Europa op z’n kop met zijn alchemistische geheimen. Ook Saint-Germain, kind aan huis bij de belangrijkste Europese vorstenhoven, zou beschikken over de kennis om gewoon metaal in edelmetaal om te zetten. Bovendien beweerde de graaf het geheim voor eeuwig leven te hebben ontdekt: hij was naar eigen zeggen 4000 jaar oud.
De graaf van Saint-Germain was naar eigen zeggen 4000 jaar oud
Ook in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was Saint-Germain geen onbekende. In de jaren 1760 was hij regelmatig te vinden in Den Haag en Amsterdam, waar hij het middelpunt vormde van politieke intriges.
Ongeloofwaardig
Daarnaast was vroegmodern Europa in de ban van de Fontein van de Eeuwige Jeugd. Als je een bad nam in deze mythische bron of ervan dronk, zouden al je ziektes genezen en je jeugd herstellen. Al in de Oudheid en Middeleeuwen refereerden geschriften aan deze mythische bron, maar vooral in de zestiende en zeventiende eeuw won de legende aan populariteit in Europa. Dat had alles te maken met de tochten naar andere continenten – met name de Amerika’s – die vanaf deze periode op touw werden gezet. De fontein zou namelijk te vinden zijn in het legendarische land van Bimini, ergens ten noordwesten van de Bahama’s. De verslagen van zulke reizen waren ook populair in de Republiek, waarvandaan ook veel tochten naar de ‘Nieuwe Wereld’ werden georganiseerd.
De Spaanse conquistador Juan Ponce de Léon zou begin zestiende eeuw zelfs speciaal naar de Amerika’s zijn gestuurd om de fontein te vinden. Die tocht leidde uiteindelijk naar Puerto Rico en Florida, waar hij weliswaar geen fontein ontdekte, maar wel namens de Spaanse kroon met geweld koloniën probeerde te stichten. Hoewel de opdracht van Ponce de Léon waarschijnlijk berustte op een mythe, raakte de hunkering van de Europeanen om eeuwig jong te zijn zo ook verbonden met koloniale uitbuiting en onderdrukking.

Toch keken veel tijdgenoten sceptisch naar beweringen over magische fonteinen en levenselixers. Niet alleen klonken ze wel erg ongeloofwaardig, ook sloten de ideeën over onsterfelijkheid niet aan bij de heersende religieuze opvattingen van die tijd. Het leven hier op aarde was immers een gift van God. Als mens moest je daar niet mee rommelen: zo was het een zonde om een mensenleven vroegtijdig te beëindigen, maar ook om een oneindig leven na te streven. In het vroegmoderne wereldbeeld was het leven ná de dood bovendien veel belangrijker dan het aardse bestaan. Beter dan de dood te willen ontlopen, was het om goed te leven zolang het mocht duren.
Een nieuwe kijk op gezondheid
Vanaf ongeveer 1800 veranderden de opvattingen over gezond zijn en blijven. De opkomst van ziekenhuizen, technologische ontwikkelingen, de ontdekking van effectieve medicatie en pijnstilling zorgden voor een revolutie in de medische zorg. Deze transitie had grote gevolgen voor de gemiddelde leeftijd. De levensverwachting bleef eeuwenlang gelijk, maar vanaf 1800 was sprake van een stijgende lijn. Tegelijkertijd kwam de nadruk in de gezondheidszorg steeds meer te liggen op de behandeling van ziektes en de bestrijding van de symptomen. De patiënt zelf en een eventueel ziekmakende context verdwenen meer naar de achtergrond.
Meer weten:
- Gelukkig Gezond! Histories of Healthy Ageing (2017) door Rina Knoeff (red.) is een catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling.
- Histories of Health ca. 1750-1950 (2025) door Paul Puschmann e.a. (red.) over de verandering in gezondheid.
- Memory Wars in the Low Countries, 1566-1700 (2015) door Jasper van der Steen over herinneringen tijdens de Opstand.
- Kronieken.transkribus.eu bevat de vermelde kronieken.
