Home Symptoom van de jaren zestig

Symptoom van de jaren zestig

  • Gepubliceerd op: 21 maart 2007
  • Laatste update 02 mei 2023
  • Auteur:
    Doeko Bosscher
  • 6 minuten leestijd

Ralph Waver, wie was dat ook weer? In juni 1970 deserteerde hij van de in Vlaardingen aangemeerde USS Marias. Bekenden in Amsterdam brachten hem naar Release, een typisch alternatieve hulporganisatie, die Waver onderdak verschafte. Daarna brak het juridische gevecht los. Waver was de eerste Amerikaanse deserteur die in Nederland asiel vroeg, een waagstuk van jewelste. Haast geen enkel ander land was tot dan toe zo trouw geweest aan Amerika als ‘het Albanië van de NAVO’. Canada of Zweden had naam gemaakt als veilige haven voor jonge Amerikanen die niet naar Vietnam wilden; wie naar Nederland vluchtte liep – zo leek het – het noodlot juist tegemoet.



In zijn goed leesbare proefschrift over Nederland en de oorlog in Zuidoost-Azië legt Rimko van der Maar uit hoe Waver het met het nodige geluk toch redde. Tegen alle verwachtingen in zag Den Haag zich genoodzaakt hem een verblijfsvergunning te verlenen, meer op politieke gronden dan op juridische overigens. Nadat twee kabinetten hun tanden hadden stukgebeten op de zaak, kreeg Nederland de Amerikaanse regering zover dat zij het uitleveringsverzoek – dat stoelde op het NAVO-statusverdrag waarin de rechtspositie van NAVO-militairen is vastgelegd – introk. Tot op de dag van vandaag is Ralph Waver hier blijven wonen.

De manier waarop deze zaak werd opgelost, was typerend voor het Nederland van die dagen. De autoriteiten waren hun hoofd kwijt. Nadat zij eerst jarenlang tevergeefs hadden geprobeerd de linkse opstand die zich in steeds meer maatschappelijke gelederen manifesteerde met juridische middelen te bestrijden, kozen zij nu eieren voor hun geld. De enige weg om van Waver als martelaar en bron van onrust af te komen, liep langs J. William Middendorf II, de Amerikaanse ambassadeur in ons land. Aan diens begrip voor de problemen was het te danken dat Washington uiteindelijk toegaf en de deserteur verder negeerde.

Politieke verstarring
Met twijfel binnen de regering over de oorlog in Vietnam had haar pragmatisme niets te maken. Zeker zolang Joseph Luns stevig in het zadel zat als minister van Buitenlandse Zaken, wat tot juli 1971 het geval was, kon Amerika weinig kwaad doen. Meteen daarna werd de oud-minister tot secretaris-generaal van de NAVO benoemd, waardoor Nederland opnieuw (voor dertien jaar!) aan een pro-Amerikaanse koers vastgeklonken werd. Echt nodig was zo’n gouden ketting trouwens niet, want de relaties tussen de Verenigde Staten en Nederland bleven sowieso opperbest. Hoe dan ook, toen Luns definitief met pensioen ging, was de oorlog in Vietnam al negen jaar voorbij.

Het boek van Van der Maar is in allerlei opzichten verhelderend. In de eerste plaats maakt het eens te meer duidelijk dat het maatschappelijk protest tegen de oorlog in Vietnam vooral een symptoom was van ‘de geest van de jaren zestig’ in het algemeen. Wie de straat op ging om tegen Johnson of Nixon te ageren, of tegen de volgzaamheid van Piet de Jong en Luns, vertolkte ongenoegen over de politieke verstarring in Nederland, zonder zich zozeer ten gunste van de Vietcong of Noord-Vietnam uit te spreken.

