Home Vuurwapenbezit aan banden gelegd

Vuurwapenbezit aan banden gelegd

  • Gepubliceerd op: 14 november 2019
  • Laatste update 13 okt 2022
  • Auteur:
    Johri Maat
  • 11 minuten leestijd
Vuurwapenbezit aan banden gelegd

Door een maas in de wet was vuurwapenbezit in Nederland eind negentiende eeuw vrij. Maar toen de angst voor een communistische omwenteling opspeelde, greep minister van Justitie Theo Heemskerk in. Zijn Vuurwapenwet legde burgers vanaf 1919 strengere beperkingen op.

Toen in 1813 de Fransen waren verslagen en Nederland weer zelfstandig werd, bleef de Franse strafwet – de Code Pénal – nog lang van kracht. Dat gold ook voor de verboden op het vervaardigen, verhandelen, bezitten en dragen van wapens door particulieren.

Pas in 1886 werd het eerste Nederlandse Wetboek van Strafrecht ingevoerd. Hierin bleven de Franse verbodsbepalingen voor wapens gehandhaafd, maar werden de strafbepalingen niet goed geregeld. Dat leidde tot een bijzondere situatie: een verbod zonder handhavingsmogelijkheden. Alleen misbruik van wapens, zoals ermee dreigen, verwonden en doden, was strafbaar. Het parlement discussieerde over de vraag of de tekortkoming moest worden hersteld met een regeling in het Wetboek van Strafrecht of dat gemeenten het probleem via de plaatselijke politieverordening zelf konden oplossen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,- Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Ook waren er Kamerleden die vonden dat particulier wapenbezit helemaal niet hoefde te worden gereguleerd. Zij meenden dat zo’n wet inbreuk maakte op de vrijheid van het individu en zelfverdediging belemmerde. Bovendien zouden kwaadwillenden zich toch niet aan een totaalverbod op het bezit van wapens houden – een redenering die in hedendaagse discussies over legaal particulier vuurwapenbezit wereldwijd nog regelmatig wordt aangehaald.

‘Socialistenwet’

Omdat het dragen van wapens door particulieren onder bepaalde omstandigheden – zoals bij socialistische manifestaties – als een groot risico werd gezien, kwam de regering met de Wapenwet 1890. Ferdinand Domela Nieuwenhuis, Kamerlid van de Sociaal-Democratische Bond, stelde tijdens de behandeling van deze wet dat dit in feite een gelegenheidswet was, ‘een socialistenwet’. Minister van Justitie Charles Ruijs de Beerenbrouck had immers zelf aangegeven dat hij de wet ‘in de tegenwoordige tijdsomstandigheden nodig’ achtte. Dat liet de minister zich niet zeggen en hij refereerde dan ook aan een zeer vroege voorloper van de wet. Al in 1453 had Filips de Goede de burgers van Gent laten ontwapenen na het neerslaan van de Gentse Opstand. In 1459 volgde een uitgebreide ordonnantie die lang van kracht bleef in delen van de Nederlanden.

Het verbod in de Wapenwet 1890 had slechts betrekking op het dragen van wapens – zowel vuurwapens als steek- en slagwapens – in het openbaar of ‘op enige voor het publiek toegankelijke plaats’. Er waren ook uitzonderingen mogelijk. Bijvoorbeeld voor leden van erkende schietverenigingen en voor jagers, bij optochten en voor zelfverdediging. Verder bleef het toegestaan een ingepakt wapen dat niet voor onmiddellijk gebruik gereed was te vervoeren. Later werd daarom weleens ironisch beweerd dat revolutionairen die zich verzamelden voor ‘den grooten Kladderadatsch’ – een totale revolutie – het advies kregen hun wapens tijdens het vervoer in te pakken.

 

Sommige Kamerleden vinden dat burgers recht hebben op zelfverdediging

 

Het wapenbezit zelf bleef toegestaan en nam toe dankzij de technologische ontwikkelingen in de tweede helft van de negentiende eeuw. Dankzij de industrialisering werden met name vuurwapens betrouwbaarder, goedkoper en makkelijker verkrijgbaar voor wie het zich kon veroorloven.

Alleen een verbandje

Er werd openlijk geadverteerd voor vuurwapens, zelfs in socialistische weekbladen, zoals De Volkstribuun. Daarin werden ‘socialistische meisjes’ in 1893 aangespoord om een revolver als ‘St. Nicolaas-Kadeautje’ voor hun vrijer te kopen. Bestellen kon gewoon per postwissel, zoals tegenwoordig in een webshop, zonder verdere voorwaarden. Overigens waren deze advertenties in socialistische kringen niet onomstreden. Zo was de directeur-uitgever H.J. Poutsma in zijn sociaal-democratisch weekblad De Nieuwe Tijd op 21 oktober 1893 zeer kritisch, niet alleen om morele redenen, maar ook om praktische: ‘Die revolvers zijn voor een werkelijk gebruik geheel en al ongeschikt; het zijn geen oorlogswapens en ze kunnen in een eventueel gevecht den drager niet den minsten dienst bewijzen; dit is bij de Belgische kiesrechtonlusten gebleken. Dáár toch hadden de arbeiders soortgelijke revolvers en zoo zij bij toeval soms een gendarme raakten, ging de getroffene even bij z’n dokter, die de kogel er uit haalde, ’n verbandje omlegde en de man was onmiddellijk weer voor den dienst gereed.’

Advertentie uit De Volkstribuun, 1893.

Ondertussen ontstond het besef dat vrij beschikbare vuurwapens ‘bedenkelijk’ waren in handen van ‘misdadigers, zieken van geest en kinderen’, terwijl bijvoorbeeld de verkoop van gif wel allerlei beperkingen kende. Maar vooral de toenemende dreiging van revolutionair geweld en de ontwikkelingen aan de landsgrenzen waren aanleiding tot strengere wetgeving.

Bewapende vluchtelingen

Hoewel Nederland bij de uitbraak van de Grote Oorlog in 1914 zijn neutraliteit wist te behouden, werd het er wel degelijk door geraakt. Duitse troepen hadden de grens met België afgegrendeld en de oorlog zelf woedde al op zo’n vijftig kilometer van de Nederlandse grens. Nederland moest het leger mobiliseren om de neutraliteit te kunnen verdedigen. Het had in de zuidelijke en oostelijke grensgebieden de staat van beleg afgekondigd en daarmee in die gebieden het militair gezag ingesteld.

Nederland ving een groot aantal Belgische burgervluchtelingen op. Sommige vluchtelingen waren bewapend, en de vrees bestond dat zij zich vanaf Nederlands grondgebied als franc-tireurs (‘burgerstrijders’) zouden mengen in de oorlog en daarmee de Nederlandse neutraliteit in gevaar zouden brengen. Ook waren er militairen van de strijdende partijen die bewust – bijvoorbeeld op de vlucht of door desertie – of per ongeluk – bijvoorbeeld door een navigatiefout of een noodlanding – het Nederlandse grondgebied betraden. Die moesten worden ontwapend en voor de duur van de oorlog worden geïnterneerd.

Reclame uit 1913.

Na de Russische Revolutie in oktober 1917 in Rusland, was het ook in Duitsland gaan rommelen. Dat resulteerde in de afzetting van keizer Wilhelm II en de oprichting de Weimarrepubliek op 9 november 1918. Door de Eerste Wereldoorlog ontstond ook in Nederland steeds meer schaarste aan voedsel en brandstof, wat mede leidde tot spanningen onder de bevolking en stakingen, ook onder dienstplichtigen. Vooral de communisten roerden zich in de grote steden, geïnspireerd door de successen van hun geestverwanten in Rusland. Het besef groeide dat particulier vuurwapenbezit dat was bedoeld voor particuliere zelfverdediging zich ook weleens tegen de staat zou kunnen keren.

Alarmerende berichten

Na de wapenstilstand op 11 november 1918 wilden Duitse troepen die zich in België bevonden de kortste route naar huis nemen: via Nederlands-Limburg. De Nederlandse autoriteiten stonden dit toe, maar vanwege de neutraliteitsvereisten wel op strikte voorwaarde dat dit ongewapend zou zijn. Via de Maas-brug bij het Belgische Maaseik trokken in de laatste twee weken van november 1918 70.000 militairen via het Nederlandse Roosteren en Susteren terug naar Duitsland.

Een deel van de wapens werd bij het Nederlandse leger ingeleverd, maar er werden ook wapens geruild tegen etenswaren en andere goederen, of gewoon weggegooid. Het gevolg was dat er veel wapens en munitie in omloop kwamen. Ook bereikten de nieuwe minister van Justitie, Theo Heemskerk, diverse rapporten over verlaten wapendepots in de grensstreek en mogelijke wapensmokkel naar Nederland. Het ging hierbij niet om eenvoudige ‘consumentenwapens’, maar om wapens van ‘oorlogskwaliteit’, waaronder automatische vuurwapens die vanwege de grote vuurkracht voor particulieren ongewenst waren.

 

Dankzij de industrialisering zijn vuurwapens betrouwbaar en goedkoop

 

Heemskerk ontving ook berichten over Russische en Duitse communisten die illegaal de Nederlandse grens over kwamen, geholpen door Nederlandse communisten die in het grensgebied woonden. Andere berichten gingen over illegale invoer van geld en wapens uit Rusland en diefstal van Nederlandse paspoorten in Stockholm, wat kon duiden op de voorbereiding van een gewapende revolutie.

Particuliere bommenfabricage

Op 24 februari 1919 kwam alvast een Militaire Wapenverordening tot stand voor het gebied waar de staat van beleg gold, waarmee de invoer van wapens werd verboden. Daarna werd besloten een wet te maken voor het hele land.