Op zoek naar een nobele zaak om zich voor in te spannen en naar een stok om de hond te slaan, kwamen opstandige jongeren – en linkse arbeiders die hen steunden – vanzelf terecht bij dit hun in de schoot geworpen thema. Het was een splendid little war, een schitterend gevecht tegen de gevestigde orde. Niemand hoefde er iets voor te offeren en iedereen kon laten zien het hart op de goede plaats te hebben. Bovendien bleek het Vietnamprotest ook nog eens bruikbaar als een vehikel om het Nederlandse oorlogsverleden – voor de oudere generaties een open zenuw – aan de orde te stellen. Het was bijna te mooi om waar te zijn. 

Spiegelbeeld

Verder laat Van der Maar zien hoe sterk de situatie vanaf 1972 veranderde en een soort spiegelbeeld werd van de periode daarvoor. Weliswaar vliegt zijn relaas, dat toch al worstelt met een gebrek aan solide cijfermateriaal, bij deze vergelijking bijna uit de bocht door zijn gegoochel met het begrip ‘publieke opinie’. Uit een voor Amerika gunstige enquête-uitslag van april 1968 (een van de weinige waaruit hij kan putten) maakt hij op dat er ‘een discrepantie was ontstaan tussen de openbare-meningsvorming, en de opinie van de meerderheid van de bevolking’.

Publieke opinie, openbare-meningsvorming, de opinie van de meerderheid: de hutspot die Van der Maar op dit punt creëert, versluiert gelukkig nog net niet de conclusie dat de boze jongeren in de jaren 1965-1971 mochten roepen wat zij wilden, maar dat Nederland rustig achter de bevrijders van 1945, de Amerikanen, bleef staan. Hoe sterk hun argumenten ook waren, de zwijgende meerderheid van de bevolking liet zich niet van de wijs brengen.

Later werden de oudere generaties kritischer, wat mede gelegitimeerd werd doordat ook in de Verenigde Staten zelf de critici het politieke centrum hadden veroverd. De culturele avant-garde besefte dat het gedaan was met de exclusiviteit en verloor alle belangstelling. Je kon voortaan zonder problemen tegen de oorlog in Vietnam zijn, want zelfs Nixon en Kissinger waren tegen. Vanwaar anders de onderhandelingen met het Noorden en de toenadering tot China? In de nadagen van de Koude Oorlog golden de oude tegenstellingen niet meer. 
           
Al met al maakte de Nederlandse regering bij monde van de nieuwe minister Schmelzer met een gerust hart bezwaar tegen de kerstbombardementen van 1972. Zich een beetje distantiëren van Amerika om scherpere protesteerders de wind uit de zeilen te nemen, dat was de strategie. Tot in Washington toe had iedereen door welk spel er werd gespeeld – en had er begrip voor. 
           
Na de behandeling van de zaak-Waver is het boek van Van der Maar abrupt uit. De auteur rechtvaardigt zich eigenlijk nergens voor het ontbreken van onderzoek naar het kabinet-Den Uyl, de meest linkse en wellicht meest interessante van alle naoorlogse coalities. De lezer moet het doen met de simpele mededeling dat de studie reikt tot het moment waarop de laatste Amerikaanse grondtroepen Vietnam verlieten. Uiteindelijk ontkomt Van der Maar er natuurlijk niet aan iets over Pronk en diens haat jegens Saigon en kalverliefde voor Hanoi te vertellen, maar helaas, het blijft bij wat smaakmakers voor een vervolgstudie. 
           
Had de promovendus net toen het echt leuk werd geen tijd meer omdat zijn aanstelling voor vier jaar erop zat? Dat is dan te betreuren. Zoals dit nuttige onderzoek laat zien dat de Vietnamkwestie eigenlijk een lang hoofdstuk in het dikke boek over de jaren zestig was, zo had het aan de hand van hun Vietnambeleid ook meer licht kunnen laten schijnen op de positionering van Den Uyl en de zijnen. Waren zij deel van het verleden of voorboden van de toekomst? Misschien dat Anet Bleichs langverwachte biografie van Den Uyl binnenkort het antwoord geeft.

Doeko Bosscher is hoogleraar eigentijdse geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.