Ondanks de toegenomen noodzaak om particulier wapenbezit te reguleren, bleef de parlementaire discussie net als in 1890 aanvankelijk op twee gedachten hinken. De wetgever wilde aan de ene kant de goedwillende burger niet betuttelen door die het recht te ontzeggen om op legale wijze te beschikken over een (vuur)wapen. Aan de andere kant was regulering acuut noodzakelijk vanwege de grote beschikbaarheid van militaire wapens en revolutionaire dreigingen. Maar toen kort na de indiening van het wetsontwerp in Amsterdam enkele gevallen van ‘particuliere bommenfabricage’ uit anarchistische hoek werden aangetroffen, was er voldoende steun voor striktere regelgeving. Minister Heemskerk verwoordde het als volgt: ‘Het is een betreurenswaardig feit dat er wapenen zijn, het leven zou veel gelukkiger en gemakkelijker zijn wanneer zij er niet waren. Maar nu er eenmaal wapenen zijn, is het van zeer veel belang dat zij in handen zijn van personen die er geen kwaad mede doen; de wet moet het in handen krijgen van wapenen bemoeilijken voor personen, die ze niet in handen moeten hebben, en meer ruimte laten voor hen, in wier handen zij gerust kunnen zijn. Vandaar dat het onvermijdelijk is een machtiging te vorderen voor het hebben van wapenen.’

 

Minister Theo Heemskerk: ‘Het leven zou gelukkiger en gemakkelijker zijn zonder wapens.’

 

Sinds 1890 was het dragen van wapens in het openbaar of ‘op enige voor het publiek toegankelijke plaats’ al verboden; met de invoering van de Vuurwapenwet 1919 op 6 augustus 1919 was nu ook het bezit van vuurwapens verboden. Toch bleven er nog tal van mogelijkheden voor particulieren om legaal een vuurwapen te bezitten, waaronder ‘ter bescherming van huis en erf’.

Uiteindelijk hebben de Vuurwapenwet 1919 en de Wapenwet 1890 – met de nodige wijzigingen – nog lang standgehouden. Pas in 1989 zijn ze vervangen door de huidige Wet wapens en munitie, die strengere voorwaarden stelt aan het privébezit van wapens.

Johri Maat is jurist en bestuurskundige en doet aan de Radboud Universiteit promotieonderzoek naar risicobeheersing en de geschiedenis van legaal particulier vuurwapenbezit in Nederland.

Kader 1: Van Goghs wapen

Op 19 juni 2019 bracht een verroest exemplaar van een penvuurrevolver bij een veiling 162.500 euro op. Een flink bedrag voor een type wapen dat tegenwoordig in goede staat op de antiekmarkt voor een paar honderd euro vrij te verkrijgen is. Maar het wapen was in 1960 gevonden in het veld bij Auvers-sur-Oise, en aangenomen wordt dat Vincent van Gogh er op 27 juli 1890 een zelfmoordpoging mee deed. Het schot was niet direct dodelijk; pas twee dagen later overleed de schilder aan inwendige bloedingen.

De ontwikkeling van dit type penvuurwapen door Casimir Lefaucheux maakte vuurwapens bereikbaar voor particulieren. Ze waren populair en in tal van varianten beschikbaar: als zakrevolver – zoals dit model –, maar ook als verborgen wapen in bijvoorbeeld een wandelstok of in combinatie met een mes of boksbeugel. Veel reizigers bezaten dergelijke wapens om zich onderweg te kunnen beschermen. Het was dus niet vreemd dat een schilder als Vincent van Gogh, die veel reisde en vaak de natuur in trok, een dergelijk wapen bezat.

Kader 2: Huidige wapenwet is strenger

Net als bij de voorgaande wetten is de Wet wapens en munitie uit 1989 gericht op de beheersing van het legale en de bestrijding van het illegale wapenbezit. Om een wapen te mogen bezitten moet er een redelijk belang zijn; de eigenaar moet het bijvoorbeeld nodig hebben voor de jacht of schietsport, of wapens verzamelen. Ook mag er geen vrees zijn voor misbruik. De regelgeving is in de loop der tijd steeds verder aangescherpt, onder meer na de dodelijke schietpartij in Alphen aan den Rijn op 9 april 2011 en na verschillende aanslagen in Europa in 2015 en 2016. Vergeleken met de Vuurwapenwet 1919 hebben verlofhouders tegenwoordig te maken met strikte beperkingen in het type en aantal vuurwapens. Bovendien krijgen ze een strengere screening en huisbezoeken van de politie.

Meer weten

De Vuurwapenwet 1919 (1933) door J.V. van Dijck en J.R.M. van Angeren.

Buiten schot. Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog 1914-1918 (2001) door Paul Moeyes.

Vuurwapens (2013) documentaire door VPRO Metropolis over vuurwapenbezit wereldwijd. Zie: https://bit.ly/2nK6Uj1.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 12 - 2019